Mnemosyne

Kardinaal Mercierzaal, HIW
Kardinaal Mercierzaal, HIW

“Gedenken en vieren horen bij elkaar en Mnemosyne is dan ook nauw betrokken bij feestelijkheden waar iets wordt gevierd. De Muzen zijn welkome gasten op elk feest. Mnemosyne staat ook in voor de naam en de roem, voor het bekend en beroemd zijn, al was het maar in kleine kring. Dat er ergens iemand is die aan je denkt, is het werk van deze godin.”
Sam Ijsselings nieuwe boek, Dankbaar en aandachtig, werd voorgesteld in de Kardinaal Mercierzaal van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. De godin Mnemosyne, Herinnering,  had er vele mensen verzameld. De filosoof vertelde over de rijkdom en de stuwende kracht van mythologische en Bijbelverhalen; hoe schrijvers nooit ten volle beheersen wat ze in een boek vertellen. Een dame uit het publiek vroeg hem van welk boek hij het meest hield als lezer, en welk boek hem het dierbaarst was als schrijver. Hij antwoordde ontwijkend op de eerste vraag, maar zei dat Drie godinnen hem zijn mooiste eigen werk leek. Thuis nam ik dit essay nog eens ter hand en las over de moeder van de Muzen; hoe Griekse godinnen mentale ruimtes zijn waarin menselijke zaken mogelijk worden.

S. Ijsseling, Drie godinnen. Over Mnemosyne, Demeter en Moira, Amsterdam, 1998.

Samenspraak

Het Zoekend Hert
Het Zoekend Hert

Een mooi huis betreden dat echt een filosofisch-literair salon is, het is een zeldzame ervaring. En daar samen met het publiek te kunnen spreken over de Eerste Wereldoorlog en schrijfsters als Virginie Loveling en Virginia Woolf, het was een voorrecht.
In een van de kamers kwam ik tot mijn verrassing oude bekenden tegen, die me even terugvoerden naar mijn studententijd.

Lou Andreas-Salomé, Paul Rée en Friedrich Nietzsche (fresco door J. Beulen)
Lou Andreas-Salomé, Paul Rée en Friedrich Nietzsche (op oude foto gebaseerde schildering, door J. Beulen)

Filosofiehuis Het Zoekend Hert, Koninklijkelaan 43, Berchem

De optimistische filosoof

Rafael, Aristoteles (detail van De school van Athene), Stanza della segnatura, Vaticaan
Rafael, Aristoteles (detail van De school van Athene), Stanza della segnatura, Vaticaan

“Een waarlijk goed en verstandig mens, zo menen wij, draagt alle wisselvalligheden van het lot zoals het behoort, en gebruikt de gegeven omstandigheden altijd om te doen wat het edelste is – net zoals een goed legeraanvoerder de troepen die onder zijn bevel staan op de meest strategische wijze gebruikt, of een schoenmaker de mooiste schoenen vervaardigt uit het leer waarover hij beschikt; en hetzelfde geldt voor alle andere deskundigen en vaklieden. Als dat zo is zal een gelukkig mens nooit diep ongelukkig worden.”

Men hoort zelden een best case scenario vermelden. Aristoteles deed het.

Aristoteles, Ethica, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door C. Pannier en J. Verhaeghe, Historische Uitgeverij, Groningen, 1999, p. 43.

Libreria Seeber

Ter gelegenheid van mijn praatje over Aristoteles, vanavond op Klara, probeerde ik me de naam te herinneren van de prachtige Florentijnse boekhandel waar ik in november 1990 een pocketversie van de Etica Nicomachea kocht. Ik herlas mijn dagboek van dat gelukkige jaar en vond uiteindelijk dankzij het internet dat aloude adres terug. Verdwenen boekhandel onder barok beschilderde gewelven, lievelingsboekhandel van mijn lievelingsdichter Montale. Aan de Via Tornabuoni.seeber

Lof van

Aristoteles, Romeinse buste naar Grieks origineel, 2de eeuw, Museo nazionale romano, Rome
Aristoteles, Romeinse buste naar Grieks origineel, 2de eeuw, Museo nazionale romano, Rome

“Niemand toch zal van het lichaam beweren dat het gelukkig te prijzen is omdat het in een schitterend gewaad is gehuld, maar eerder omdat het gezond is en in een goede conditie verkeert, ook al mist het dat zojuist genoemde gewaad.
Zo moet je ook over de ziel denken: je kunt de ziel, en dat geldt ook voor de mens, pas gelukkig noemen, als zij een goede vorming heeft genoten; maar niet de mens die wel met uiterlijke praal is uitgedost maar zelf niets waard is. Ook een paard achten wij niet veel waard als het een gouden toom en kostbaar tuig draagt, maar zelf niet deugt; maar als het in goede conditie verkeert, dan slaan wij dat paard hoog aan.
Afgezien daarvan komt het voor dat wanneer mensen die niets betekenen gefortuneerd raken, zij meer waarde gaan hechten aan hun bezittingen dan aan geestelijke goederen, en iets schandelijkers dan dat bestaat niet.”

Ik neem een boek van een oude filosoof uit de kast, ik open het, en meteen worden weer de puntjes op de i’s gezet. Tweeduizend driehonderd vijftig jaar geleden schreef iemand deze woorden op in Athene. Filosofische begrippen, subtiele onderscheidingen en verbanden, radicale standpunten, een docent en toehoorders, het bestond allemaal al. Ik buig het hoofd omdat ik van schitterende gewaden houd en lees in de krant dat bezittingen het enige zijn wat telt, hoewel diezelfde krant even vrolijk beweert dat ik in een democratische meritocratie leef. Wat geen hedendaags medium me brengt, brengt het werk van Aristoteles vaak wel: rust en vertrouwen.  Zoals mijn lerares Latijn soms zegt: “Je kunt je afvragen of het denken sinds de Griekse filosofie veel vooruitgang heeft geboekt.”

Maar laten we ook voetnoot 1 overwegen: “Aristoteles lijkt het Platoonse thema van de koning-filosoof te combineren met een discreet verzoek om materiële steun …” – hij droeg zijn Lof van de wijsbegeerte netwerkend op aan de rijke koning van Cyprus.

Aristoteles, Lof van de wijsbegeerte, vertaald door C. Verhoeven, Historische Uitgeverij, Groningen, 1998, p. 14-15.

Democritus Sherlockritus

Democritus, Musei Capitolini, Rome

Sir Arthur Conan Doyle verwees naar sommige professoren  in de geneeskunde als modellen voor zijn Sherlock Holmes.  Diogenes Laertius, de onderhoudende biograaf van de Griekse filosofen, biedt ons echter een onmiskenbare voorloper uit de Oudheid: Democritus van Abdera, door Plato gevreesd als grootste rivaal. “Toen Hippocrates bij hem op bezoek kwam, liet Democritus verse melk brengen; hij bekeek deze en zei dat het de melk moest zijn van een zwarte geit die net haar eerste jong ter wereld had gebracht; Hippocrates stond verstomd over de nauwgezetheid van zijn waarneming. Hippocrates werd vergezeld door een vrouwelijke bediende. Democritus begroette haar op de eerste dag met de woorden: ‘Goedemorgen, meisje’ , maar de volgende dag zei hij: ‘Goedemorgen, vrouw’. Het meisje was in de loop van die nacht inderdaad door iemand verleid.”

Diogenes Laertius, Lives of Eminent Philosophers, vertaald door R.D. Hicks, Loeb, 2005,  dl. 2, p. 452-453.