Omgang met een filosoof

J.-J. Rousseau

Grote goden, dit is het Jean-Jacques Rousseaujaar, lees ik op de Pléiade-website: Né en 1712 à Genève,  l’auteur du Contrat social et des Confessions aurait eu 300 ans le 28 juin. Ik schreef als studente filosofie een eindverhandeling over het Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes, las en passant alle werken van de horlogemakerszoon en kreeg een onuitroeibare hekel aan de man. Als ik een ding onthouden heb, dan dit: wie de nobele wilde wil hebben, mag hem houden.
Hoe anders moet het geweest zijn voor filosofe Ann Meskens, die Montaigne als onderwerp koos en, naar eigen zeggen, al lezend en schrijvend steeds blijer werd.

Laat ik me dit jaar maar concentreren op iemand die honderdvijftig jaar geleden geboren werd in de Sint-Paulusstraat in Antwerpen: un matin de Mai, à la marée haute – de onvolprezen dichter Max Elskamp.

Pseudo-quidam

Sainte Chapelle Parijs, chapelle basse

Zonder archieven en archiefonderzoekers hadden we er nooit van geweten, van die rare kwast uit het diocees van Beauvais. Hij leefde in een gevaarlijke tijd en hij deed gevaarlijke dingen: noemde zichzelf de Engel van Philadelphia, die rechtstreeks van Christus de taak had gekregen om de ware gelovigen te beschermen tegen de lauwe. Hoe en waar kreeg hij die opdracht? Ergens in het jaar 1286, in het lagere gedeelte van de Sainte-Chapelle in Parijs, toen hij plotseling het gevoel had de Heilige Schrift volledig te doorgronden. Pas twintig jaar later besefte hij wat hem echt te doen stond, en begonnen hij en zijn (schaarse?) volgelingen een leren ceintuur te dragen, als symbool van hun patroon Johannes de Doper.
In latere kronieken noemde men hem smalend een pseudo-quidam. Hij zwoer zijn dwalingen op het laatste nippertje af en liet zich opsluiten in een klooster. Meteen zitten we midden in Umberto Eco’s Naam van de roos. Herinnert u zich Salvatore nog, en zijn Penitenziagite?

Zijn bijzondere gewaarwording in de Sainte-Chapelle blijft een onvervangbaar historisch puzzelstukje. Eeuwen later stond Rubens er een antieke camee te bewonderen.

P. Verdeyen, Le procès d’inquisition contre Marguerite Porete et Guiard de Cressonnessart (1309-1310), in Revue d’histoire ecclésiastique, 81, 1986, p. 47-94.

Rubensiaans

Koningin Margherita door M. Gordigiani, Palazzo Quirinale, Rome

Koningin Margherita van Italië heeft zich hier, in de aanloop naar de twintigste eeuw, in een bijzonder Rubensiaans kostuum laten portretteren. Hoed, waaier, parels, handschoenen en fauteuil herinneren sterk aan het portret van Rubens’ vrouw Isabella Brant door Antoon Van Dyck, alhoewel de couturier of naaister van dienst ook wat achttiende-eeuwse details heeft toegevoegd.

De schilder heette Michele Gordigiani, een Florentijn die ook de in Florence neergestreken dichters Robert Browning en Elisabeth Barrett Browning vereeuwigde. Zijn atelier, zo verneem ik met verbazing en een soort ontroering, bevond zich bij de Piazza Donatello en het Engels Kerkhof in Florence, waar ik ooit dagelijks passeerde.

Oude liefde

“Als kind was ik verliefd op Don Persilos y Vigoramba,” zei ik en voelde opluchting toen ik het wederwoord hoorde: “Ik ook!”

Waarna een mooi verhaal volgde over opgroeien in de straat waar Bruegel heeft gewoond, met een troepje kinderen het Museum Mayer Van den Bergh insluipen om Dulle Griet te zien, en de impact van de heilige Margaretha op het hele concept van agressieve grieten.

De charme van Don Persilos werd pas onlangs kortstondig geëvenaard door een wezen uit de Donjonreeks van Sfar en Trondheim – ook dit wezen droeg een kostuum dat aan de zestiende eeuw herinnerde en sprak hoofs en vormelijk: “Ik sta niet toe dat een dame haar beurs trekt – wees niet bezwaard, Mevrouw, ik zit goed bij kas.”

Franciscaanse grappenmaker

“Remedie tegen de dorst? Het tegenovergestelde van die tegen hondenbeten; loop achter de hond, hij zal u nooit bijten, drink altijd voor de dorst, hij zal u nooit overkomen.”

Van onze brassende en slempende Keltische voorvaderen naar François Rabelais is het maar een kleine stap, merk ik nu. Toch wel plezierig, een boek dat zonder verdere omhaal begint met zattemanspraat. “De goden schiepen de planeten en wij gaan volgens plan eten.” Type d’équivoque affectionné de l’auteur, meldt een deftige voetnoot op kostbaar papier. En we zijn vertrokken, met deze zestiende-eeuwse James Joyce.

La vie treshonorable du grand Gargantua, pere de Pantagruel, iadis composee par M. Alcofribas abstracteur de quinte essence, in F. Rabelais, Oeuvres complètes, (Bibliothèque de La Pléiade, 15), 2009, p.17-20.

Verloren maandag

Lekkernij

“Reeds in het woord gilde treffen we de voornaamste concepten aan die steeds met de Verloren (Verzworen ) Maandag geassocieerd geweest zijn: oudnoors gildi betekende immers betaling, feestmaal, vereniging; vgl. oudnederfrankisch gelda collecta, gildonium feestgenootschap. De verre oorsprong is te zoeken in de heidense offergemeenschappen, die voor de offermaaltijd een bijdrage leverden. De gildonia zelf, de eedgenootschappen van ambachten en beroepen, treden op in de Frankische tijd. Over hen mag hier wel M. Rouche geciteerd worden: ‘Mieux connues sont les communautés marginales que les clercs dénoncent sous le titre de conjurations et que d’autres appellent guildes.’ Of in de Nederlandse vertaling: ‘Beter bekend zijn de marginale gemeenschappen die door de geestelijken als samenzweringen worden afgewezen en door de anderen gilden worden genoemd.’ Door middel van een wederkerige eed beloofden allerlei mensen, boeren, ambachtslieden en vooral kooplui, elkaar onderlinge steun, koste wat het kost. Deze eden plachten op 26 december te worden gezworen, de feestdag van de heidense god Jul, wanneer men een verbond kon sluiten met de geesten der doden en met de demonen die naar de aardbodem terugkeren. Dan richtten de toekomstige broeders enorme banketten aan, een gelegenheid om zich tot overgevens toe vol te stoppen met voedsel en zich te bedrinken totdat een staat van helderziendheid was bereikt waarin contact met bovennnatuurlijke krachten mogelijk was.”

Staat van helderziendheid? Ach, ik ga op deze eerste verjaardag van mijn feuilles volantes, alias blog, als verdwaalde inwoner van de provincie Antwerpen in Vlaams-Brabant op zoek naar appelbollen en worstenbroden. Goed om te weten, niettemin, dat gilden, ambachten, vakbonden en beroepsverenigingen hun wortels vonden in het Frankische tijdperk, vermoedelijk dan ook wel in het Keltische: onze brassende en slempende voorvaderen…

W. Van Osta, Over oorsprong en betekenis van Verloren Maandag en aanverwanten, in Volkskunde, 92, 4, p. 339.

Driekoningen

Anna Maria Siceram excud.

Ooit vond ik op de rommelmarkt deze sympathieke prent. Een eenvoudige voorstelling van de drie koningen die geschenken aanbieden in Bethlehem, gegraveerd door een zekere Anna Maria Siceram. Dat de kunstenaar een vrouw was, sprak me aan. Intussen verzuim ik al jaren om meer over haar op te zoeken. Het versje luidt:

Sume Iesu auri dona,

Sume thura mente pronâ,

Manus aromaticum;

Quando Nili ad fluenta

Nocte fugies cruentâ,

Erit hoc viaticum.

Wat je een lekkere trochaeische dreun zou kunnen noemen. Neem dan Jezus gouden gaven/wierook om de ziel te laven/ mirre in de hand/Als je naar de Nijl moet vluchten/in die nacht vol bloed en zuchten/ zij dit proviand.

(Met dank aan Gonda Lesaffer voor uitleg bij de vertaling.)

Naakte letter

Zeldzaam zijn de dagen waarin het beste wat ik wat lees uit juridische hoek komt. Maar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 30 juni 2011 in zaak C-271/10 verheugde mijn hart. Het Europees hof bekritiseert daarin het slordige Belgisch Koninklijk Besluit aangaande de uitbetaling van het leenrecht aan auteurs. Leenrecht is de vergoeding die de auteurs volgens een Europese richtlijn van 19 november 1992 moeten ontvangen omdat de staat hun werken gratis ter beschikking bestelt van bibliotheekbezoekers, zonder dat de auteurs hun auteursrecht (de mogelijkheid om deze ontlening te verbieden) kunnen uitoefenen. Stel u voor dat de staat computersoftware en games zou willen laten ontlenen in bibliotheken, alle rechtszalen ter wereld zouden niet volstaan voor de processen die werden aangespannen. Het zal u dan ook niet verbazen dat ontwerpers van games en software hun verbodsrecht nog ten volle kunnen uitoefenen. Vanwaar deze discriminatie tussen makers?
“Hoe meer beschermde zaken door een openbare-uitleeninstelling ter beschikking worden gesteld, des te groter is namelijk de aantasting van de auteursrechten.”
“Hoe meer personen tot de beschermde zaken toegang hebben, des te groter is namelijk de aantasting van de rechten van de auteurs.”

Alle respect voor professor Blanpain, die deze zaak aanhangig heeft gemaakt. De voor schrijvers cruciale leenrechtkwestie wordt morgen door twee deskundigen besproken op het derde Werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging, in de Singel te Antwerpen. Allen hartelijk welkom!

Nieuwjaarsreceptie

Januari, Très Riches Heures du Duc de Berry

Approche, approche. Die woorden spreekt een dienaar van de hertog van Berry uit tot enkele schroomvallige gasten. Ze staan in gouden letters boven zijn hoofd. Stel u voor dat onze woorden ook zichtbaar zouden worden en glanzen als goud, wanneer we iets bijzonder moois of waars zegden bijvoorbeeld.

Wel, het is feest. De hertog van Berry, broer van de Franse koning, houdt zijn nieuwjaarsreceptie. Hij draagt een kostbare blauwbrokaten houppelande, met bont gevoerd, en een bontmuts (waarin een edelsteen flonkert) tegen de koude. Achter hem brandt het vuur in de open haard en de vloeren zijn bedekt met matten, om de winter te doen vergeten. De tafel is gedekt met goud en verguld zilver: zoals elke edelman van koninklijken bloede heeft de hertog een gouden of vermeil tafelschip bij zich. Het fungeerde als zoutvat, maar ook als kastje voor persoonlijk tafelgerei: we zien er twee teljoren in. Voor- en achtersteven van het kostbare schip zijn versierd met een beer en een zwaan – ours en cygne spelden samen de naam van een dame aan wie de hertog zijn hoofse liefde zou hebben gewijd, een zekere Ursine. Met de rug naar ons en een handdoek over zijn schouder snijdt een voorsnijder het vlees, twee schoothondjes zoeken intussen wat lekkers tussen de borden. Uiterst links is een wijnschenker aan het werk, bij de credenza of pronkkast met nog meer kostbaar serviesgoed. De wanden van het vertrek zijn bekleed met een wandtapijt vol riddertaferelen, in zijn eerste frisheid van kleur.

Ziet u de man met grijze hoofddeksel die naar de hertog kijkt? Volgens sommige geleerden zou dat schilder Paul Van Limburg zelf zijn, op bezoek bij zijn mecenas. De man die gulzig wijn drinkt uit een gouden drinknap zou dan een tweede broer Van Limburg zijn, en de half zichtbare vrouw achter hem Pauls piepjonge echtgenote (die hij als minderjarige uit het huis van haar moeder ontvoerde), Guillette Le Mercier. Ik kan me voorstellen dat het hertog plezier deed, al die portretjes van bekenden op de bladzijden van zijn kostbaarste boek. Lezen in het getijdenboek was dan ook op de mooiste wijze ons bekend ‘bladeren in het boek van je leven’.

Bemerk ten slotte nog de vergulde klootdolken of dagues à couillettes, waarmee de heer naast de wijnschenker – misschien de eigenlijke verantwoordelijke voor de wijn, aangezien hij twee kommen in zijn hand heeft, klaar om uit te delen – en de vleessnijder pronken. Ze ontlenen hun naam aan de vorm van het heft: het lemmet zat in een foedraal achter de buiktas. De man in het blauw draagt ook amusante tweekleurige kousen, die menige hedendaagse modeliefhebster kunnen interesseren.

Het was een prachtig jaar, met de Van Limburgs en hun hertog.

(Musée Condé, Chantilly. Alle overige maanden in de archieven van 2010)