Oktoberlicht

Oktoberzon, oktoberlicht. In het Engels heet het ook St Luke’s little summer, leerde ik deze week. De feestdag van Sint-Lucas (patroon van de kunstenaars en mogelijk ook van de kunsthistorici) valt op 18 oktober. Deze Sint-Lucaszomer levert alvast een heldere dag op om in de tuin te werken en paddenstoelen, hele boeketten ervan, te ontdekken; een dag om een oud boek uit de kast te halen en te kijken naar ex-libris en titelblad. Van een uitgave van de Oorlog in Vlaanderen, door kardinaal Bentivoglio. En dan ploeteren we zelf ook maar weer wat voort, aan een boek.

Oh, Emily

Momentopname

The Brussels Brontë Group nodigde me uit om te spreken over Charlotte Brontë en haar Brusselse roman, Villette. Weer thuis op mijn eigen heidevelden zocht ik naar Brontëboeken in de kast. Ik bleek enkel Anne’s The Tenant of Wildfell Hall te bezitten, en Charlotte’s Shirley, en Emily’s Wuthering Heights. Woeste Hoogte. Om te beginnen herlas ik die laatste. Want ik geloof dat ik houd van Emily B., de onverstoorbare, de stoïcijnse, die het allerliefste brood bakte in de keuken van Haworth parsonage en over the moors wandelde, met haar hond Keeper.

Ik was vergeten hoe krankzinnig gewelddadig dit boek is. Goed zo, Emily! Het laatste wat de schrijfster wilde, was zichzelf op de voorgrond plaatsen, en toch heb ik soms de indruk dat ik haar betrap: wanneer ze een nest van kieviten beschrijft, bonny lapwings (ze hield dus van dezelfde vogels als ik), bijvoorbeeld. En hier: wanneer ze het heeft over Catherine Earnshaw en Edgar Linton: “I believe I may assert that they were really in possession of deep and growing happiness.

It ended. Well, we must be for ourselves in the long run; the mild and generous are only more justly selfish than the domineering; and it ended when circumstances caused each to feel that the one’s interest was not the chief consideration in the other’s thoughts.” Die must is het enige cursieve woord in het hele boek. Iets om over na te denken. En dan zijn er de vredige laatste zinnen van deze gewelddadige roman; en die vrede gaat over het landschap.

Een nieuwe film of tv-serie schijnt te gaan over een wilde romance van Emily Brontë. Maar ik denk dat ze een van die zeldzame vrouwen was, die heel goed zonder kon.

Warandepark

(Vue du bassin du parc de Bruxelles, L’Illustration européenne, 1870)

Ach, Brussel!

Een Britse bezoeker in 1843 kon zijn enthousiasme nauwelijks bedwingen.

“A more strikingly handsome place, a more cheerful and inviting looking city is not to be met with on the continent of Europe. Her modern houses, handsomely stuccoed, seem petty palaces. Her wide streets and squares are airy and clean. Like Edinburgh, she is divided into two distinct towns, the old and new; the former is dirty and irregular as her prototype the capital of Scotland, the latter is handsome and picturesque, as the recent improvement in modern Athens. The Park of Brussels is one of the most enchanting gardens imaginable: planted with splendid old trees, arranged in the fashion of the early part of the last century, divided by broad walks, and square cut grass plots, it may seem in mere written description as stiff and unpicturesque, but viewed in reality on a fine day, every vista is affording the view of some splendid building at the close of it; dotted here and there with flowers, ornamented with statues. It is thronged with a crowd of gay well dressed people: the scene is almost fairy like and strongly reminds one of the old pictures of al fresco fêtes when Dames and Knights, stretched along the grass, wiled away the time in telling love tales, or listening to the soft breathings of some dulcet lute. I am aware that such romantic language is ill fitted for the pages of a dry guide-book, but I have no other terms in which I can properly give an idea of this lovely garden, which is basely styled a park.”

En gisteren nog even mooi.

H. R. Addison, Belgium as she is, 1843. Zie ook L. Huet, Mijn België, 2004, p. 11.

Gilliams: de podcasts

Gudrun de Geyter van Radio Klara maakt een fraaie reeks podcasts over Maurice Gilliams, de mysterieuze Antwerpse schrijver. De eerste afleveringen met bijlagen van biografe Annette Portegies en auteur Koen Peeters staan nu online op de VRT-website. Laat u meevoeren naar een andere wereld, die toch ook de onze is. Antwerpen, de Kempen, Turnhout, châteaux en Espagne…

Landgoed

Waarschijnlijk het beste moment in een schrijversleven: wanneer je de doos met presentexemplaren kunt openen.

Ik sla de bloemlezing open en kom uit op bladzijde 146.

“Waarom bezitten we toch geen rijtuigje met een paard? Ik zou het best kunnen gebruiken om met u naar mijn landgoed te rijden waar het zalig slapen is in september, na een glas rode wijn en een sigaar, als het mooiste boek gelezen is en de marokijnen band terug in de mahoniehouten bibliotheek berust. De waakhonden blaffen in het park. Het is alles blauwig teder en toch nauwelijks hangt er nevel over de kruin der nachtelijke bomen. Wat lijken de wegen vreemd, die naar deze stilte voeren, als men er van achter een hoog kasteelvenster lang naar tuurt. Ze liggen roerloos, gedroomd gelijk een waterplas in het landschap. En daar is Diotima in haar poëtisch nachtgewaad gehuld, gereed om een lichte elfendans over de weiden, naar de beken toe, zwevend uit te voeren.

Ik blaas de dikke waskaars uit; het is donker in het hoge slaapvertrek. De windwijzer, verguld en onbewogen, houdt de wacht op de hoogste punt van het schaliëndak.”

Aldus droomde de schrijver in Antwerpen, op 29 september 1943. En ik droom mee.

Het Komiteit

Bron: Beeldbank Hoogstraten

‘De eerste wereldoorlog liep naar zijn einde toe en ik was nog steeds thuis. Mijn oudste zus en oudere broers zaten op school in internaten. Ik zou moeten wachten tot na de oorlog, hadden mijn ouders geoordeeld, want de kosten waren haast ondraaglijk en men kon mij thuis best gebruiken als loopjongen. Er moest inderdaad elke dag wat afgelopen worden om het nodige bij te halen voor de keuken en de stal: graan, patatten bij de boeren, artikelen van het Komiteit ophalen en dat deed ik met onze kinderwagen. Ik herinner me dat ik telkens met een volgeladen kinderwagen van het dorp naar de Kolonie reed en dat meester Degreef, die och arme één bengel te voeden had, nijdig tegen zijn buurman zei: “Die van Huet die halen nogal wat weg op het Komiteit.” Hij vergat er bij te zeggen dat wij tien kinderen moesten onderhouden.’ In het door de Duitsers bezette en leeggeplunderde België heerste tijdens de Eerste Wereldoorlog een nijpende schaarste aan voedingsmiddelen. De Amerikaanse diplomaat Herbert Hoover leidde sinds oktober 1914 The Commission for Relief of Belgium, die hulpgoederen inzamelde voor het in strijd met alle internationale verdragen onder de voet gelopen land. In België zelf verdeelde het Nationaal Komiteit voor Hulp deze goederen over steden en gemeenten. En daarom trok de twaalfjarige Armand Huet, door iedereen Gabriel genoemd, met de kinderwagen naar het stadhuis van Hoogstraten, een tocht van vijf kilometer, om etenswaren en andere hulpmiddelen op te halen voor zijn jongere broers en zussen. En daarna weer vijf kilometer terug.

Ik werk aan het hoofdstuk over Martial Van Schelle tijdens de Eerste Wereldoorlog. En gelukkig vond ik ook een korte tekst van mijn grootvader over het dagelijks leven in Wortel-Kolonie in diezelfde periode.

(Met dank aan stadsarchivaris Piet Van Deun voor de informatie over de locatie van het Comité).

Hoogdag

De kleine Maurice Gilliams-installatie op het kastje in de hal is vandaag verrijkt met twee nieuwe boeken. Gisteren vierden we in het Antwerpse Letterenhuis de publicatie van de biografie van de schrijver, door Annette Portegies, en de bloemlezing uit zijn werk, die ikzelf samenstelde. Heerlijk, om de woorden van een schrijver die ik bewonder naar een ruimer publiek te mogen brengen. Die bewondering begon ergens op de middelbare school, in het Spijker dus. En ze groeit nog.

Zomer

Ik kreeg een mooi, dun boek cadeau. De schrijver vertelt over zijn observatie van een kraai, tijdens de zomer; ergens in het noorden van Nederland, bij de zee.

“Een zware geur van overrijpe vruchten.

Het hart van de zomer.

Een warm strand dat ’s nachts niet meer afkoelt.

Het binnenst van een vrucht.

Het zoemen van een wesp.

Het water staat bruin en stil in de sloten.

Er is een ijshoorntje op het plaveisel van de boulevard gevallen. De geur van vanille die daar nog dagen van de warme stenen komt.

Tussen toen en nu een leven, in een oogwenk door de geur overbrugd.

Het hart van de zomer, welke kant je ook oploopt, vooruit, achteruit, naar links, rechts, je loopt de zomer in.

De geluiden staan op zich en leggen het af tegen de hitte.

Het zoemen van de insecten onder de fruitbomen.

Jouw stille zwarte vlucht.”

Vroeg of laat word je op het platteland een geduldige waarnemer.

Opneming

Het moet niet altijd Rubens zijn, al bezit de kathedraal van Antwerpen wel een magnifieke Tenhemelopneming van zijn hand. Vandaag heb ik heimwee naar Titiaans Tenhemelopneming van Maria in de S. Maria Gloriosa dei Frari in Venetië. Een schilderij dat Rubens ter plaatse zag en bewonderde. En een paar honderd jaar later zag ik het daar ook. Een verre herinnering. We vieren Moederdag in de provincie Antwerpen. Mijn moeder en ik gaan wandelen, een blokje om in laf weer, maar het waait toch zacht. En ik steek een kaars aan in het kapelletje dat bij mijn moeders huis hoort. Het kapelletje is al meer dan honderd jaar toegewijd aan de Stella Maris, de leid-ster op zee. Laat haar de mensen die moedig zwalpen op de zee der vergetelheid naar een goede haven leiden. Is dat een troostende gedachte?

Vrouwen, misschien

Ik kijk de drukproef na van mijn bloemlezing uit het werk van Maurice Gilliams. De teksten zijn zorgvuldig gelezen en gekozen, om een geheel te vormen en een uitzicht te bieden op zijn belangrijkste thema’s, zijn mooiste regels, zijn sterkste gedichten. Toch ontsnappen er altijd bijzondere dingen. Een fragment kon om allerlei redenen niet opgenomen worden, maar ik kan het niet vergeten. Hij heeft het over vrouwen in de schilderijen van Henri de Braekeleer en herinnert zich arme vrouwen die hij zag in zijn jeugd, aan het begin van de twintigste eeuw in Antwerpen.

“Het zijn als ongehuwde naaisters die indertijd bij klanten aan huis gingen werken en uit andermans afgedragen kleren hun eigen japonnen maakten, maar die zeer proper, zeer arm waren. Zij wonen op achterkamers met het gezicht op oude daken en een kerk, de huishuur angstigzuinig en secuur met koperen centen, met halve en hele stuivers in een koffiekopje bij elkaar gespaard. Ze zijn vrouwen, misschien, omdat men ze als zodanig aan hun kleren herkennen moet, zonder lokstem en zonder bij tijden met de onrustige wankelmoedigheid van hun sexe te zijn behept.” O, die armoede, die huishuur in een koffiekopje, dat discrete, treurige leven.