Pictor olim famosus

Langereis_de woordenaar

He. Die man ken ik. Dat is Christoffel Plantijn. En de schilder van het portret ken ik ook. Dat is Jacob De Backer, over wie ik mijn licentiaatsthesis schreef. Met als ondertitel pictor olim famosus, ‘de eertijds beroemde kunstenaar’, een citaat waar J. nu nog om moet lachen. Kijk eens aan, een nieuwe biografie van de grote drukker. De woordenaar. Mooie woordspeling, ook al gebruikt voor Cornelis Kiliaan. Snel de boekhandel in.

Indien u het boek ziet, draai het dan ook eens om, om de vrouwen van de familie te bekijken.

Anders

 

Tiense1
Eertijds Parfumerie Mertens, Tiensestraat

Het uitzicht van mijn route naar het centrum verandert. Parfumerie Mertens, die me al in mijn studententijd verblijdde met fleurige etalages, heeft de rolluiken voor de laatste maal neergelaten. Een pot crème, twee flesjes parfum en een weinig gebruikte haarspeld herinneren me dagelijks aan die afwezigheid.

Afbraakwerken
Afbraakwerken

Verderop in de straat gaat een hele rij verwaarloosde gebouwen tegen de vlakte. Terwijl ik daar voorbij wandel, stel ik vast dat het verfrissend en opwindend kan zijn, afbraak. Weg met die oude krotten, ik heb lang genoeg tegen die stadskankers aangekeken. Ander en beter! Hopelijk. Alleen de drie gekranste hoofden boven de ramen zal ik mogelijkerwijze weldra missen. Vandaag keken ze nog op me neer met een air van Griekse wijsheid.

(Het zevenhonderdvijftigste bericht.)

Honing

Bruegel, Imkers, Kupferstichkabinett, Berlijn
Bruegel, Imkers, Kupferstichkabinett, Berlijn

Ik verzwikte mijn enkel, leerde in Antwerpen bij over de invloed van Rubens op latere meesters en hoorde in Leuven poet laureate Carol Ann Duffy haar gedichten over bijen voordragen. Een avond rijk aan indrukken, van pijn tot genot. Om de pijnloze ochtend en de kracht van woorden te vieren maakte ik toast met klaverhoning van imker Frans Vissers uit mijn dorp.

I heard tell of a tale of a rare bee,
kept in a hive in a forest’s soul
by a hermit – hairshirt, heart long hurt –
and that this bee made honey so pure,
when pressed to the pout of a poet
it made her profound; or if smeared
on the smile of a singer it sweetened his sound;
or when eased on the eyes of an artist,
Pablo Picasso lived and breathed;
so I saddled my steed.

Carol Duffy, A Rare Bee, in The Bees, 2011, p. 83. Servottelezing, Aula Pieter de Somer, KU Leuven.

Blind

BruegelblindZit je thuis rustig te schrijven aan een boek over Pieter Bruegel, valt er verkiezingsdrukwerk in de brievenbus. Elio, Gwendolyn, Bruno, Eric, Bart en Maggie tuimelen de gracht in, bij het kerkje van Sint-Anna-Pede. De laatste jaren stelde ik steeds vaker vast dat geschiedenis moest dienen als hoer van de politiek. Nu komt de kunstgeschiedenis in het vizier. Het is ook wel amusant: elke partij kon deze afbeelding laten drukken, versierd met andere hoofden. We leren meteen hoe photoshop en knippen/plakken primitieve middelen zijn, vergeleken met de hand van de meester. Ik kijk naar de oude koekjesdoos op mijn bureau, met op het deksel Bruegels Spreekwoorden. ’t Is goed riemen snijden uit andermans leer. En Bruegel zwijgt.

Lange tanden

thumb.php
Ioannes Sartorius uit Amsterdam

Moeilijke eters zijn geen recente uitvinding, zo blijkt. In het heerlijke spreekwoordenboek van Ioannes Sartorius (Antwerpen, 1561) leest men al: hy mach niet dan randekens van pannekoeken.
Als schrijver lach ik dan weer hartelijk, doch cynisch, om: aut mortuus est aut docet literas. Hy is doot of in grote noot (‘onderwijst letterkunde’). Want het schrijversbestaan kent zijn hachelijke momenten. Aut mortua est aut scribit literas.

Salome

Salome op het Sint-Jansaltaar van Quinten Metsys
Salome op het Sint-Jansaltaar van Quinten Metsys

I’d done it before
(and doubtless I’ll do it again,
sooner or later)
woke up with a head on the pillow beside me – whose? –
what did it matter?

Good-looking, of course, dark hair, rather matted;
the reddish beard several shades lighter;
with very deep lines around the eyes,
from pain, I’d guess, maybe laughter;
and a beautiful crimson mouth that obviously knew
how to flatter…
which I kissed…
Colder than pewter.
Strange. What was his name? Peter?

Simon? Andrew? John? I knew I’d feel better
for tea, dry toast, no butter,
so rang for the maid.
And, indeed, her innocent clatter
of cups and plates,
her clearing of clutter,
her regional patter,
were just what I needed –
hungover and wrecked as I was from a night on the batter.

Never again!
I needed to clean up my act,
get fitter,
cut out the booze and the fags and the sex.
Yes. And as for the latter,
it was time to turf out the blighter,
the beater or biter,
who’d come like a lamb to the slaughter
to Salome’s bed.

In the mirror, I saw my eyes glitter.
I flung back the sticky red sheets,
and there, like I said – and ain’t life a bitch –
was his head on a platter.

Carol Ann Duffy, Salome, uit The World’s Wife.