Denkend aan Rob Delsing

Rob Delsing, door Harry Prenen

“Doch waar is het, dat Rob Delsing den Don Juan van Dordrecht was. Er woonden nog slechts weinig meisjes in deze stad, die niet een portret van hem in een la hadden liggen en die niet openlijk verkondigden, dat Rob Delsing een onuitstaanbare jongen was, hetgeen door alle tijden een zeker teken van liefde geweest is.
Want wonderbaarlijk is de vrouw en men kan dit grootste geheim, dat God geschapen heeft, niet beter doorgronden dan door al hare uitingen in tegenovergestelden zin uit te leggen.
Een tweede manier om erachter te komen was, Rob Delsing te raadplegen. Hij stond bekend als een gevestigd vrouwenkenner (wat geen wonder mag heten) en een jongen, die de eerste schreden op het glibberige pad der liefde zette, kon geen veiliger hand grijpen dan die van Delsing.
Hij stond er echter op, dat men hem zijn hart volledig uitstortte en placht dan aandachtig te luisteren, de handen in zijn Zwitserse broekzakken, het hoofd peinzend gebogen en met zijn voet figuren makend in het zand.

‘Goed,’ sprak hij dan ten slotte, ‘is dat alles?’
‘Jawel, Rob.’
Dan bleef hij wat fluiten tussen zijn tanden en stelde nog enkele vragen, aldus:
‘Wanneer zag je haar voor het eerst?’
‘Eergisteren, Rob, om kwart over acht.’
‘Was ze alleen?
‘Neen, ze was met een vriendin.’
‘Zo. En toen je den hoed afnam, wat deed ze toen?’
‘Ze lachte.’
‘Zo. Een kort lachje, wed ik, wat spottend?’
‘Ja, precies.’
‘Het is een brunette?’
‘Nee, Rob, ze is blond en haar ogen zijn blauw, grote blauwe ogen.’
‘Wat zeg je? Blond? En je weet toch zeker van dat lachje?’
‘Ja, heel zeker.’
‘Kijk. Gecompliceerd type. Je hebt natuurlijk gekeken in welke deur ze verdween?’
‘Ja. Van Wiegen stond er op.’
‘Ach! Annetje Van Wiegen! Zo. Ach, kijk Annetje, ja. Ja. Die kleine heks. Hm. Dat is niet zo makkelijk; scherp snaveltje. Ik zou zeggen: geen verdere avances. Breekbaar.’
‘Dus wat moet ik nu doen, Rob?'”

Sinds mijn kinderjaren bewonder ik Rob Delsing, hetgeen door alle tijden een zeker teken van affectie is geweest. Wanneer vrienden verdwaald zijn in het duistere woud, zou ik willen dat ik even doeltreffend advies klaar kon hebben als Rob Delsing. Helaas, het zit er niet in.

Godfried Bomans, Pieter Bas, tweeëntwintigste druk (Prisma-Boeken, 39), 1971, p. 90-91.

De boeken van de week

Het werk van een week
Weekwerk, met Porete, Bruno, AMVK en koffie door Woolf

Het linkse boek, een bezoeker in mijn boekenkast, een nagenoeg onbekend auteur, Victor Géhant: La science du Bien et du Mal. Naar mij verteld: aangekocht in een Parijs antiquariaat, gespecialiseerd in alchemie en magie, een boekhandel met de prachtige alchemistische naam La table d’émeraude.

Zoveel boeken, om een essay te maken? Nee, een verhaal.

Geesten

Detail van Botticelli’s Primavera (Giacomo Brogi, 19de eeuw)

Ah, George Eliot en Romola.

“The light can be a curtain as well as the darkness.”

“… at a time when Fra Girolamo was teaching the disturbing doctrine that it was not the duty of the rich to be luxurious for the sake of the poor.”

“Pico della Mirandola, once a Quixotic young genius with long curls, astonished at his own powers and astonishing Rome with heterodox theses; afterwards, a more humble student with a consuming passion for inward perfection, having come to find the universe more astonishing than his own cleverness.”

G. Eliot, Romola, Chapter XXXIX: A Supper in the Rucellai Gardens. (Eerste editie 1862-1863)

Foto via ‘Florence in Sepia’.

Griekse vluchtelingenstroom in Florence

Sandro Botticelli, De geboorte van Venus, Florence, Uffizi

“De Griekse geleerden in Firenze keken neer op de man die beweerde hun moedertaal beter te kennen dan zijzelf. Michael Marullus van Constantinopel won met zijn wufte verzen bijval onder de Italiaanse hovelingen. Zijn gezochte duisterheid ergerde de altijd heldere dichter [Poliziano]. De nieuwe bibliothecaris van de Medici was een van de andere Grieken die na de val van Constantinopel naar Italië waren ontkomen. Janos Laskaris ging in de kloosters van het oosten op manuscriptenjacht. Zijn gelukkigste vangst was de codex waarin ‘de laatste Griek’, de Byzantijnse monnik Maximos Planudes, de pikantste en elegantste epigrammen van Hellas had verzameld.”

Botticelli’s Venus blijft me door het hoofd spoken. In mijn boekenkast tref ik de roman De phoenix aan van Paul Claes, met als hoofdpersoon de filosoof Pico della Mirandola en in het eerste hoofdstuk een schitterende beschrijving van een ander beroemd schilderij van Botticelli, la Primavera. Plaats van handeling: Firenze. Tijdstip van handeling: oktober en november 1494. Dan is er nog Romola van George Eliot, over het huwelijk tussen het humanistisch opgevoede meisje Romola de’ Bardi en de louche Griekse geleerde Tito Melema, in de jaren dat de monnik Savonarola de macht grijpt in Firenze: 1492 -1498. En aan het eind van de vorige eeuw recenseerde ik Richard Burns’ postuum uitgegeven roman, Sandro and Simonetta, geheel gewijd aan de schilder zelf.

“From the terror or oppression of the Turkish arms, the natives of Thessalonica and Constantinople escaped to a land of freedom, curiosity and wealth. […] In the shipwreck of Byzantine libraries each fugitive seized a fragment of treasure, a copy of some author, who without his industry might have perished.” Aldus Gibbon. Spannende tijden, gistende geesten, en daartussen een gevoelig registrerende schilder. Mooi.

Aan Afrodite

Botticelli, Geboorte van Venus, Florence, Uffizi

“Ik zal zingen over statige Afrodite, goudgekroond en mooi, die heerst in de ommuurde steden van zeebegrensd Cyprus. Daarheen dreef haar de vochtige adem van de westenwind, over de golven van de murmelende zee in zacht schuim. Daar verwelkomden de Uren haar vol vreugde, hun lokken opgebonden in gouden netten. Zij kleedden haar in hemelse gewaden: op haar hoofd plaatsten zij een delicate, fijnbewerkte kroon van goud…”

Kijk eens aan. Homerische hymne. Zesde eeuw voor Christus, of een eeuw of twee, drie later, wie zal het zeggen. Uit de lessen kunstgeschiedenis herinner ik me plotseling de vermelding van Griekse geleerden, die na de Val van Constantinopel naar het westen vluchtten, met kostbare oude handschriften in hun bagage. Ze waren zeer welkom in Florence. De Homerische hymnen werden er voor het eerst uitgegeven in 1488, door Demetrius Chalcondyles. De Bibliotheca Laurentiana en de Bibliotheca Riccardiana  bevatten verscheidene manuscripten van deze bijzondere teksten. En door de straten van de stad wandelde Sandro Botticelli, met een wakkere belangstelling voor nieuwe ideeën en letterkunde.

Hesiod. Homeric Hymns. Homerica, in het Engels vertaald door H.G. Evelyn-White, Loeb Classical Library, 2000, p. 426-427.