Na de asperges

Ik kreeg een bussel asperges cadeau en haalde blij de bijpassende schotel uit de kast. Het werd een bereiding à la flamande, maar met mosterdvinaigrette in plaats van boter. Van die vinaigrette is nog wat overgebleven, de rest verdween in hongerige magen. Voorts rezen er vragen. Wie schilderde er toch die beroemde bussel asperges, was dat Manet? En Jean-Baptiste Chardin en Giovanna Garzoni, waagden die er zich niet aan? (O Giovanna, die het delicate licht als het ware van binnen uit de vruchten laat schijnen!) En waarom ben ik altijd aangetrokken tot oude zaken, zoals serviesgoed van bij de brocanteur of van de rommelmarkt?

Voor het onweer

Het overtrekt. Ik gebruik die uitdrukking zelf en ik hoor ze in mijn hoofd ook uitspreken door mijn ouders, grootouders. De vogels verstommen. Het wordt frisser. Maar er is nog tijd om even de tuin in te glippen en enkele bloemen te verzamelen, voordat het onweer ze neerslaat.

Burcht

Langzaam maar zeker verrijst in de tuin een Schotse burcht. De decorbouwers doen aan re- en upcyclen: restanten van deurenkomedies zullen opnieuw dienen in de tragedie van Macbeth. Kinderen kwamen langs om het vers geschaafde hout met verf te bespatten, omdat het er anders “te proper” zou uitzien. Ze amuseerden zich zoals ik me als kind amuseerde in vervlogen zomers, rondhollend, gieters vullend, roepend en lachend. En daarna gingen ze vast en zeker met hun grootmoeder een ijsje eten. Een goed bestede middag.

Tronen, machten en krachten

Er werken decorbouwers in de tuin, de garage ligt vol hermelijnen mantels en tartan accessoires, één actrice dooft haar sigarettenpeuken in de asbak van de Studentenbond Merksplas die ik per geluk nog heb teruggevonden. De tronen voor Macbeth en zijn vrouw zouden zo gebruikt kunnen worden in Game of Thrones, en de schrijver van dat nep-historische epos, George R. Martin, kent Macbeth zeker ook. Something wicked this way comes, the game ’s afoot!

Schouwtoneel

Het podium krijgt vorm. Hoe ging dat: “het leven is een schouwtoneel….”? ‘Of, in de befaamde woorden van Macbeth zelf: “Life’s but a walking shadow, a poor player / That struts and frets his hour upon the stage, / and then is heard no more; it is a tale / Told by an idiot, full of sound and fury, / Signifying nothing. ” De door wroeging en cynisme verteerde Macbeth is al een postmodernist, lijkt het; een mens zonder moreel houvast, voor wie “alles gelijk” is en iedereen hetzelfde, de heilige, de zondaar, de fatsoenlijke mens, de moordenaar: allemaal lieden met wie we vanuit onze troon van luiheid een goedkoop medeleven kunnen voelen zonder echt te moeten voelen. Alles begrijpen is alles vergeven, ja, dat zal wel, een gemakkelijk motto voor lafaards. Weldra dus in de voortuin. En ik moet dringend op zoek naar een goede Nederlandse vertaling. Eigen poging. “Leven is maar een stappende schim, een arme duts die een uurtje prult en pruilt op de planken, en dan voor altijd zwijgt; het is een vertelsel verteld door een dwaas, vol lawaai en razernij, met nul betekenis…”

Macbeth

pleasant seat

Ik lees Macbeth in mijn studentenuitgave van Shakespeares verzamelde werk. Zodat ik kan volgen, wanneer het Veussels Tonjel binnenkort een opvoering brengt in de tuin. Na ongeveer driekwart van de tekst gelezen te hebben, kijk ik op, vraag me plotseling af: “En hoeveel mensen zijn er nu eigenlijk al vermoord?” Geen treuzelaar, Shakespeare.

Maar kijk, dit citaat is wel een prettige bekroning van de omgeving: “This castle hath a pleasant seat; the air / nimbly and sweetly recommends itself / unto our gentle senses….”

Klokken van Rome

(Beeldbank Hoogstraten)

Je speelde kaart met je grootouders, ’s avonds. En daarbij genoot je van zoete warme melk met gekookte rijst, die je grootmoeder in haar kleine keuken klaarmaakte, tussendoor. En je grootvader lachte om een kinderlijk grapje, hij hield daarvan. In de tuin wees hij je soms de volle maan – Janneke Maan, met zijn glimlachende gezicht. “Hij draagt een busseltje hout op zijn rug,” luidde het wanneer er achter de maan een gloed te zien was. En op lenteochtenden, op Paaszaterdagen, tussen het aardappelloof en de geurige roze anjelieren op hun zilvergrijze stengels, wees hij naar de strakblauwe hemel en zei: “De klokken keren terug uit Rome en vliegen naar hun kerktoren. Morgen mag je chocolade eieren gaan zoeken.” Je zag niets. Maar de belofte bleek waar, de volgende dag: Pasen.

Dan ging je eerst met je grootmoeder naar de hoogmis in de kerk. Een oude dorpskerk. Toegewijd aan Sint-Clemens van Alexandrië. Waar ligt Alexandrië? Dat kon je opzoeken in de atlas. Met je grootmoeder had je een vaste plaats, onder “Christus valt voor de derde maal onder het kruis”, een somber gekleurd reliëf, een statie van de kruisweg. Er was ook een verwarmingsrooster in de vloer. Je was omgeven door barokke grafmonumenten, in beschilderd hout dat eruitzag als wit en zwart marmer dat eruitzag als zwierig gedrapeerde stof, opgehouden door engelen met bloemenslingers. Hieronymus van Diependael. Nicolaas Tasse. De bejaarde pastoor achter het altaar, een vermoeide man die lispelde, kon je aandacht niet vasthouden. Alleen wonderlijke uitdrukkingen konden dat. Hosanna in den Hoge. Halleluja. Gezegend Hij die komt in de naam des Heren. Met alle engelen, machten en krachten. Vrede geef ik u, mijn vrede laat ik u. De omhaling was het symbool van de nakende bevrijding: nu is het bijna afgelopen. Dan kon je hand in hand met je grootmoeder terug naar huis wandelen, langs het zebrapad de hoofdstraat over, langs het smalle paadje tussen kille muren opnieuw de Witherenweg in waar je bijna alle huizen kende. En dan mocht je in de tuin de paaseieren gaan zoeken. De mooiste hadden lintjes, wanneer je ze schudde maakten ze een ritmisch tikkend geluid, teken dat ze gekleurde suikerkorrels bevatten. Daarna was het feest, en stond de tafel gedekt met het feestelijke servies met roze rozen, en verschenen er schalen met frikadellen en warm fruit en knapperige pistolets en zachte sandwiches en slagroomtaart. Altijd slagroomtaart wilde je, nooit taart met crème au beurre. Op de schoorsteen glansden twee vazen van glas, zwart en goud. Tegen de wand hing een schilderij met een  Amerikaans landschap in lila tinten, geschenk van een vroegere knecht van grootvader, die uitgeweken was naar Californië en daar een sinaasappelfarm had verworven.

(uit: “Kaartenhuis”, L. Huet)

Goede Vrijdag

Pieter Breugel, De kruisdraging, Wenen, Kunsthistorisches Museum

Het geniale aan Bruegels Kruisdraging is dat je Christus niet ziet, hoewel hij zich pal in het centrum van de compositie bevindt. En dat zegt iets over onze aandacht en waar we het eerst naar kijken, waardoor we ons zoal laten afleiden, elke dag en op Goede vrijdag. Ziet u die onmogelijke molen boven op die onmogelijke rots? Staande voor het grote schilderij in Wenen zie je ook dat de wind opsteekt bij Golgotha: hoeden waaien af, vogels stijgen op thermiek. Weldra zullen de wieken van die molen beginnen te draaien; want het uur nadert, weldra zal de goddelijke graankorrel vermalen worden om brood te worden voor alle mensen. Het is een middeleeuws mystiek thema en Bruegel verwerkt het hier in zijn revolutionaire schilderij, om degene die aandachtig weet te kijken te belonen met inzicht.

Tess

Peter Firth en Nastasha Kinski als Angel Clare en Tess Durbeyfield in Polanski’s Tess

Hardy herlezen is een genot en een voorrecht, maar ook een beproeving. Want je weet bij elke roman dat het niet goed zal komen, en na verloop van tijd zet je je schrap bij iedere nieuwe titel omdat er weer een mannenhart genadeloos gebroken zal worden. Jude, Giles Winterborne, de trompet-majoor… Nog erger is het gesteld met Tess of the d’Urbervilles, een van de eerste Penguin pockets die ik ooit kocht, met William Turners schets van Stonehenge op het voorplat; want het is haast niet te bevatten hoe Hardy erin geslaagd is om een hoofdpersoon van wie hij zo intens hield, zo volstrekt ongenadig te laten lijden. Het hele universum lijkt samen te spannen om de onschuldige Tess kapot te maken. Hoe je dit als schrijver over je hart kunt krijgen, het blijft me een raadsel. Omdat het boek me zo beïndrukte, heb ik nooit de moed gevonden om verfilmingen te bekijken. Polanski’s Tess heb ik niet gezien, evenmin de meer recente serie met Gemma Arterton in de hoofdrol. Maar wat een mooie beelden heeft het boek opgeleverd. En vanavond wachten de laatste bladzijden.