De oorlog en de gekte

Actrice Guusje Van Tilborgh en Dulle Griet

Schrijver Erik Vlaminck vertelde me een verhaal en ik vroeg zijn toestemming om nota’s te nemen; het was namelijk een verhaal over een dame die me na aan het hart ligt, Dulle Griet. Actrice Guusje Van Tilborgh had Erik verzocht een monoloog over Dulle Griet te schrijven, zij wilde dit personage sinds haar studentenjaren graag vertolken. Erik hield de boot af en de zaak bleef hangen, tot hij geruime tijd later in Café Gounod Guusje en Wannes Van de Velde ontmoette, enkele weken voor diens dood. Dulle Griet kwam opnieuw ter sprake. Wannes Van de Velde zei: “Als ik tijd van leven had, zou ik die monoloog schrijven. Dulle Griet, dat is de oorlog, en de gekte, van alle tijden.” Hij vertelde ruim een uur over Bruegel en Dulle Griet. Geïnspireerd door zijn verhaal en zijn interpretatie schreef Erik Vlaminck de monoloog. Guusje Van Tilborgh heeft deze ter gelegenheid van de recente tentoonstelling Bruegel Ongezien! in het Museum Mayer Van den Bergh opnieuw opgevoerd.

Wannes Van de Veldes liederen van oorlog en vrede zijn deze week nog in verschillende zalen te beluisteren, onder meer in De Roma in Borgerhout.

Zomeravond

Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen

Ziehier de tuin van het Godshuis Van der Biest, op het literaire salon gewijd aan Max Elskamp. Alles staat klaar voor de prachtige Brelvertolking van Filip Jordens. Daarna was het tijd voor Elskamps gedichten, meeslepend gelezen en vertaald door Geert van Istendael, en Elskamps wandeling, bedacht door uw dienares. En voor chocoladetaart en rode wijn (er was ook Seefbier).

Niet alle mooie verhalen komen van schrijvers, dat weet u even goed als ik. Een vriendelijke bezoeker, wiens naam ik tot mijn spijt vergat te vragen, vertelde me over de reproducties naar schilderijen van Pieter Bruegel, die Wannes Van de Velde inspireerden tot het ontroerende lied Café Bruegel (ik ken geen vriendelijker woorden dan dat: “Zet uw eigen bij de ploeg”). Na de sluiting van het café zijn ze verkocht op de Vrijdagmarkt. De pastoor van de Sint-Andrieskerk  – een collega-kunsthistoricus, als ik me niet vergis – kocht ze, en ze sieren nu de parochiezaal van Sint-Andries. Goed om te weten.

Niet vergeten: volgende vrijdag en zaterdag zijn er literaire salons over Hugues C. Pernath en Paul de Vree.

Wij, Heren van Zichem

Een hoofd is een delicaat iets. Men is zich zelden bewust van de binnenkant, tot de keel begint te prikken. Vervolgens zoemen de oren. En de ogen. Uit alle gelaatsopeningen, vooral de neus, schijnt vocht te stromen. Men wordt plotseling de locatie van de tandwortels gewaar, ze reiken zo ver! De tong draagt een afschuwelijk vlies van keelpastillesmaak. De apotheker waarschuwt voor het slaapverwekkende effect van de codeïne in de hoestsiroop, gelukkig kan het pepmiddel in de anti-sinusitistabletten dat compenseren. En dan gebeurt het. Te midden van lichamelijk ongemak – zoete rust. Geen schuld, geen druk, geen beslissing, geen folterende besluiteloosheid: ziek worden overkomt je. Je kunt er niets aan doen. Je geeft je over. Suffen op de sofa, met een kledingstuk dat al anderhalf jaar op een kleine herstelling wacht. Geen wonder dat niet-dodelijke ziekten zo populair zijn, ze ontslaan een mens van verantwoordelijkheid.
Bij deze stemming paste wonderwel een toevallig ontdekte episode van Wij, Heren van Zichem. Net zoals de studentenrevolte van mei ‘68 dateert deze televisieserie van vóór mijn bewustzijn. Toch moet ik er lang geleden al een heruitzending van hebben gezien. En nu wordt deze klassieke reeks opnieuw gerecycleerd. Pastoor Munte, de Wittekop, Boer Coene, Moeder Cent, u weet wel. Diep in het collectieve geheugen. Wat bleek? Het viel mee. Zeker, het acteertempo was gezapig; maar ik kon die rust waarderen. Er werd goed geacteerd. De smid. Robert Marcel, een buurjongen van mijn grootvader in Wortel-Kolonie. En Luc Philips. En Fons Exelmans. Ik bestudeerde de interieurs. De Mechelse meubelen in de beste kamer van de pastoor. Heel vertrouwd. Vervolgens de woonkamer van de herenboer. Behangpapier, een statussymbool. Eiken deuren. Een staande klok. Een mooi rek met drie geweren. Wat prenten, een schilderij met een landschap en een met een paard. Rustieke weelde in de Donkelhoeve. Tenslotte betraden we het Wazinghuis, waar de gedoemde baron Alex van Berckelaer woonde. Hier was de voertaal Frans, het interieur vol achttiende-eeuwse details. De melancholieke baron, die in een soort droomwereld leek te leven en iedere greep op zijn lot verloren had, verwees wel naar zijn Brabantse wapenspreuk, Hoop is mijn schild. We zagen hem een weidse trap opgaan, hét kenmerkende element van de architectuur van het Ancien Régime. Een element waarnaar ik soms heimwee heb. Trappen met treden waarop je voluit je voet kunt plaatsen. Zwierige, wentelende trappen. Ik weet niet waarom men ook in de beste hedendaagse gebouwen altijd weer op trappen lijkt te besparen, ze herleidt tot kale betonnen ladders met een scherp metalen leuninkje, waaraan men zijn hand zou kunnen snijden, als de geest al niet subtiel gepijnigd wordt door treden op ongelijke hoogtes.
Vijftien minuten Heren van Zichem, en ik had een dwarsdoorsnede van de maatschappij gezien. Het is u misschien ook al opgevallen, dat er in de hedendaagse Vlaamse media en kunst zelden plaats is voor zo’n dwarsdoorsnede? Verkavelingen en de goot, meer wordt er doorgaans niet getoond. En nee, Balthasar Boma is niet de hedendaagse tegenhanger van Alex van Berckelaer.
De generiek bood ook verrassingen. Mooie, onmiddellijk herkenbare muziek van Wannes Van de Velde. En de naam van dichter Hubert Van Herreweghen als producent.
Tja, waarom eens niet opnieuw Ernest Claes uit de boekenkast nemen, en lezen over Wannes Raps, over Vitalis Van Gille? Eens kijken of en hoe het standhoudt.