Reuze reuze

Restauratrice Geneviève Hardy legt de laatste hand aan een replica van een Borgerhoutse reus

Wat men al niet vindt in oude boeken.
“Dans le dernier quart du XIXe siècle, un peu partout en France et en Belgique, les municipalités se détournaient de ces symboles d’une vie populaire alors regardées comme grossiers, sinon même comme périmés. C’était la mauvaise période des débuts de l’instruction primaire universelle, où l’on croyait encore que l’avenir devait se détacher entièrement du passé et où le système démocratique abaissait le niveau général. De nos jours, les masses ont dépassé ce stade; elles participent davantage à l’instruction supérieure; et grâce à la constitution du folklore scientifique, au lieu de mépriser les formes esthétiques anciennes de la vie populaire, elles les comprennent de nouveau, et par suite les aiment; parfois même, elles les ressuscitent.
Les géants ont profité eux aussi de cette orientation générale nouvelle. Plusieurs, étant morts de vétusté, ont été refaits; certaines villes, qui n’en avaient pas, en ont inventé à leur usage; on en a admis dans les expositions; on les classe parmi les meilleures expositions de l’art vraiment populaire, par essence simplificateur. Et surtout, on ne trouve plus ineptes ou grossières ces expressions naïves de la joie de vivre, si nécessaire en ces temps de secousses incessantes.”

A. Van Gennep, Le folklore de la Flandre et du Hainaut français, dl. 1, Parijs, 1935, p. 155.

Yoors

Jan Yoors, Wandtapijt Roots

“Mijn vader, die schilder was en glazenier, was in het zuiden van Spanje opgegroeid, hoewel hij in Vlaanderen was geboren. Hij vertelde over Andalusië alsof hij over het Paradijs sprak, en de Zigeuners kwamen er altijd aan te pas. Hij noemde hen Gitanos en ik groeide op met hun muziek, de Cante Hondo. Ons huis in Antwerpen was een heel gelukkig en zonnig oord en mijn eerste kinderjaren herinner ik me als een periode die overstraald werd door blijheid en geluk.

In zijn op grote schaal gemaakte ontwerpen voor kerkramen gebruikte mijn vader rode kleuren die trilden van leven, oranje, vlammend als de zon, diep ultramarijn blauw, vorstelijk purper, stralend gouden geel. Mijn vader verstond de kunst om deze kleuren in een breed akkoord te laten opzingen.”

Jaren geleden vond ik het meeslepende boek ‘Wij Zigeuners’ van Jan Yoors. Deze  auteur, zoon van een uitmuntende glazenier, ontwikkelde zich in New York tot een bijzondere fotograaf en ontwerper van wandtapijten. Gisteren zag ik deze monumentale werken voor het eerst “in het echt”: het museum FeliXart in Drogenbos wijdt een prachtige tentoonstelling aan Jan Yoors, te ontdekken tot 13 januari 2013. Ik werd er herinnerd aan de invloed van glazeniers op mijn eigen kindertijd en de lange, schitterende traditie van weefwerk en wandtapijten in ons land bij de Noordzee.

Jan Yoors, Wij Zigeuners, uit het Engels vertaald door E.H. Eenhoorn, Brussel-Den Haag, 1967, p. 44.

Reus

Druon Antigoon, naar een ontwerp van Pieter Coecke van Aelst. Antwerpen, MAS, voorheen Volkskundemuseum

Terwijl alle reuzen op lemen voeten dramatisch craqueleren of definitief instorten, lees ik een boek over reuzen door de eeuwen heen. Nimrod, Gog en Magog, Christoffel, Morgante. Weldra zal Druon Antigoon minder geheimen voor me hebben. En ook over Antwerpse reuzinnen is het prettig nadenken, op een regenachtige herfstmiddag.

Honderd, bis

Belgische postzegel

“Luik, zo levendig, zo bruisend en geestig, uitgestrekt naast de brede rivier en omgeven door de stekelige heuvels van de koolmijnen. Gent, somber en ontembaar, met zijn zware belfort, zijn trieste spinnerijen, en met in een kapel zijn Van Eyck. Doornik, met de Chonq clotiers [cinq clochers]. Leuven met zijn kloosters. Brugge, slapend tussen zijn melancholische kanalen waarop witte zwanen glijden, slapend, lijdend en bijna dood, ondanks zijn klokken en zijn beiaard, Brugge waar de Memlings zijn. Antwerpen, met de spitse pijl van zijn kathedraal, die een elan bezit dat zich enkel laat vergelijken met het opspringende hart van wie, na een lange reis overzee, eindelijk ziet hoe hij zich aan de einder verheft: wachttoren van het vaderland, met zijn haven en zijn schepen en het sterke volk dat Constantin Meunier zo krachtig heeft gesymboliseerd in zijn Buildrager. Antwerpen, waar de kleine, wrede Salome van Quinten Metsys mij zo vreemd toelacht in haar geïriseerde roze kleed, en met die naïeve eenvoud dat achteloze gebaar maakt!
Het Vaderland, dat is ook die wonderlijke opeenvolging van landschappen, die van de flanken van de Ardennen tot aan de stranden van Vlaanderen gaat. De wouden van Luxemburg met hun magnifieke oude bomen, de wijde horizonten waar je ’s ochtends de valleien omhuld ziet door het lichte gaas der nevelen, de wegen die op- en neerlopen en zich naar de dorpen toewenden, de zwarte rivieren die over het gebladerte keuvelen terwijl zij de zilveren, ranke forellen meebrengen. De Semois, de Ourthe, de Amblève en hun zijrivieren die nog bekoorlijker zijn. De Maas is het, die hun wateren en schoonheden samenvoegt in die soms grandioze en altijd vriendelijke vallei die van de Zuidgrens naar de Noordgrens loopt.”

Heimwee naar België, verwoord in de eerste oproep tot separatisme, door Jules Destrée in 1912 gepubliceerd.

R. Van Cauwelaert, Ils nous ont pris la Flandre. Waals socialisme en Belgische illusies. Van Jules Destrée tot Elio Di Rupo [Destrées ‘Brief aan de koning’ vertaald door M. Vanfraechem], Kalmthout, 2012, p. 85-86.

Honderd

Apollinaire in Café de Flore, 1914 (I.M.L., privé-collectie)

Maintenant tu marches dans Paris tout seul parmi la foule
Des troupeaux d’autobus mugissants près de toi roulent
L’angoisse de l’amour te serre le gosier
Comme si tu ne devais jamais plus être aimé
Si tu vivais dans l’ancien temps tu entrerais dans un monastère
Vous avez honte quand vous vous surprenez à dire une prière
Tu te moques de toi et comme le feu de l’Enfer ton rire pétille
Les étincelles de ton rire dorent le fond de ta vie
C’est un tableau pendu dans un sombre musée
Et quelquefois tu vas le regarder de près

Nu loop je door de Parijse drukte heel alleen
Kudden loeiende stadsbussen rijden langs je heen …

Dankzij Paul Claes’ vertaling ontdek ik eindelijk Zone van Guillaume Apollinaire. Dit honderd jaar oude gedicht is wonderlijk rauw, sentimenteel, origineel. Krijgt een dichter het echt uit zijn pen, dat cliché: L’angoisse de l’amour te serre le gosier? Maar hoe treffend dan plotseling dat beeld: het schilderij in een somber museum. Om nog te zwijgen over de onthutsend charmante combinatie: kubisme/katholicisme. Ah, ergens in Parijs op een bankje een beduimeld pocketexemplaar van Alcools te zitten lezen!