Talent-kapitalen

janhuet2
Jan Huet en plein air (Foto Erfgoedbank Hoogstraten)

Ik blader in het boek over glazenier Jan Huet en vind dit fragment uit een brief, geschreven in de jaren 1920: “En dit tussen haakjes en onder ons: we waren de mannen niet om zakelijk-ernstig aan ’t praten te gaan over het industrialiseren van ons beider latente talent-kapitalen. En toch staan we er voor, jongen! We moeten lijk Jan en alleman gaan negocieeren en centen verdienen, veel en loutere centen, en met ernst en kalmte ze plaatsen in een bank, en goede lui worden, als ’t moet zelfs rijke lui.”

Het industrialiseren van talent-kapitaal. Mooi scherp gezegd vind ik dat. Is het leven van een kunstenaar intussen zoveel veranderd? En toch staan we er voor, jongen!

 

Gras

maartzon

De eerste dag van het jaar om in het gras te liggen lezen. Verhalen van Emma Donoghue, een attent cadeau. Astray, Op de dool. Merci, Johanna! De blaadjes van de treurwilg zijn nog pril, de kelken van de magnolia zwiepen in de bries, narcissen en keizerskronen fleuren de perken op. De krentenstruiken bloeien niet eens, zelfs dat hebben we nog te goed. Het duurt maar een uur of twee, lang genoeg om weer te begrijpen waarom mensen vroeger de zon als een god beschouwden.

Peer

peer

Ik gaf een lezing over Bruegel in Peer, werd ontvangen in een mooie zaal en bewonderde de Ghoststoeltjes van Starck waarin het publiek mocht plaatsnemen.

Peerse historici willen erg graag bewijzen dat Bruegel in Peer geboren is. Ik stelde vast  dat per se iets willen bewijzen een goede methode is in de wiskunde, maar niet in de geschiedschrijving. Dan word je immers een advocaat die alle achterpoortjes gebruikt om zijn klant vrij te krijgen, in plaats van een onderzoeksrechter die getuigen hoort à charge en à décharge. En er is ook nog het Scheermes van Ockham: de eenvoudigste verklaringen zijn dikwijls de beste.

Toen ik naar buiten ging, zag ik charmante affiches met dames in Saint-Laurents Mondriaanjurken. Een frisse en fleurige campagne voor het cultureel centrum, die me er op gelukkige wijze aan herinnerde dat ik ook nog een dergelijke jurk in de kast heb hangen.

Oer

rikwouters
Rik Wouters, Zich kammende vrouw, The Phoebus Foundation

Het gepixelde prentje zien of de echte tekening: dat is niet hetzelfde. Dat is nooit hetzelfde. Op de tentoonstelling Oer in Gent trof dit werk van Rik Wouters me. Hij had zo weinig nodig om een teken van leven na te laten. Dat blauw. De lijn van de hand en de kam. O, dat blauw. Tot op haar kruin toe.

Als Belg van gemengden bloede (laten we zeggen, Henegouws-Brabants, alle voorouders door de eeuwen heen wel altijd op de rechteroever van de Schelde) zet ik graag kanttekeningen bij de pensée unique dat hedendaagse Vlamingen per definitie uit de klei omhooggetrokken keuterboeren zijn. De kunstenaars die het werk voor Oer leverden, die reisden naar Brussel, Londen en Parijs, die lazen de krant en buitenlandse literatuur en die spraken vlot twee talen. Het neemt niet weg dat de kunstwerken van Oer inderdaad een vertrouwd beeld oproepen. Landschap. Rituelen. Gezichten. De scenografie van Bob Verhelst, die in de ene ruimte de jonge fruitbomen van Gustave Van de Woestyne plantte en in de kamer van Tytgat een draaimolen zette, vind ik speels, charmant – waarom niet, voor een keer? Mijn lieveling is van oudsher Gustave Van de Woestyne en nu stond ik ineens aan de grond genageld voor papiertjes met wat lijnen houtskool erop: bladen uit een schetsboek van Rik Wouters. Zien en ontdekken, daar gaat het in elke tentoonstelling om.

Oorlog in Antwerpen

wil

Ik lees Jeroen Olyslaegers knappe roman Wil. Over een jonge politieman tijdens de tweede wereldoorlog in Antwerpen. Over de Antwerpse politie die door de Nazi’s wordt opgevorderd om te helpen bij razzia’s in joodse wijken. En het raakt me, te lezen hoe agent Wilfried Wils Bruegels schilderij Dulle Griet beschouwt als een symbool van zijn stad tijdens de oorlog. “De terreur hangt daar open en bloot, het roven aan de mond van de hel. Het is niet omdat een mens er weinig moeite voor moet doen dat een onthulling geen onthulling blijkt. Die Dulle Griet raast en daast door een zot landschap vol oorlog en herinnering in felrood, bruin en zwart. Haar ogen staan wijd opengesperd zodat ze alles en niets ziet. Heeft zij deze verschrikking veroorzaakt of maakt ze louter deel uit van deze smeerlapperij en speelt ze het spel mee?  Op een schone zaterdag moet ge toch eens naar dat museum gaan om het allemaal in u op te nemen.”

Het is niet de enige keer dat Bruegel Wilfried Wils tot inzichten brengt. Hij kijkt naar de beelden van Rechtvaardigheid en Voorzichtigheid in de gevel van het stadhuis en bedenkt: “De schilder Bruegel was in deze stad aan het werk toen dat stadhuis werd gebouwd. Op zijn prent die de Voorzichtigheid verbeeldt wordt er geoogst en gepekeld, en staat Vrouwe Prudentia op de spijlen van een ladder die op de grond ligt terwijl haar rechterarm een lijkkist omvat. Onder aan de prent staat er in het Latijn te lezen: ‘Wilt gij voorzichtig zijn, houdt dan de toekomst voor ogen en houdt alles wat gebeuren kan in gedachten.’ Snapt ge waar ik naartoe wil? Snapt ge hoezeer deze stad met haar burgemeester de deugd van de voorzichtigheid heeft beleden en overigens via andere burgemeesters zal blijven belijden tot op vandaag?”