Vlakbij

F. Van Reeth en E. Yoors, Boodschapkapel, Heverlee, 1930-1932
F. Van Reeth en E. Yoors, Boodschapkapel, Heverlee, 1930-1932 (foto T. Vereenooghe)

Het was decennia geleden dat ik nog eens in een schoolbus stapte, het was de eerste keer dat ik zulks deed in het gezelschap van een dichteres. Ik ken het H. Hartinstituut van Heverlee uit familieverhalen, een tante was er interne en herinnert zich met genoegen de zondagse uitstapjes naar ijssalon Au Bouquet Louvaniste op het Fochplein; mooie foto’s tonen haar in de schooltuin, naast haar oudste broer die uit het verre Hoogstraten samen met hun moeder op bezoek kwam. En ik had al gehoord over de modernistische kapel, ontworpen door Flor Van Reeth, met de glasramen van Eugeen Yoors. Vandaag zag ik dit fantastische ensemble voor het eerst met eigen ogen. Moeilijk in woorden of foto’s te vangen, het effect van een architectuur die je onweerstaanbaar voorwaarts stuwt en van glasramen die ieder ogenblik spelen met het licht. Wat een blauw gebruikte Yoors achter het altaar, wat een rood voor rozen en wat een gouden gloed. En zo word je weer eens bewust blij omdat je ogen hebt.

R. Christens, Heilig Hartinstituut Heverlee. De Boodschapkapel. Klassevol erfgoed in het hart van de site, Heverlee, 2010.

Portret van de mens

Hans Holbein d.J., Schets van Erasmus' handen, Parijs, Louvre
Hans Holbein d.J., Schets van Erasmus’ handen, Parijs, Louvre

Erasmus van Rotterdam is niet zomaar te vatten. Wie zijn teksten leest, voelt dat hij gezegend was met een enorme leergierigheid, een fabuleus geheugen, een bijzondere intelligentie. Soms klinkt hij echter ook schril en een tikje betweterig, als de oervader van alle columnisten. Ik lees nog steeds de Nederlandse vertaling van zijn Spreekwoorden, een heerlijk boek voor wie interesse heeft in taal en geschiedenis, maar ook voor wie geboeid is door de persoon Erasmus. En toen stuitte ik, bij het spreekwoord De oorlog is zoet voor wie hem niet kent, op vele prachtige bladzijden waarin een gedreven Erasmus zijn kijk op de mens uiteenzet. Spoed u naar de boekhandel!

“Ik zwijg erover dat de overige schepselen haast onmiddellijk na hun geboorte in staat zijn om zichzelf te verdedigen; alleen de mens blijft lange tijd volledig afhankelijk van andermans hulp. Hij kan niet praten, lopen of eten; hij kan slechts huilen om hulp. Hieruit kunnen we dus afleiden dat de mens als enig levend wezen geheel en al geboren is voor vriendschap, die hij voornamelijk smeedt en versterkt door wederzijdse steun. De natuur heeft dus gewild dat hij het geschenk van zijn leven niet zozeer aan zichzelf te danken heeft als aan de genegenheid van anderen, opdat hij zou inzien dat men dankbaarheid en bepaalde verplichtingen van hem verwacht.
Verder schonk ze hem een uiterlijk dat niet afstotelijk of dreigend is, zoals dat van andere creaturen, maar zacht en vriendelijk, een dat liefde en sympathie uitstraalt. Hij kreeg ogen vol genegenheid, de spiegels van zijn ziel, en soepele armen die omhelzen. Ze gaf hem bovendien de kus, een ervaring die harten bijeenbrengt en doet samensmelten. Alleen de mens ontving de lach, als teken van opgewektheid, en tranen, als uiting van erbarmen en medelijden. Meer nog, hij kreeg een stem, geen woest en dreigend geluid als bij dieren, maar vriendelijk en liefelijk. Dit was echter nog niet genoeg: de natuur gunde de mens, en alleen hem, het vermogen om te spreken en te denken, een gave die meer dan wat ook kan helpen om genegenheid tot stand te brengen en te koesteren. […]
De mens werd bovendien uitgerust met leergierigheid en met drang naar kennis, wat bij uitstek geschikt is om elke vorm van barbarij in gedachten te vermijden en een bijzondere kracht heeft om vriendschappen te doen ontstaan. Want geen bloedband of andere vorm van verwantschap is in staat om mensen in een nauwere en hechtere vriendschapsrelatie te verbinden dan een gedeelde belangstelling voor studies die de moeite lonen. Bovendien kreeg hij een wonderlijke verscheidenheid aan lichamelijke en geestelijke gaven toebedeeld. Zo kan elk individu in een medemens iets ontdekken om van te houden en te waarderen omdat het zo sterk aanwezig is, of om te verlangen en na te volgen vanwege het praktische nut en de noodzaak. Ten slotte kreeg de mens nog een vonkje van Gods geest ingeplant, zodat hij ook zonder het vooruitzicht op een beloning uit zichzelf genoegen zou vinden in een verdienstelijk optreden tegen iedereen. Want juist dat is eigen aan Gods natuur, dat hij Zijn weldaden laat uitgaan naar iedereen. Wat is anders die heel bijzondere vreugde die we in ons hart voelen wanneer we begrijpen dat iemand dankzij ons is gered? Dat is precies wat een mens dierbaar maakt voor een evenmens, dat hij zich door een speciale weldaad met hem verbonden weet.”

(Mijn vijfhonderdste bericht, dat ik ouderwets zal vieren door boeuf bourguignon te bereiden en te proeven. Ik wens u, dierbare lezer, een mooie dag.)

Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia, vertaald door Jeanine De Landtsheer, Amsterdam, 2011, p. 537-539.

Oorwurm

land.Heel vreemd soms, de flarden van een boek die je bijblijven. Vandaag spookte voortdurend de herinnering aan dit geestige liedje door mijn hoofd. Luuk Gruwez tekende het op uit de mond van zijn stokoude grootvader.
“Hoe lamlendig Knor zich ook voelt, hij zingt. Hij hoort op de televisie een deuntje dat hem vertrouwd is en hij bromt het mee:
‘Valencia, ’t is te danken aan de banken
dat ons geld zo hoge staat.'”

En dat wordt dan een oorwurm.

L. Gruwez, Het land van de wangen, (Privé-Domein, 226), Amsterdam-Antwerpen, 1998, p. 194.

Het schoentje van Cyann

Cyann-1Voor mijn reeks Heldinnen in Stripgids bracht ik een dag door met Cyann, een stoere ruimtereizigster gecreëerd door François Bourgeon en Claude Lacroix. In het eerste album van de cyclus is Cyann de troonopvolgster van een verre planeet, een verwend nest en een vrolijke verleidster. In haar kringen is het usance om slechts enkele vernuftig samengeknoopte sluiers te dragen. Mij amuseerde het feit dat de tekenaars haar futuristische ensembles completeerden met schoentjes van onvervalste achttiende-eeuwse snit.

Vorst

rm011“Daarna werden onmiddellijk de kleine bovenraampjes opengezet, waardoor de vorst als champagne naar binnen schoot.”
Ziedaar de voor mij onvergetelijke zin van Osip Mandelstam over vrieslucht. Eindelijk teruggevonden in De Egyptische postzegel.

Net als deze parel: “Wat een genot voor de verteller om van de derde op de eerste persoon over te gaan. Dit is net als wanneer je er na enige kleine en ongemakkelijke vingerhoed-glaasjes ineens de brui aan geeft, even nadenkt en dan zó uit de kraan volle teugen koud, ongekookt water drinkt.” Dichters weten waarom.

O. Mandelstam, De Egyptische postzegel, uit het Russisch vertaald door T. Eekman en C. B. Timmer, Amsterdam, 1979, p. 25; p.39.