Op het lijf geschreven

Classicus Patrick De Rynck lanceerde vandaag de website Hic et nunc, over de rol van de oudheid in ons alledaagse leven. Het viel me niet moeilijk om een kleine bijdrage te leveren, ik haalde gewoon mijn hemdjurk bedrukt met teksten van Sapfo uit de kast, herlas Sapfo’s gedichten vertaald door Paul Claes (Liederen van Lesbos) en verdiepte me in befaamde mode-ontwerpers geïnspireerd door archaïsche en klassieke Griekse kleding. Madame Grès? Jazeker. Dior? O ja, meer dan ooit. Wilt u er het fijne van weten? Spoed u naar Hic et nunc.

Camera in conifeer

O, we zien ze overdag soms ook wel. Maar dat onze tuin ’s nachts op hun route ligt, en dat ze aan de struiken knabbelen, lijdt geen twijfel. Je kunt moeilijk anders dan de sierlijkheid van een ree bewonderen. Toch vraag ik me af, na mijn allereerste tekenbeet in deze landelijke omgeving, of zij de draagster was van dat miniatuurmonster.

Lamartine

Th. Chassériau, Portret van Alphonse de Lamartine, 1844, Musée du Louvre.

Dans la nuit éternelle emportés sans retour,

Ne pourrons-nous jamais sur l’océan des âges

               Jeter l’ancre un seul jour?

Ja, zo schreef monsieur de Lamartine, mijn moeder kende dat gedicht uit haar hoofd. Zij toonde ons in een tijdschrift het portret van de dichter die, meen ik, enkele jaren lang de mooiste man van Frankrijk moet zijn geweest. Dat tijdschrift zal hier ook nog wel ergens liggen. Hij was de uitvinder van de romantiek, monsieur de Lamartine, ik zou nog altijd zeggen dat dat toch niet niks is.

(Geïnspireerd door de beide cahiers van Elias schreef ik een verhaal. Ik meen dat de moeder van Maurice Gilliams vooral van de poëzie van Musset hield, maar ach, als schrijver mag je overal je eigen favorieten binnensmokkelen.)

Cahiers

Iedere keer wanneer je het herleest, ontdek je een ander boek.

Gilliams verloochende later het “tweede cahier” van Elias, zo perfectionistisch was hij.

Ik heb het toch met bewondering gelezen. En ik bleef haken aan deze zin: “Doch de eenzaamheid is beter dan een kus; want wie weet hoe hij bemind wil zijn?”

Natste zomer sinds 1833

“De eerste de beste vrouwemantel roof ik van de kapstok; warm en goed wikkel ik er mij in, mijn kop veilig weggedoken, zoodat ik door een spleetje naar buiten kijk. Gebukt sluip ik weg onder het venster van de huiskamer; ik ben naar de beek onderweg. Als ik in de plassende regen sta heb ik misschien spijt van mijn avontuur; ik begin iets uit te denken om mijzelf ongelijk te geven, en toch blijf ik buiten om mijn ongedurigheid te verdubbelen. Onder de mantel heb ik het gauw benauwd gekregen; mijn hoofd zoekt naar regen en wind; op een omzien dool ik als een zwervend blad over het landgoed en met de wegen houd ik geen rekening meer.”

Men spreekt veel over Gilliams’ gezochte taal en beschrijvingen van ijselijke zelfkwelling. Maar als zijn boek Elias zoveel mensen blijft aanspreken, dan moet dat zijn omdat lezers iets herkennen in zijn verhaal over de kindertijd. En dat ‘iets’ is misschien die ontdekking en dat onderzoek van sensaties, van gewaarwordingen, die toegespitste aandacht voor kleine gebeurtenissen, die de wereld van het kind uitmaken.

Hoe dan ook, vandaag herken ik me in deze enkele zinnen uit Elias of het gevecht met de nachtegalen, al roofde ik dan geen willekeurige vrouwemantel maar een plastic regencape van de kapstok, en ontweek ik huiverend tientallen naaktslakken op het fietspad.

M. Gilliams, Elias of het gevecht met de nachtegalen, bezorgd en uitgeleid door Filip de Ceuster, Polis, Kalmthout, 2017, p. 40.

Anemoon

Maandag, de dag dat ze zo moedig overleed, bloeide de eerste anemoon in het perk dat zij zelf in mijn ouders tuin heeft aangelegd. Het is vandaag nog steeds de enige bloem in het perk en het lijkt wel alsof ze met dit delicate teken afscheid neemt van deze plaats. Dank je en vaarwel, lieve R.

Zijn 122ste verjaardag

Vandaag is de 122ste verjaardag van Martial Van Schelle. Na een mooi leven vol indrukwekkende sportprestaties en geslaagde zakelijke ondernemingen werd hij in maart 1943 helaas vermoord in het concentratiekamp Breendonk. Hij werd nog geen vierenveertig. Dit monumentje prijkt sinds 1986 bij zijn geboortehuis in Merksplas. Ik werk daarin voort aan zijn biografie.

Goede raad van Descartes

Uit een brief van René Descartes aan Elisabeth van de Palts, geschreven in Egmond in mei of juni 1645:

“Hier valt mijns inziens gemakkelijk het verschil op te merken tussen het verstand enerzijds en de verbeelding en de zintuigen anderzijds. Dit verschil houdt volgens mij in dat iemand die voor het overige alle reden zou hebben om tevreden te zijn, maar die voortdurend zou kijken naar voorstellingen van tragedies waarvan alle bedrijven vervuld waren van onheil, en die zich zonder ophouden zou bezighouden met al wat treurnis en medelijden oproept, ook al zou zo’n persoon weten dat het allemaal voorgewend en denkbeeldig was, zodat de tranen in zijn ogen opwelden en zijn verbeelding erdoor ontroerd werd zonder dat zijn verstand werd geraakt, dan nog alleen daaraan genoeg zou hebben, volgens mij, om bij het hart de gewoonte aan te kweken ineen te krimpen en zuchten te slaken […]. En andersom, mensen die eindeloos veel werkelijke redenen tot verdriet zouden hebben maar die zich er zo zorgvuldig op zouden toeleggen hun verbeelding daarvan af te wenden dat ze er alleen maar aan zouden denken als de feitelijke noodzaak dat vergde, en de rest van de tijd uitsluitend zouden besteden aan een beschouwing van al wat tevredenheid en vreugde aan hen kan verschaffen, zouden daar niet alleen veel profijt van kunnen trekken door zich op die manier een gezonder oordeel te kunnen vormen over zaken die voor hen van belang zijn […], het lijdt voor mij geen twijfel dat alleen een dergelijke instelling zulke mensen weer gezond zou kunnen maken.”

Woorden om over na te denken. Zijn we niet allemaal mensen geworden die “voortdurend kijken naar voorstellingen van tragedies waarvan alle bedrijven vervuld zijn van onheil”? Eens flink vasten van nieuws kan een bevrijding zijn.

Op het bovenstaande portret door Frans Hals, bewaard in het Louvre, ziet Descartes er bijzonder Gallisch uit. Nu ik eindelijk weer eens zijn boeken ter hand neem, verrast het me dat deze Gallische denker par excellence een groot deel van zijn leven in Holland doorbracht. Het verrast me ook, en het vermaakt me een beetje, dat deze grote rationalistische filosoof graag tot ’s middags in bed lag, om rustig na te denken. En dat hij vervolgens verhuisde naar het hof van de koningin van Zweden, die van hem eiste dat hij haar elke ochtend om 5 uur in de bibliotheek van het paleis zou onderwijzen. Descartes’ gezondheid begaf het, onder dit Spartaanse uurrooster en de koude.

René Descartes en Elisabeth van de Palts, Briefwisseling, ingeleid door R. Gude, vertaald en van een nawoord voorzien door J. Holierhoek, Amsterdam, 2000, p. 65-66.

Apenjaren

Jo Govaerts, Ik dans me weer bijeen, cover

Mijn echte apenjaren moeten nog beginnen, denk ik soms. In afwachting blader ik in Ik dans me weer bijeen, de verzamelde gedichten van Jo Govaerts, en lees op de laatste bladzijde van haar bundel Apenjaren dit schitterende gedicht:

Met elk portret schilderde er zich

een liefde, en elke liefde was als

de studie voor een portret. Mijn ogen

moesten het gezicht wel strelen,

geen geheim bleef onontdekt.

Was het te veel, heb ik naar meer gegrepen

dan er fatsoenlijk in één mensenleven past?

Ik had waar anderen niet hadden gekeken,

en dat ik keek was alles wat ik had.

En wat ik had moest ik ook weer afgeven,

maar in het portret werd er die korte streling

van oog en huid voor altijd vastgelegd.

Het past prachtig bij deze dagen waarin ik het werk van Femmy Otten leer kennen, een kunstenares voor wie het portret naar eigen zeggen de allermooiste kunstvorm is. Maar daarover later meer.

Ik herinner me hoe ik als pas afgestudeerde kunsthistorica de piepjonge Jo Govaerts boeken zag uitkiezen in De Slegte van Leuven, en hoe ik toen bedacht dat zij al gepubliceerd werk had, en dat ik daar stond met lege handen. Later leerden we elkaar kennen en stuurde ze me met de bus naar Krakau en nu hoop ik dat deze verzamelde gedichten maar een tussenhalte zullen blijken te zijn. Op naar een twee-, driemaal zo omvangrijke verzameling!

Ring van licht

Ik leef uit mijn koffer en vergeet boeken mee te nemen van stad naar dorp en omgekeerd. Daarom kan ik niet het hele gedicht citeren, op deze 21ste juni. Maar toch:

La lumière vient d’atteindre son plus beau jour.

Il se fait un anneau bref et scintillant autour des arbres en fleurs.

On n’a pas eu le temps d’être vraiment neuf.

De onlangs overleden Christian Angelet droeg een paar jaar geleden een gedicht voor in boekhandel Passa Porta. Ik luisterde opeens met hart en ziel en prentte de naam van de dichter in mijn geheugen: François Jacqmin. Les saisons. Een bundel, zo merkte ik later, waarvan men zich de aanschaf nooit zal beklagen.