Tovenaar

P1020490Chateaubriand

Een vriendin stuurde me een foto uit Saint-Malo, en maakte een mooie dag nog mooier.

“Ik was de laatste van tien kinderen. Waarschijnlijk dankten mijn vier zussen hun bestaan aan mijn vaders wens om zijn naam voort te zetten door de komst van een tweede zoon; ik was weerspannig, ik had een afkeer van het leven. … Mijn ouderlijk huis lag in een donkere, smalle straat van Saint-Malo, Jodenstraat genaamd: het huis is heden ten dage een herberg. De kamer waar mijn moeder beviel ligt boven een verlaten gedeelte van de stadsmuren, en door de vensters van die kamer ziet men de zee die zich voorbij de horizon uitstrekt en breekt op de klippen.”

De verveling die ik graag ervaar

“De passie voor geschiedenis beheerste heel mijn leven. Ik heb vaak briefwisselingen opgezet over feiten die niemand interesseren; zo schep ik er genoegen in om te weten wat de naam is van een veld dat ik aan de rand van de weg zag, wie de eigenaar was van dat veld, hoe het bij de huidige eigenaar is terechtgekomen. Ik hecht er zelfs aan om te ontdekken wat er gebeurd is met jongere kinderen uit deze of gene tak van een stamboom. Toen ik het over mijn familie moest hebben, heb ik me gestort op mijn favoriete opzoekingen, zonder ander doel dan mijn plezier als kroniekschrijver. Ik sta overigens onverschillig tegenover gelijk welk ander belang dat men aan een naam kan hechten: ik stierf haast van genot toen ik ontdekte dat ik van verre verwant was met een oude parochiepriester genaamd Courte-Blanchardière de la Boucatelière-Foiret, die in een klokkentoren woonde.

Over mijn familie had ik dus verzameld wat ik erover kon vinden; maar mijn tekst werd te lang; de verveling die ik graag ervaar in de diepte van de geschiedenis is niet naar iedereens smaak; toch is het die opeenvolging van dorre en vruchtbare gronden die een land maakt.”

Was er ooit een betere schrijver dan Chateaubriand? Ik begin het ernstig te betwijfelen. Omdat het zo mooi is in het Frans, hier mijn favoriete zinnetje nogmaals. L’ennui que j’aime à trouver au fond de l’histoire n’est pas du goût de chacun.

Ezelsoor

Ik vouw een ezelsoor in de bladzijde, nog vaker markeer ik met mijn duimnagel de marge. U vindt dit barbaars? Hugo Claus maakte brandvlekken met zijn sigaret, naast mooie passages. Lippenstift lijkt me in bepaalde gevallen ook nog bruikbaar.
Chateaubriand beschrijft het Hradschin in Praag.
“Niet ver van deze vormeloze massa’s stak een mooi gebouwtje, gekleed in een elegante cinquecentoportiek, tegen de hemel af: deze architectuur heeft het ongemak, niet in overeenstemming te zijn met het klimaat. Als men ten minste, tijdens de Boheemse winters, deze Italiaanse paleizen in een warme serre kon plaatsen, samen met de palmbomen? Ik dacht altijd aan de koude die ze ’s nachts moesten lijden.”
F.-R. de Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe, livre trente-huitième, chapitre dix.

Vooruitzicht

Chateaubriand beschrijft een collega-minister in de jaren 1820 en schetst al doende een toekomstbeeld dat me bekend voorkomt.
“M. de graaf van Villèle begreep de maatschappij niet waaraan hij leiding gaf. Ik ben ervan overtuigd dat de degelijke kwaliteiten van deze handige politicus niet tot hun recht kwamen op het tijdstip van zijn bewind: hij was te vroeg aan de macht gekomen […]. Financiële operaties, commerciële verenigingen, de industriële ontwikkeling, de kanalen, de stoomboten, de spoorwegen, de grote wegen, een materiële maatschappij die slechts naar vrede verlangt, die enkel droomt van levenscomfort, die van de toekomst uitsluitend een eeuwig heden wil maken, in die omstandigheden zou M. de Villèle koning zijn geweest.”
Voedsel voor de gedachte. Niet de briljante conservatief Chateaubriand wil van de toekomst “een eeuwig heden” maken, de econoom wil dat. (Als de spreekbuis van degenen die levenscomfort genieten.)

(Memoires d’outre-tombe, boek 28, hoofdstuk 17)

Na Napoleon

P. Guérin, Portret van F.-R. de Chateaubriand, privé-collectie.
P. Guérin, Portret van F.-R. de Chateaubriand, privé-collectie.

Ik dank Chateaubriand. Niet alleen geloof ik intussen dat de Franse taal is ontstaan opdat hij er zich in zou kunnen uitdrukken. Ook laat de pracht van zijn stijl me toe om uitzonderlijk nog eens de weelde van de melancholie te ervaren. (Te durven ervaren.)
“Nu ik me uitspreek over onze geringe waarde, onderzoek ik mijn geweten nauwgezet: ik stel me de vraag of ik mij niet uit berekening deelgenoot maakte aan de onbenulligheid van deze tijd, teneinde het recht te verwerven om anderen te veroordelen. Diep in mijn hart was ik er immers van overtuigd dat mijn naam leesbaar zou blijven tussen al deze doorhalingen. Neen: ik ben ervan overtuigd dat wij allen zullen verdwijnen; ten eerste omdat wij niet de kracht hebben om te leven; ten tweede omdat de eeuw waarin wij geboren worden of sterven niet de kracht heeft om ons te doen leven. Verminkte, uitgeputte, minachtende generaties zonder geloof, bestemd tot het niets dat zij vereren, die kunnen geen onsterfelijkheid verlenen; ze hebben niet de kracht om roem te geven. Wie zijn oor tegen tegen hun mond legt, hoort niets: het hart van de doden maakt geen geluid.”

F.-R. de Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe, deel 2, (Bibliothèque de la Pléiade, 61), Parijs, 1911, p. 4.

Gent, steenweg

Brusselse Poort (Keizerpoort), Gent. J.J. Wynants, Atlas Goetghebuer
Brusselse Poort (Keizerpoort), Gent. J.J. Wynants, Atlas Goetghebuer

“Op de 18de juni 1815, tegen de middag, verliet ik Gent langs de Brusselse poort; ik ging alleen wandelen op de steenweg. Ik had de Commentaren van Caesar meegenomen en ik vorderde traag, verdiept in mijn lectuur. De stad lag al een mijl achter me toen ik een dof gedruis meende te horen. Ik bleef staan, keek naar de bewolkte lucht, overwoog of ik verder zou gaan dan wel terugkeren naar Gent uit vrees voor het onweer. Ik spitste mijn oren; ik hoorde enkel de kreet van een waterkieken tussen het riet en het luiden van een dorpsklok. Ik vervolgde mijn weg; na nog geen dertig stappen herbegon het gedruis, nu eens kort, dan weer lang, en met ongelijke intervallen; soms slechts merkbaar aan het trillen van de lucht, dat zich voortzette in de aarde van die onmetelijke vlakten, zo ver was het verwijderd. Deze donderslagen, minder luid, minder golvend, minder samenhangend dan die van een onweer, deden me denken aan een gevecht. Ik zag een populier aan de rand van een veld met hop. Ik stak de weg over en leunde tegen de stam, met mijn gezicht in de richting van Brussel gewend. De zuidenwind wakkerde aan en en droeg nu duidelijker het geluid van de artillerie. Die grote, nog naamloze strijd, waarvan ik de echo’s opving aan de voet van een populier, en waarvoor een dorpskerk de doodsklok luidde, was de slag van Waterloo!”

Opnieuw bevond François-René de Chateaubriand zich ver van de plaats waar de zaken werkelijk werden beslist. “Omdat de hemel u neergooit waar hij wil.”

Gent & Granada

Gravensteen, Gent
Gravensteen, Gent

“De gebouwen van Gent riepen die van Granada in mijn herinnering, zonder de hemel van de Vega. Een grote stad, haast verstoken van inwoners, verlaten straten, kanalen even leeg als de straten… zesentwintig eilanden gevormd door die kanalen, niet bepaald die van Venetië, een enorme versterking uit de middeleeuwen, dat verving in Gent de wijk van de Zegris, de Duero en de Xenil, het Generalife en het Alhambra: mijn oude dromen, zie ik u ooit weer?”

Chateaubriand dwaalde door Gent in het voorjaar van 1815 en zag koning Lodewijk XVIII (Lowie Die Zwiet, volgens de Gentenaren, de vorst was zwaarlijvig) in zijn koets minzaam de hertog van Wellington toeknikken.