Sant

Fiere Margriet lijkt me wel een plaatselijke heilige of zalige om trots op te zijn, een meisje dat zich uit alle macht verdedigde toen ze bruut werd aangevallen. En een meisje dat de dichteres Liesbeth Lagemaat recent inspireerde tot het verhalende gedicht Vissenschild. Maar in Margriets eigen stad Leuven aarzelt men niet om haar gotische kapel te prangen tussen een bushalte en een verkeersbord.

Op het water drijf ik, het vissenschild een nachtmatras,

ochtendkleed, eiland van schubben dat me optilt en

voortstuwt. Draag me verder, breng me stroomopwaarts,

over de stuw, draag me voorbij de forellenpoort, waar

de beek schuimt, voorbij de donkere kolken, de waterheiningen,

tot aan de luwte en laat me daar langzaam, nog langzamer,

op jullie zwevende vissenkleed, golvenschild, nog nog langzamer

afdrijven, terug naar de plek waar het was. Daar lig ik dan

roerloos…

(L. Lagemaat, Vissenschild. Een episch gedicht, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2020, p. 14.)

Rembrandt, Rubens

Rembrandt, Zelfportret, Kenwood House, Londen (Wikimedia Commons)

Wie Gilliams herleest, ontdekt een schrijver die opnieuw verrast. Een echte schrijver, met andere woorden. Nu ik via het gesproken dagblad verneem dat Rembrandts Nachtwacht in hoge resolutie beschikbaar is, denk ik met plezier terug aan Gilliams’ karakteriseringen van zijn mede-Antwerpenaar Rubens en van de sjofele Amsterdamse portretschilder.

“En hoe heeft Rubens eindelijk zich-zelf gezien?

Met Isabella Brant, op het schilderij Onder het Geitenblad, is hij een ietwat nog verbluft kijkende jonge man; zijn aangezicht begint nauwelijks op te klaren uit de beminnelijke onbeduidendheid eigen aan de mannelijke jeugd, ofschoon hij toch reeds twee-en-dertig jaren telde. Isabella, aan zijn zijde gezeten, schijnt reeds aan het besef der innerlijke zekerheden zachtjes aan te ontwaken.

Op zijn zes-en-veertigste jaar ziet hij zich-zelf als een fraai heerschap, met zwierig opgedraaide snorren, met een hoed waarvan de omvang en de sierlijkheid legendarisch is geworden. En de buitengewone hoogheid van het voorhoofd schijnt zich in de kaalheid van de schedel te verliezen.

Wanneer hij ruim zestig is, rond de tijd wellicht dat hij Het Pelsken schilderde, ziet hij zijn eigen flets en vaal verval: met een troebele weemoedsblik staart hij de dingen aan. Op het eerste gezicht lijkt hij nog een welvarend sinjeur, door de ruim omschreven omvang van zijn silhouet. De rechter hand zit in een handschoen verdoken; de linker is bedenkelijk door jicht gezwollen en vervormd en rust op het gevest van een degen.

In zijn physiek verval grijnslacht de oude Rembrandt alle wereldse aangelegenheden tegen; en zijn grijns stijgt heroïsch bovenuit het hoopje hulpeloos versleten mensenweefsels en –beenderen. De oude Rubens is nog steeds de voorname en geziene heer; hij kan aan de verplichting niet ontkomen om in de wereld te verschijnen, er zijn rol te spelen en zijn prestige hoog te houden, gelijk het een zeventiende eeuwse humanist en hoveling past. Rembrandt herinnert zich maar vaag wat de maatschappij in haar schoot bergt, en zijn geest triompheert in de bitterste eenzaamheid over de gekromde, zieke resten van zijn lichaam. Rubens zal nog andere heerschappen op zijn weg ontmoeten en er conversatie mee houden over de antieken, over een dichter of philosoof. Rembrandt vindt nauwelijks de tijd om zich van zijn slavenwerk af te wenden, gehuld in een sjofele schilderskiel, met een versleten en van kleur getaand kalotje op het grauwe hoofd. Zo hebben beide mensentypen als het ware de uiteinden van het eigen-zelf gevonden, ieder naar de aard van zijn wezen. Rembrandt heeft alle weelde tot beproeving zien verkeren; maar een onuitblusbaar vuur is diep in hem blijven branden. Rubens heeft zich omringd als het ware met een vlammend woud van blijde verwachtingen; hij heeft zich gevoeld en geweten, een leven lang, als het middelpunt van zelden overtroffen grootse daden. En naar het einde toe wil hij zich met ere voor de aanstichter van die gloed doen doorgaan.”

(M. Gilliams, De Kunst der Fuga, 1953)

In het vlakke land

Was ik gelukkig, op 31 december, omdat ik een regenboog zag terwijl ik naar mijn moeder fietste, of omdat ik mijn moeder vond terwijl ik een regenboog zocht? Beide dan. Laten we voor het komende jaar het beste hopen, en doen.

Hoop uit ’s Gravenbrakel

Jan II Borman, Madonna, St-Gérykerk, ’s Gravenbrakel (foto Balat Kik Irpa)

Tweede Kerstdag, Kerstweemoed. Het leven is op twee jaar tijd zo veranderd en zoveel intens dierbare personen zijn weggevallen, dat ik het amper kan bevatten. Daarom richt ik de blik maar op dit mooie beeld, dat ik ontdekte op een expo in het Leuvense Museum M. ‘Madonna uit Braine-le-Comte’, las ik op het plaatje. Daar bleef ik bij stil staan. Mijn voorouders zijn afkomstig uit Braine en zij hebben dit gracieuze beeld in de afgelopen eeuwen ongetwijfeld dikwijls gezien. Het verbond me plotseling met hen. Dat moeder en kind hier een boek vasthouden, is natuurlijk heel mooi meegenomen.

De verjaardag van Nicolaas

Clara Peeters, Stilleven, 1607, privé-collectie. Suikergoed en wijn om een kraamvrouw te versterken?

Op 14 december 1560 zag Nicolaas Rockox het levenslicht in de Keizerstraat, en diezelfde dag nog, een zondag, werd hij gedoopt in de kathedraal van Antwerpen.

De uit Florence ingeweken Lodovico Guicciardini noteerde over zijn medeburgers: “Ter gelegenheid van geboortes en doopfeesten laat een Antwerpenaar het geld lustig rollen. Peters en meters overladen kraamvrouwen met geschenken en vergasten ze op een uitgebreide maaltijd als zij weer op de been zijn.” Kortom, het was feest in de Keizerstraat en dat zou het waarschijnlijk nog wel een paar weken blijven. Nicolaas bleef zijn hele leven in deze mooie straat wonen en werd een bekwame, rustige burgemeester van Antwerpen en een grote kunstliefhebber. Wat wil je nog meer?

Soms zou ik zelf een dergelijke mecenas wensen!

Foorreizigers

O, Brussel. Treinstation. Busstation. Brakke grond. Bouwwerf. Sexshop. Nachtwinkels. Wankele schuttingen. En dan opeens een mooi plein: Luchtvaartsquare – Square de l’Aviation. Met een hip hotel, een brasserie, een technische boekhandel. En dit standbeeld ter ere van de foorreizigers die heldhaftig sneuvelden tijdens de twee wereldoorlogen. De bruuske overgang tussen chaos en charme, dat blijft het mysterie van Brussel voor mij.

Na Sinterklaas

Kerstmis vieren met wat men ter plaatse vindt, voelt soms wat vreemd. Maar dat ik hier vorig jaar op haast miraculeuze wijze de kerstbal in de vorm van een huisje, afkomstig van mijn grootouders, ongeschonden op de bodem van de bergkast terugvond, dat is geluk.

Advent en Crossroads

Het plan is om de Advent met aandacht en plezier te beleven. Feest te vieren, eigenlijk. Maar een week van kille regen en ijzige wind en duisternis zet een domper. Na anderhalf jaar nog altijd opruimen in het ouderlijk huis put soms uit, ook al zijn de herinneringen dierbaar. Vandaag herontdekte ik het plezier van zorgeloos te liggen lezen, in een boek dat je meeneemt. Niet omdat de schrijver zich een doornenkroon van drama aanmeet, maar omdat hij met humor, die genegenheid is, vertelt over mensen die gaandeweg belangrijk voor je worden. Gust en Jen en Maria, dus, van café In de Kroon in Olen. Walter Van den Broeck portretteerde hen in Crossroads en ik ben daar blij om.