Dodendraad

De dodendraad in Wortel (foto via website Amalia van Solms)

Vannacht droomde ik, vreemd genoeg, van de Dodendraad. Ik lag ineengekrompen op de grond en hoorde de electriciteit door de staaldraad zingen. Als kind op het platteland heb ik uiteraard een ruime ervaring opgebouwd in het onder prikkeldraden doorkruipen, maar de Dodendraad heb ik zelf nooit gezien: de Duitse bezetter sloot er de Belgisch-Nederlandse grens mee af tijdens de Eerste Wereldoorlog. De dodendraad speelde een rol in het leven mijn beide grootvaders, die als kinderen vlakbij woonden. De ene werd getraumatiseerd door een afschuwelijk ongeluk dat niet ver van  zijn vaders huis aan de draad gebeurde: twee zussen wisselden pakjes uit door de grensversperring en werden allebei geëlectrocuteerd. Mijn grootvaders vader kreeg van de Duitse militairen het bevel om paard en wagen in te spannen en de lijken op te gaan halen. Ik gebruikte deze ervaring in mijn roman Almanak.

“De lichamen lagen uitgestrekt op bussels stro, er waren paardendekens overheen gelegd, en de dikke soldaat, Karl, de goede, die zich dikwijls liet omkopen, hield de wacht, het geweer in de aanslag. Achter hem ijsbeerde Von Erztum. Da sind sie ja endlich, snauwde hij. (Slechts eenmaal, met Kerstmis vorig jaar, toen ze met het hele gezin waren uitgenodigd in hun eigen beste kamer en daar voor de eerste keer een kerstboom vol kaarsen en snoepgoed zagen, had Frans de officier een andere toon horen aanslaan.) Machen sie vort, dies alles dauert schön viel zu lange! Dikke Karl, zo werd in het dorp al verteld, had de buurvrouw gered door zijn geweer op haar te richten toen ze in paniek Tabitha van de draad wilde losrukken en door haar toe te brullen dat ze niks mocht aanraken. De Duitsers hadden iemand naar de cabine in Wortel gestuurd om de electrische stroom uit te schakelen; zo konden ze het lichaam van Jouwke, gevallen op Hollands grondgebied, onder de prikkeldraad doortrekken. De zusters moesten nu samen worden begraven, al had de grensversperring hen meer dan een jaar van elkaar gescheiden.

Frans hoorde de draad zoemen. Voordat de Duitsers deze versperring hadden opgetrokken, kende hij geen electriciteit; nu stelde hij zich die vreemde kracht voor als onzichtbare bliksems die door de manshoge prikkeldraden heen en weer schoten, het verbaasde hem soms dat hun stekels niet knetterden van de withete vonken. Hij had al verkoolde hazen en katten gevonden op zijn zwerftochten, hun koppen zagen eruit alsof ze van binnenuit waren verbrand en ontploft. Dat bedroefde hem – wat konden de beesten eraan doen, aan de zotheid en de slechtheid van die mensen? Ze leefden gewoon in het veld en het onderhout, zoals alle hazen en katten voor hen hadden gedaan, sinds de schepping van de wereld.

Vlak bij de draad lag een klomp in het gras, zag hij, en aan de overkant een kannetje.”

Waltmans kapel

Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Weeën, Minderhout

“In Januario 1650 ontfanghen van myne suster Susanna Van Dyck beggyntien tot Antwerpen de somme van ses hondert en vyftich guldens tot eene almoesse ende dat voor onse ouders ende onse suster Cornelia Van Dyck oock beggyntien in haeren leven, als mede onsen Broeder Anthonio Van Dyck, sielen, op dat de selve deelachtich soude mogen wesen vande H.H. Sacrificien ende gebeden die in dat capelleken sullen geschieden in alle toecomende tyden.”
Wie in deze afgelegen kapel een kaars zou branden, herdenkt dus meester Antoon Van Dyck. Kunsthistorische pietas.

Foto via Erfgoedbank Hoogstraten; cfr. L. Huet, Een barok kleinood op een Kempense akker, in Vreemd gebouwd. Westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur, o.l.v. S. Grieten, Brepols, Turnhout, 2002.

Minderhout

De Sint-Clemenskerk, barok hersteld

Vele zaterdagen vergezelde ik mijn grootmoeder naar de mis in de Sint-Clemenskerk van Minderhout. We zaten meestal op dezelfde plaats, links onder de statie “Jezus valt voor de derde maal onder het kruis”, en ik verveelde me stierlijk. De collecte ontlokte me een zucht van opluchting – de beproeving was weer bijna achter de rug. Gelukkig viel er in de Sint-Clemenskerk voor een nieuwsgierig kind veel te bekijken: een barokke preekstoel, beelden, en de wonderlijke herdenkingsplaten van de achttiende-eeuwse geestelijken Hieronymus van Diependael en Nicolaas Tasse, de ene wit met zwarte letters, de andere zwart met wit opschrift, beide gesierd met portretten en zwierige trompe l’oeil draperieën van marmer.
Later ontdekte ik dat de jongste broer van Antoon Van Dyck, Waltman, hier pastoor was geweest. Hij werd benoemd in 1640 en stelde met eigen ogen vast dat de Tachtigjarige Oorlog een zware tol had geëist in zijn parochie. De Sint-Clemenskerk was “meer gelyck aen een vuyl packhuys van alderhande meubelen, kisten, schapprayen, graen-corven, backen als aen een huys Godts, van beneden tot boven aen ’t welfsel met vuyle ontallycke solderkens afgeslaghen, daer elck huysgesin soo van Castel, als van Minderhout by naer hunne eygen solder in hadden, die sy met sloten en grendels afsloten. De vensters ronthom toegemetst, colommen, ende ysere latten daer vuyt, hier en daer maer een clein gaetien hebbende om licht te scheppen, de welfsels seer gebroken, de vloiren gebroken, alleen de Choor vry en eenen authaer die aldaer stont simpel en slecht…” Er was werk aan de winkel.
Waltman restaureerde de kerk. Hij bestelde kandelaars, koorgewaden, een nieuw schilderij voor het hoofdaltaar, een nieuwe klok. In 1650 besloot hij ook de landelijke kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven-Weeën op te knappen. Deze Antwerpse norbertijn met mondaine connecties (onder de hoede van zijn beroemde broer was hij in Londen een tijdlang kapelaan geweest van de katholieke koningin Henrietta Maria) heeft het uitzicht van Minderhout mee bepaald. En bijgevolg ook mijn herinneringen. Ik putte uit Waltmans archiefstukken voor een artikel over de kapel, ik schreef over Minderhout, Waltman en mijn grootouders in De kunstkamer en Mijn België. En af en toe moet ik gewoon ter plaatse gaan kijken of alles er nog staat.

(Afbeelding via Erfgoedbank Hoogstraten)