Jan van Eyck en Mevrouw Renaissance

Het_Lam_Gods_van_de_gebroeders_van_Eyck_in_de_Sint_Bavo_te_Gent_Rijksmuseum_SK-A-4264.jpeg
P.F. De Noter, Het Lam Gods in Gent, Rijksmuseum, Amsterdam

Voor OKV schrijf ik een extra nummer over de komende Van Eycktentoonstellingen. Een mooie gelegenheid om mijn ogen weer eens de kost te geven met de wonderlijke details van misschien wel het belangrijkste schilderij op Belgische bodem, het Lam Gods. Als we vandaag naar dat werk kijken, treden we in de voetsporen van duizenden mensen voor ons. Zoals Pieter Bruegel. Of de jonge Mayken Verhulst, zelf ook een schilder. In Mevrouw Renaissance beschrijft ze haar kennismaking met het Gentse veelluik zo:

“Zuster Magdalene had het Lam Gods een keer gezien, vooraleer ze intrad. Toen had ze in de menigte snel een paar schetsen gemaakt. Ze toonde mij die. Een rij martelaressen met lange loshangende haren, en palmtakken in hun hand. Zo elegant als die waren!  En de Lieve Vrouw, met een kroon vol lelies en rozen en een boek in haar handen. Zuster Magdalene had de namen van de opvallendste kleuren er inderhaast bij genoteerd. Ultramar, las ik. “Ultramarijn. Dat pigment komt van ver over de zee,” legde Magdalene uit. “De vindplaats is nog àchter het Ottomaanse Rijk, in een land waar ik de naam niet van ken. Dus het kost veel om het naar Venetië te krijgen, en van Venetië naar hier. Het is het mooiste blauw van de wereld. Hier in het klooster gebruiken we het niet. Het is te duur. Te werelds voor ons. Met nederige kleurstof kunnen wij toch ook mooie dingen maken?“

Vader nam ons op Pinksterdag mee naar Gent. Een kanunnik opende traag de luiken, zich goed bewust van het effect, blasé. Ik had opeens een lichaam vol ogen willen hebben, zoals die reus Argus uit de antieke verhalen. Ik zag de geschilderde grassen, de geschilderde madelieven en de witte pluizenbollen van paardenbloemen. Zelfs dat onkruid stond erop! Dus in de hemel zouden ook paardenbloemen mogen bloeien. Ik zag de Lieve Vrouwe in haar blauwe , Sint-Jan in zijn groene, en God de Vader in zijn rode mantel. Onze Vrouwe las in een boek, dat zeker verlucht moet zijn geweest, want het was in een beschermende doek gehuld en de bladwijzer was bezet met parels. En toen stokte mijn adem, want ik zag Adam bloot en levensgroot, met haren onderaan zijn buik, en Eva met borstjes die precies groot genoeg waren, en met een geknobbelde vrucht in haar hand. Wat een mooie voorouders hadden wij!”

http://closertovaneyck.kikirpa.be/ghentaltarpiece/

Spookdraad & toxische mannelijkheid

phantomEindelijk zag ik de film Phantom Thread. Nog een wonder dat het zo lang geduurd heeft, want ik houd van verhalen over couture. Misschien omdat ik mijn eerste schrijf- en leeslessen kreeg onder een portret van koningin Fabiola in haar winterse trouwjurk, ontworpen door misschien wel de beste couturier aller tijden, Cristóbal Balenciaga. Balenciaga kreeg zijn opleiding overigens dankzij een studiebeurs van de familie van onze vroegere koningin.

Daniel Day-Lewis is waarlijk briljant in Phantom Thread, als de Londense mode-ontwerper Reynolds Woodcock. Zijn personage is deels geïnspireerd door Balenciaga (“hij houdt wel van een vrouw met een buikje,” zegt Reynolds’ zus ergens, en dit is precies wat je ook over Balenciaga leest: zijn klanten moesten niet mager zijn als modellen, hij kon elk type vrouw sublimeren – zij het dat Europese vrouwen tot in 1980 doorgaans slank waren). Ik meende dat Woodcock voorts gebaseerd was op Hardy Amies, ontwerper voor de Engelse koningin, maar volgens de interwebben zou het de Amerikaan Charles James zijn. Hoe dan ook is Reynolds Woodcock niet zo’n grandioze ontwerper als Balenciaga, dat zie je aan de jurk die hij maakt voor Henrietta Harding.

Daniel Day-Lewis is onweerstaanbaar; de vrouwelijke hoofdrollen evenzeer. Zijn zus Cyril, subtiel en meesterlijk vertolkt door Lesley Manville. Muze Alma Elson, met een heerlijk naturel vertolkt door Vicky Krieps. De acteerprestaties nemen niet weg dat het verhaal me maar matig kon boeien. Beroemde mode-ontwerper wordt verliefd op een muze en laat zich vervolgens door haar vergiftigen? Is dat niet wat vergezocht? Wonderlijk is dat het personage Reynolds Woodcock vervolgens, in een essay in The New Yorker, een voorbeeld genoemd wordt van “toxische mannelijkheid”.  We horen die uitdrukking de laatste tijd te veel. Woodcock is de hoofdpersoon van de film, en hij is een man. Is hij daarom toxisch, giftig? Ik zag in hem een succesvolle kunstenaar die rust en routine eist voor zijn werk, waar vele mensen van leven. En dat verlangen naar rust en routine voor de kwaliteit van je werk, dat herken ik, als vrouwelijke kunstenaar. Het artikel in de New Yorker wordt grappig, als je bedenkt dat deze zogenaamd toxische man in de film vergiftigd wordt door zijn muze. Bestaat er dus ook toxische vrouwelijkheid?

 

Katrientjes

1024px-Gasten_op_een_dansfeest_in_een_van_de_modehuizen_laten_zich_een_drankje_inschenk,_Bestanddeelnr_254-0159Als kunsthistorica vang je het wel eens op: de heilige Catharina van Alexandrië is de patroon van haute-couturenaaisters. Zoiets vind ik grappig. En op haar feestdag, vandaag dus, zetten de Catherinettes in Parijs de bloemetjes buiten en gele en groene hoeden op. Catherinettes zijn ongehuwde vrouwen in de modesector die de kaap van 25 gerond hebben. Maar ook vrijgezellen in dezelfde branche, ouder dan 30, kunnen meevieren: les Nicolas.  Fijn om te zien dat zo’n traditie leeft. Robert Doisneau maakte uiteraard al prachtige foto’s van Christian Dior en zijn Catherinettes. Maar het feest leverde nog heel wat meer mooie beelden op, zoals deze foto van Willem van de Poll.

Verzet

DSC_0036De reeks Kinderen van het verzet grijpt me aan. De getuigenissen van nabestaanden over het verblijf van hun ouders in het sinistere kamp Breendonk ontstellen des te meer, nu ik werk aan mijn boek over Martial Van Schelle. Atleet, zakenman, verzetsman. Hij overleed in Breendonk in 1943. Aan de muur van zijn geboortehuis in Merksplas hingen we deze borden te zijner ere. Zijn vader was hoofd van het Belgische Rode Kruis geweest. En geleden achter prikkeldraad heeft Martial zeer zeker.

Rolien en Ralien

 

DSC_0719Marlene Müller-Haas vertelde me over haar bijna voltooide vertaling van Josepha Mendels’ roman Rolien en Ralien (1947). Ik kocht het boek in 1987, toen Mendels net de Anna Bijnsprijs had ontvangen. En ik bewaarde het, omdat het me beviel. Nu ik het “op een avondschaftje” herlezen heb, weet ik waarom. Een heerlijke evocatie van de kindertijd,  een subtiele, lichte roman, gedurfd experimenteel ook.

Licht

DSC_0234De reeks historische verhalen van Compagnie Verrept maakt me blij, te meer sinds ook Paul Claes naar de pen greep om een Bruegelraadsel op te lossen. De boekjes herinneren me aan de libri di una sera, boeken voor een avond, een kwarteeuw geleden te koop in stationskiosken in Italië. Ze zijn licht, ze leggen geen gewicht op uw schouders, uw polsen, uw boekenkast.