Populieren van Binsey, geveld in 1879

Een oude favoriet. Van de Engelse Guido Gezelle.

 

Binsey Poplars
By Gerard Manley Hopkins

felled 1879

My aspens dear, whose airy cages quelled,
Quelled or quenched in leaves the leaping sun,
All felled, felled, are all felled;
Of a fresh and following folded rank
Not spared, not one
That dandled a sandalled
Shadow that swam or sank
On meadow & river & wind-wandering weed-winding bank.

O if we but knew what we do
When we delve or hew —
Hack and rack the growing green!
Since country is so tender
To touch, her being só slender,
That, like this sleek and seeing ball
But a prick will make no eye at all,
Where we, even where we mean
To mend her we end her,
When we hew or delve:
After-comers cannot guess the beauty been.
Ten or twelve, only ten or twelve
Strokes of havoc unselve
The sweet especial scene,
Rural scene, a rural scene,
Sweet especial rural scene.

 

Source: Gerard Manley Hopkins: Poems and Prose (Penguin Classics, 1985)

Bronzen wijsgeer

JustusLipsius

Het bronzen ankerpunt van heel wat mijner stadskuieringen, Justus Lipsius, schreef dit: “Voeg daarbij dat de natuur zelf ons zo heeft gemaakt dat we al te licht geneigd zijn om slechte voorbeelden na te volgen. Zoals de schilder met lichte hand en zwierig penseel rimpels, wratten en moedervlekken op het gelaat weergeeft, maar helemaal niet gemakkelijk het gelaat zelf weet te schilderen, zo imiteren wij moeizaam rechtschapenheid, maar moeiteloos de schandvlekken van de ziel.”
Een mooie metafoor. Het is verheugend dat we binnenkort in Antwerpen een reeks portretten zullen kunnen bekijken van een leerling van Justus Lipsius: Peter Paul Rubens. Moedervlekken en wratten of het ware gelaat? Het antwoord is snel gegeven.

J. Lipsius, Brieven aan studenten, vertaald door J. Papy, Uitgeverij P, Leuven, 2006, p. 15. Rubens Privé, vanaf maart in het Rubenshuis, Antwerpen.

Lefranc

lefrancalfa

Ha, die heerlijke lange winteravonden, waar de uitgesponnen saaiheid van Jacques Martins stripverhalen zo uitmuntend bij past. Geen beter slaapmiddel, geen idealere schoonzoon dan journalist Lefranc (hoewel zijn voogdij over de kleine Jeanjean enigszins verontrustend is). En ja, ik waardeer een stripfiguur die met mooie auto’s reist.

Nieuw Yang

ny24-frontcover_big
Een prachtige aflevering van nY, met een kleine bijdrage van uw dienares, vertaalster. “Een ‘sprokkelnummer’ met straatwijze, vulgaire of ronduit ranzige teksten van Frank Keizer, Jess De Gruyter, Ruxandra Novac, Daniël Bras, Koen Sels, Marwin Vos, Peter Wullen, Jan-Willem Anker en Nico Carpenier.”

Binnenkort

P.P. Rubens, Clara Serena Rubens, ca. 1615, Liechtenstein Museum, Wenen
P.P. Rubens, Clara Serena Rubens, ca. 1615, Liechtenstein Museum, Wenen

Binnenkort komt zij terug naar Antwerpen. Clara Serena. In maart. Voor het eerst in een paar honderd jaar is ze dan terug in haar huis, waar ze opgroeide bij haar ouders, Pieter-Paul Rubens en Isabella Brant, en bij haar broers Albert en Nicolaas. Ik kijk er zeer naar uit.

Rubens Privé, in het Rubenshuis, vanaf maart 2015

Sinds eeuwen

In een boeiend opiniestuk in de New York Times schrijft Abdelkader Benali: Muslims are every bit as European as the Roma, gays, intellectuals, farmers and factory workers. We have been in Europe for centuries and politicians and the press must stop acting as if we arrived yesterday.

De laatste zin lijkt me historisch gezien wat kort door de bocht te vliegen. Als moslims werkelijk al sinds eeuwen bij ons leven, waarom vierden we in België dan vorig jaar vijftig jaar migratie? Wellicht doelt de heer Benali op de verovering van delen van Spanje in de achtste eeuw, en op de aanwezigheid van een Ottomaans leger nabij Wenen in de zeventiende eeuw. Beide aanwezigheden hadden met militaire expansie te maken en vormen op dit ogenblik niet het meest geruststellende visitekaartje. En ja, de Spaanse koningen voerden in de vijftiende eeuw een reconquista uit, en de troepen van de Habsburgse keizer versloegen het Ottomaanse leger bij Wenen: het verleden kunnen we niet veranderen.

In 1560 bevond Ogier Ghiselin van Boesbeeck zich in Constantinopel als afgezant van de Habsburgse keizer. Hij schreef later een belangrijk boek over zijn tijd aan het Turkse hof, de Vier brieven over het gezantschap naar Turkije. “Na een bespreking met hem over gemeenschappelijke belangen, sloeg diezelfde [pasja] Rüstem opeens een meer vertrouwelijke toon aan tegenover mij, iets uitzonderlijks voor hem. Uiteindelijk stelde hij me zelfs de vraag, waarom ik mij niet in hun godsdienst liet opnemen en tot het ware godsgeloof bekeerde? Als ik dat deed, zouden door zijn tussenkomst bijzondere eerbewijzen en grote beloningen van de zijde van Süleyman mijn deel worden. Ik antwoordde dat ik vast besloten was trouw te blijven aan de godsdienst waarin ik was geboren en die mijn meester beleed. ‘Goed,’ sprak Rüstem, ‘maar wat zal er van uw ziel worden?’ ‘Ook voor mijn ziel ben ik vol goede hoop,’ luidde mijn antwoord. Toen zei hij na enig nadenken: ‘Zo is het inderdaad, ook ik ben van mening dat zij die op aarde een deugdzaam en onschuldig leven hebben geleid, de eeuwige zaligheid deelachtig zullen worden, ongeacht de godsdienst die zij hebben beleden.’ Dit is een afwijkende mening, die heerst onder sommige Turken, en inderdaad, Rüstem wordt niet in alle opzichten voor rechtzinnig gehouden. Turken achten het in overeenstemming met de plicht van naastenliefde een Christen, van wie zij een hoge dunk hebben, een eenmalig voorstel te doen om hun geloof en godsdienstige praktijken te delen, opdat zij hem, voor zover dat in hun macht ligt, van hel en verdoemenis redden. Zij menen iemand geen hogere eer en geen grotere weldaad te kunnen bewijzen.”

De gebeurtenissen van de laatste dagen bevestigen de waarde van Rüstems gedachte (al was Rüstem Pasja voor het overige een geslepen en geduchte politicus). De belediging die heel wat moslims in het westen ervaren, heeft die ook te maken met het feit dat niet iedereen zich meteen tot hun godsdienst bekeert wanneer ze zich ergens vestigen? Zouden Boeddhisten, aanhangers van Scientology en Mormonen dan niet evenzeer beledigd kunnen zijn? Ik bewonder tevens de hoffelijke antwoorden van Boesbeeck op Rüstems vragen, en ik denk dat Europese christenen én vrijdenkers van allerlei pluimage  zich erin kunnen vinden.

Ogier Ghiselin van Boesbeeck, Vier brieven over het gezantschap naar Turkije, vertaald door M. Goldsteen, ingeleid en geannoteerd door Z. von Martels, Hilversum, 1994, p. 195.