Luipaard

BURT LANCASTER, CLAUDIA CARDINALE ET ALAIN DELON A ROME 1962
Burt Lancaster, Claudia Cardinale, Alain Delon: collega’s in Il Gattopardo

Een gesprek met een vriendin herinnerde me eraan dat ik niet meer onder de indruk ben geweest van een acteur sinds ik Burt Lancaster zag in Il Gattopardo van Luchino Visconti. Lang geleden. Intussen is er veel opschudding over machtige mannen en blijkbaar weerloze vrouwen in de filmwereld. Ik vind die opschudding zelf nogal wonderlijk. Alles wijst er toch al tientallen jaren lang op op dat de filmkunst een sector is waarin mannen de mooiste vrouwen kunnen verzoeken om door allerlei hoepels te springen, onder het vrome voorwendsel van graven in de condition humaine? Hoe dit ook zij, Luchino Visconti was homoseksueel, dus Claudia Cardinale voelde zich hoogstwaarschijnlijk veilig op de set. Delon daarentegen, wie weet.

Dierbare Alain-Fournier,

Alain-Fournier

“Vorige week kocht ik in een opwelling uw Le Grand Meaulnes bij boekhandel Corman in Oostende. Ik ben nu immers volwassen: als ik zin heb in een boek, dan koop ik het verdorie. En een opwelling, zo heb ik geleerd, is niets anders dan een teken dat de tijd rijp is.

Ja, rijp. De eerste bladzijden, de eerste hoofdstukken voerden me naar een andere wereld. Een dorpsschool in het midden van Frankrijk. Een echtpaar van onderwijzers. De moeder, die een hoed uit de stad bestelt en die vervolgens aanpast aan haar eigen smaak. ‘Onze winterse zondagen verliepen dikwijls op deze manier. Mijn vader wandelde ’s morgens vroeg al naar de een of andere mistige vijver, om er op snoek te vissen in een bootje; en mijn moeder trok zich terug in haar donkere slaapkamer om enkele nederige outfits te verstellen. Ze sloot zich af uit angst dat een van haar vriendinnen, even arm als zij en even trots, haar op die bezigheid zou betrappen.’

De klassen, de speelplaats, het winterslijk, de klompen van de leerlingen, de smidse vlakbij. En een zeldzaam geworden combinatie: de rust en de intensiteit van alle gewaarwordingen. ”

Voor Rekto:verso schreef ik over een boek uit mijn schooltijd, en wat het nu met me doet.

Sic

walther-170
Walther von der Vogelweide, portret in de Codex Manesse, ca. 1300, Heidelberg

 

O wee, waar is vervlogen ieder jaar?
heb ik mijn leven gedroomd of is het waar?

Walther von der Vogelweide

(Geciteerd in P. Claes, Sic. Mijn citatenboek, Uitgeverij Coriarius, 2017, p. 35.)

Dag op dag

archief1
Liefdesbrieven

Op 2 oktober 1867 trouwden mijn betovergrootouders in het dorpje Étalle. Honderdvijftig jaar geleden. Ik zou het niet geweten hebben, als ik niet de liefdesbrieven had teruggevonden die tot dit huwelijk leidden. Mijn hele familie dankt haar bestaan aan dat huwelijk. Nu één van ons is weggevallen, wordt die gedachte nog mysterieuzer. Rouw is dof en rauw bij vlagen.

Trappist-1

2159_posternormalsizeBelgen – Michael Gillon van de Université de Liége, in dit geval –  ontdekken sterrenstelsels. En NASA bedenkt er posters bij. Als Belg met wortels in Normandië (verbeeld ik mij graag) zie ik de naam van het Normandische klooster La Trappe met plezier in de ruimte vereeuwigd. En er mag al eens aan bier gedacht worden in de ruimte. En ik houd van affiches. Een vijfvoudige win-winsituatie?

De poster is te downloaden van de NASA-website.

Kleine Beenhouwersstraat

moustaki

Een zilveren filter op de foto: dan zijn we in België. En die donkere jongen? Georges Moustaki tijdens zijn verblijf in Brussel, in 1955. Hij belandde er al zwervend onderweg naar Amsterdam, klopte aan bij een café om werk en kreeg een baantje aangeboden als pianist. Twee maanden lang speelde hij jazz in onze hoofdstad en vijfenveertig jaar later schreef hij er een thriller over. Geen literair meesterwerk, wel lezenswaardig. De eerste drugsdoden vallen, Marokko stond al bekend als een draaischijf van drugshandel, de Italiaanse mafia probeert eveneens terrein te veroveren en grote burgerlijke betonboeren willen de buurt winstgevend opkuisen voor de Expo van 58. Er is zelfs een leuk bijrolletje voorzien voor Jacques Brel.

“Ze weten allebei dat Brussel, onder dat respectabele en joviale uiterlijk, de hoofdstad is van een vervallen rijk waar minstens twee culturen tegen elkaar op botsen, waar het krioelt van immigranten uit alle omringende landen… Door haar ligging vormt de stad het centrum van alle trafieken. Cornelius kent beter dan wie ook het wankele evenwicht van dit kleine koninkrijk dat soms doet glimlachen. De Belgenmoppen vermaken de Belgen zelf, want ze weten dat achter die jovialiteit een onverzettelijke plantrekkerij schuilt, een machtige mafia, woeste rivaliteiten te midden van een bevolking gezegend met humor en oprechte bonhomie. Het is een ontvlambaar mengsel.”

In dat laatste vergist hij zich, het is een tam mengsel.

Georges Moustaki, Petite rue des Bouchers, Paris, 2001, p. 112.