Hedendaags

Versailles, 2011

Misschien is het de grijze hemel van de laatste week die het verlangen opwekt naar gele jurken? De zachtgele japon van Rosine, vereeuwigd door haar echtgenoot, of dit meer criante hedendaagse rococo-exemplaar, decadent vergezeld van gouden nagellak – men is marquise of men is het niet. Wel een mooie kleurtheoretische toets, het kleine paarse lint tussen de gepoederde lokken. (Een gele jurk speelt, als ik me goed herinner, ook een rol in dat wrede boek, La Princesse de Clèves. En in Madame Bovary.)

Foto Alix Bancourt via The Cherry Blossom Girl

Slimme schilder

Klassieke voorstelling van de Zondvloed, Michelangelo

Carel van Mander vertelt deze anekdote over de Mechelse schilder Gregorius Beerings (1525/26-1573), van wie geen werken bewaard lijken te zijn: “Toen hij in Rome was en zijn geld opgemaakt had, schilderde hij om snel aan geld te komen op linnen een Zondvloed met niets dan een regenlucht en water met de ark, zonder dat men één enkel mensch zag. Toen men hem vroeg wat dit doek voorstelde en hij antwoordde: ‘De Zondvloed’, volgde de vraag: ‘Waar zijn dan de menschen?’ Hij zei dat ze allemaal verdronken waren en men de lijken zou zien als het water weggezakt was; de overlevenden waren in de ark. Bijna iedereen wilde nu zo’n zondvloed hebben. En daar zulke stukken gauw klaar waren, kwam hij weer goed in zijn geld te zitten.”

(Zie ook Frivolous Fragments)

Klaprozen, korenbloemen

Juli in de Très Riches Heures du Duc de Berry

Zo te zien ook geen stralend weer, op de voorstelling van juli in de Très Riches Heures, maar toch nog een diepblauwe hemel, een mooi driehoekig kasteel uit de rijke immobiliëncataloog van de hertog van Berry (met een interessante houten voetbrug), knotwilgen en riet, en landlieden die “koren pikken” en schapen scheren.

Ik gebruik de uitdrukking “koren pikken” omdat ik ze van mijn vader hoorde. In het dorp waar ik opgroeide, wordt er in juli nog steeds koren gepikt of geoogst om te gebruiken als dakbedekking voor de kerststal in december. Waar die akkers met koren zich echter bevinden, weet ik niet, noch of men aan de randen ervan korenbloemen kan aantreffen. Het is werkelijk jaren geleden dat ik korenbloemen in het wild zag. De Beierse bermen pronkten vorige week nog met prachtige lichtblauwe bloemen, die enigzins aan korenbloemen deden denken. Dat waren chicoreibloemen, leerde een vriend me;  hij had ze sinds zijn kindertijd ook niet meer in België gezien.

Op stap met een verrader

Een van Anthony Blunts standaardwerken

“Ik bleef kalm tegenover de troep jakhalzen van de pers vandaag. Zijn er mannen door uw toedoen gestorven? Jawel schatje, volkomen weggezwijmeld. Maar nee, nee, ik was uitmuntend, al zeg ik het dan zelf. Koel, droog, evenwichtig, volmaakt stoïcijns: Coriolanus tegen de generaal. Ik ben een groot acteur, dat is het geheim van mijn succes (Moet niet elkeen die de massa wil bewegen een acteur zijn die zichzelf vertolkt? – Nietzsche). Ik kleedde me perfect voor mijn rol: oud maar goed pied-de-poule colbert, hemd van Jermyn Street en das van Charvet – rood, alleen om ondeugend te zijn – , corduroy broek,  sokken met de kleur en textuur van havermoutpap, dat paar versleten bordeelsluipers dat ik in geen dertig jaar heb gedragen. […] Ik meen dat het een goede strategische zet van me was om de lieden van de pers in mijn fraaie woonst te ontvangen. Ze drumden bijna schaapachtig naar binnen, elkaars notaboekjes verdringend en de camera’s ter bescherming boven hun hoofd houdend. Nogal ontroerend, eigenlijk: zo gretig, zo onhandig. Ik voelde me alsof ik terug in het Instituut stond, klaar om een lezing te geven.  Sluit u de gordijnen alstublieft Miss Twinset? En Twijg, zet het apparaat maar aan. Dia 1: De Judaskus.”

Tijdens de trip naar Beieren reisde het standaardwerk van Anthony Blunt, Baroque and Rococo, mee op de achterbank, voor consultatie aangaande Johann Dientzenhofer met zijn ‘windscheve bogen’ en Balthasar Neumann met zijn overlappende ovalen. Blunt schreef een monografie over zijn favoriete zeventiende-eeuwse kunstenaar, Nicolas Poussin, en hij leverde ook verplichte lectuur voor onze opleiding, het handige overzichtje Artistic Theory in Italy 1450-1600. Hij leek een van die onovertroffen, dorre Britse kunsthistorici met grootscheepse carrières (conservator van de collectie van de koningin, onder andere), tot onze prof terloops vermeldde dat hij ontmaskerd was als spion voor de Russen in de jaren tachtig. Zo vingen we voor het eerst iets bijzonders op over dat enorme schandaal van de Britse inlichtingendiensten, The Cambridge Five. Vijf jongemannen uit de hogere kringen, allen aan de universiteit gerecruteerd voor de KGB in de jaren 1930. Philby, Burgess, MacLean, X – en Blunt. Ter compensatie nam ik de schitterende roman van John Banville met me mee, The Untouchable, gebaseerd op Blunts wedervaren. De auteur slaagt er beklemmend goed in om de emotionele kilte van Blunt in je botten te doen doordringen – ‘spion’ kan spannend klinken, maar door zijn verraad zijn er mensen gestorven. Een man met een schilderij van Poussin op de plaats waar een hart hoort te zitten?

John Banville, The Untouchable, Picador, 1998, p. 7-8. (vertaald door LH)