Mooiste

het-badhuis-corine-kisling

Er is natuurlijk Chateaubriand, die ik herlees en later nog eens hoop te herlezen. Hij schreef een subliem soort Frans, het doet me haast betreuren dat een van mijn voorvaderen ooit naar het Noorden en het Nederlands is getrokken. In het Nederlands, echter, is Het badhuis van Corine Kisling misschien wel het mooiste dat ik dit jaar las.

“Een oude vrouw is uitgegleden in bad en kan er op eigen kracht niet meer uit. Haar geroep om hulp wordt niet gehoord. In de bange uren (wellicht dagen) die ze in de steeds verder afkoelende badkuip doorbrengt komen herinneringen boven aan tragische gebeurtenissen in haar leven….”

Subtiel en ontroerend. Een parel.

Ezelsoor

Ik vouw een ezelsoor in de bladzijde, nog vaker markeer ik met mijn duimnagel de marge. U vindt dit barbaars? Hugo Claus maakte brandvlekken met zijn sigaret, naast mooie passages. Lippenstift lijkt me in bepaalde gevallen ook nog bruikbaar.
Chateaubriand beschrijft het Hradschin in Praag.
“Niet ver van deze vormeloze massa’s stak een mooi gebouwtje, gekleed in een elegante cinquecentoportiek, tegen de hemel af: deze architectuur heeft het ongemak, niet in overeenstemming te zijn met het klimaat. Als men ten minste, tijdens de Boheemse winters, deze Italiaanse paleizen in een warme serre kon plaatsen, samen met de palmbomen? Ik dacht altijd aan de koude die ze ’s nachts moesten lijden.”
F.-R. de Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe, livre trente-huitième, chapitre dix.

Klassiek

Soms is het al een tijd geleden dat men nog eens een klassiek boek uit het eigen vakgebied heeft gelezen. Herontdekking is dan een blijde gebeurtenis.

“Men moet het niet te nauw nemen met het ‘belangeloze welbehagen’ waarover de aesthetici zo gaarne spreken. Wanneer ik mij onder de toeschouwers bevind, deel ik wel niet in de gebeurtenissen op het toneel, maar ik neem wel deel aan hen door mijn medeleven. Mijn nieuwsgierigheid en weetgierigheid worden geprikkeld. ‘Belangeloos’ kan hier slechts betekenen: die gebeurtenissen behoren niet tot de werkelijkheid, waarin ik ben verdiept, ik kan ze als het ware met de zalige ogen van een gestorvene aanschouwen. Een genre-tafereel herinnert mij aan gezinsgeluk, huiselijke behagelijkheid of gezellige genoeglijkheid, aan toestanden en belevenissen van mijn werkelijkheid. Landschapsstukken roepen mij reizen of tochten in het geheugen of een streek, waarin ik gaarne heb vertoefd en waar ik eventueel ook heb geleden. Maar alles is helder en licht geworden, van zijn scherpe kanten ontdaan, zoals bij dingen op een afstand naar tijd en ruimte. Vrijwillig, zonder enige dwang, keer ik mij tot het beeld – dit is een beslissend punt – en verwerf daarbij de superieure rust, het geluk van de zuivere beschouwing. Zien zonder vooropgezet doel is genietend zien. De kunst schept een tweede wereld, waarin ik niet acteur maar toeschouwer ben en die wereld gelijkt op het paradijs.”

Max J. Friedländer, Kunst en kennerschap, Nederlands door Dr. Anne Berendsen, Leiden, 1948, p. 20.