Nieuwjaarsreceptie

Januari, Très Riches Heures du Duc de Berry

Approche, approche. Die woorden spreekt een dienaar van de hertog van Berry uit tot enkele schroomvallige gasten. Ze staan in gouden letters boven zijn hoofd. Stel u voor dat onze woorden ook zichtbaar zouden worden en glanzen als goud, wanneer we iets bijzonder moois of waars zegden bijvoorbeeld.

Wel, het is feest. De hertog van Berry, broer van de Franse koning, houdt zijn nieuwjaarsreceptie. Hij draagt een kostbare blauwbrokaten houppelande, met bont gevoerd, en een bontmuts (waarin een edelsteen flonkert) tegen de koude. Achter hem brandt het vuur in de open haard en de vloeren zijn bedekt met matten, om de winter te doen vergeten. De tafel is gedekt met goud en verguld zilver: zoals elke edelman van koninklijken bloede heeft de hertog een gouden of vermeil tafelschip bij zich. Het fungeerde als zoutvat, maar ook als kastje voor persoonlijk tafelgerei: we zien er twee teljoren in. Voor- en achtersteven van het kostbare schip zijn versierd met een beer en een zwaan – ours en cygne spelden samen de naam van een dame aan wie de hertog zijn hoofse liefde zou hebben gewijd, een zekere Ursine. Met de rug naar ons en een handdoek over zijn schouder snijdt een voorsnijder het vlees, twee schoothondjes zoeken intussen wat lekkers tussen de borden. Uiterst links is een wijnschenker aan het werk, bij de credenza of pronkkast met nog meer kostbaar serviesgoed. De wanden van het vertrek zijn bekleed met een wandtapijt vol riddertaferelen, in zijn eerste frisheid van kleur.

Ziet u de man met grijze hoofddeksel die naar de hertog kijkt? Volgens sommige geleerden zou dat schilder Paul Van Limburg zelf zijn, op bezoek bij zijn mecenas. De man die gulzig wijn drinkt uit een gouden drinknap zou dan een tweede broer Van Limburg zijn, en de half zichtbare vrouw achter hem Pauls piepjonge echtgenote (die hij als minderjarige uit het huis van haar moeder ontvoerde), Guillette Le Mercier. Ik kan me voorstellen dat het hertog plezier deed, al die portretjes van bekenden op de bladzijden van zijn kostbaarste boek. Lezen in het getijdenboek was dan ook op de mooiste wijze ons bekend ‘bladeren in het boek van je leven’.

Bemerk ten slotte nog de vergulde klootdolken of dagues à couillettes, waarmee de heer naast de wijnschenker – misschien de eigenlijke verantwoordelijke voor de wijn, aangezien hij twee kommen in zijn hand heeft, klaar om uit te delen – en de vleessnijder pronken. Ze ontlenen hun naam aan de vorm van het heft: het lemmet zat in een foedraal achter de buiktas. De man in het blauw draagt ook amusante tweekleurige kousen, die menige hedendaagse modeliefhebster kunnen interesseren.

Het was een prachtig jaar, met de Van Limburgs en hun hertog.

(Musée Condé, Chantilly. Alle overige maanden in de archieven van 2010)

December

December, Très Riches Heures du Duc de Berry

Het vriest dat het kraakt op deze prent. En de honden en de jagers hebben een everzwijn neergelegd. Boven de boomtoppen verrijzen de torens van het kasteel van Vincennes, waar de hertog van Berry geboren was.

Mijn favoriete beschrijving van de winterse jacht staat in Arthur, Koning voor eens en altijd van Terence H. White. Uit mijn stukgelezen Prisma-pocket:

“Dit vond plaats toen de blozende baronnen met hun vingers aten en zich pauwen lieten opdissen met alle golvende staartveren er nog aan, of zwijnskoppen waar de slagtanden opnieuw in waren gestoken – toen er geen werkloosheid was omdat er te weinig personeel te krijgen was – toen de wouden weerschalden van ridders die elkaar op de helmen sloegen en de eenhoorns in het winterse maanlicht met hun zilveren poten stampten en hun nobele blauwe adem in de vrieslucht uitsnoven. Zulke wonderen waren groot en geruststellend.”

“Het toneel veranderde even plotseling als een kaartenhuis dat instort. Het zwijn stond niet meer in een afwachtende houding, maar viel meester Twyti aan. En terwijl het naar voren stormde, kwamen de wolfshonden op hem af, en vlogen hem fel naar de schouder, keel of poot, zodat wat er op de jager stortte niet een wild zwijn was, maar een pak beesten. Het pak rolde ongehinderd voorwaarts, alsof de honden hem helemaal niet tegenhielden. Twyti begon zijn speer om te draaien om de aanval met het uiteinde af te houden, maar terwijl hij dat deed, waren de vechtenden bovenop hem. Hij sprong achteruit, struikelde over een wortel en het zwijn lag op hem. De Wart danste eromheen, zijn eigen speer angstig zwaaiend, maar er was geen plek waar hij hem in durfde steken. Robin liet zijn speer vallen en met dezelfde beweging trok hij zijn kromzwaard, stapte in de grommende warboel en pakte kalm een wolfshond bij de poot op. De hond liet niet los, maar waar zijn lichaam was geweest, was nu een ruimte. In deze ruimte verdween langzaam het kromzwaard, één keer, twee keer, drie keer. De hele bovenbouw wankelde, herstelde zich, wankelde opnieuw en zeeg zwaar op zijn linkerzijde neer. De jacht was afgelopen.”

T. H. White, Arthur Koning voor eens en altijd, vertaald door M. Schuchart, zesde druk, Utrecht-Antwerpen, 1977, p. 146; p. 162.

November

Varkenshoeder in november, Très Riches Heures du Duc de Berry

Zo asgrauw als oktober is voorgesteld in de Très Riches Heures, zo diep van kleur is november. Het lijkt alsof het palet van beide maanden is verwisseld. Een forse herder heeft zijn varkens naar een eikenbos gebracht en gooit met een stok eikels uit de bomen, zodat zijn dieren zich kunnen voeden, enkele weken voordat ze worden geslacht en hun vlees een winter lang mensen in leven zal houden. Hammen en bloedworst en kop. Een sterke, ernstige hond slaat het gebeuren gade. We zien een aantrekkelijk landschap in drie dieptes, en een verrassend realistisch en huiselijk ogend kasteel op een heuvel. Alles oogt realistischer en huiselijker dan in de kalenderbladen die door de verfijnde gebroeders Van Limburg werden geschilderd. Deze miniatuur is dan ook ruim tachtig jaar na hun dood voltooid, door Jean Colombe uit Bourges, een leerling van Jean Fouquet (schepper van de verbluffende Madonna tussen cherubijnen en serafijnen, topstuk van het Antwerpse KMSK). Hij gebruikte ook heel mooi blauw, Jean Colombe – maar de intensiteit van het ultramarijn dat de hertog van Berry zijn hofschilders in het timpaan liet gebruiken, kon hij niet meer evenaren. Na de dood van de hertog trof men in zijn nalatenschap onder meer leren buidels aan, gevuld met exotische lapis lazuli, waaruit dat kostbare ultramarijn gewonnen werd – ongetwijfeld maakten zijn door schulden geplaagde erfgenamen deze zo snel mogelijk te gelde.

(Musée Condé, Chantilly)

Oktober

Zaaien in oktober

“Delicious Autumn! My very soul is wedded to it,” schreef George Eliot. Ik deel haar gevoel in de maand oktober.

In het prachtige getijdenboek van de hertog van Berry is deze maand echter de enige van de kalender waarop we een smartelijk gezicht zien. Ja, dit is de meest gedetailleerde weergave van het Louvre die we kennen uit de middeleeuwen. Ja, ultramarijn en subtiel goud vertonen ook hier weer al hun schoonheid en rijkdom. Het is mooi om de wimpels te bekijken die over de akker gespannen zijn, en de vogelverschrikker die aangekleed is als een boogschutter. Maar de boer die zaait ziet er verbitterd uit. Hoogstwaarschijnlijk had hij daar alle reden toe, aan het begin van de vijftiende eeuw. De koning krankzinnig. Zijn ooms (onder wie de hertog van Berry) roofzuchtig en inhalig. Burgeroorlog alom, en plunderende Engelse bendes. Nu eens twee pausen, dan weer drie. Frankrijk aan de rand van de afgrond. Ver weg, aan de grens van het land, in Barrois mouvant, groeide een kleuter op, de kleine Jeannette van Domrémy. Voorlopig wees nog niets op nakende verbetering.

Indien de boer in dienst was van de hertog van Berry, dan is dit citaat van Jean Froissart ongetwijfeld verhelderend. “Die hertog van Berry was de meest hebzuchtige man ter wereld en hij gaf er niet om waar men het haalde, als híj het maar in handen kreeg.”

Saumur in september

September in de Très riches heures van de Duc de Berry

Een sprookjeskasteel. De kantelen zijn afgeboord met stenen fleurs-de-lis, het embleem van Frankrijk, op de torenspitsen glanzen dezelfde edelbloemen, nu verguld. De grote pyramidale schoorsteen verraadt de locatie van de keukens. Voor het kasteel ligt een tornooiveld. Op de voorgrond oogsten boeren druiven; een zwangere boerin lijkt niet lang meer op haar menselijke oogst te moeten wachten. Een van de werkers bukt zich, en toont ons zijn hemdsslippen.

Deze miniatuur is aan het begin van de vijftiende eeuw ontworpen en begonnen door de gebroeders van Limburg; dertig jaar later voltooide een andere kunstenaar de wijngaard. Zijn boerentypes ogen wat plomper dan die van zijn voorgangers.

Het kasteel van Saumur aan de Loire was de geliefde verblijfplaats van de vrouw die zich gedurende veertig jaar heeft verzet tegen de annexatie van Frankrijk door Engeland: Yolande van Aragon en Anjou. Zij steunde de Franse dauphin Charles (VII) tegen de Bourgondiërs en de Engelsen, financierde Jeanne d’Arc en heeft dus een onschatbare rol gespeeld in de Europese geschiedenis. Zonder haar zou Frankrijk de honderdjarige oorlog niet hebben overleefd als natie.

Ook het kasteel bestaat nog steeds; de wijn van Saumur is een A.O.C. geworden.

Zo, en nu ga ik even kijken naar de druiventrosjes op ons binnenplaatsje.

Très Riches Heures du Duc de Berry, Musée Condé, Chantilly.

Zwemmen in de Juine

Augustus in de Très Riches Heures van de hertog van Berry

Voor de weergave van de maand augustus kozen de gebroeders Van Limburg een tafereel uit bij een favoriete verblijfplaats van hun opdrachtgever, in Etampes. Van deze prachtige burcht blijft niets over dan de centrale toren, de Tour Guinette. Toen de dichter Charles d’Orléans trouwde met een kleindochter van de hertog, kreeg hij deze burcht ten geschenke.

Edellieden rijden uit op valkenjacht, vergezeld door een valkenier en twee honden. Augustus is niet de maand waarin ik, gehuld in lange, nauwsluitende gewaden van fluweel en kant, een duursport zou willen beoefenen op de rug van een dampend paard; de boerin die haar blauwe jurk uittrekt op de oever en het frisse water van het riviertje de Juine in glijdt, is er mijns inziens heel wat beter aan toe. Achter haar bindt men koren in schoven en laadt men het op een wagen.

Jean Froissart, onze Henegouwse kroniekschrijver die nagenoeg volledig geannexeerd is door de Franse literatuur, heeft heel wat interessante zaken te vertellen over de hertog aan wie we deze magnifieke bladzijden – het getijdenboekje is intussen misschien een van de beroemdste kunstwerken ter wereld – danken. “Hij overlegde met de meester van zijn beeldhouwers en schilders, meester Andrieu Beau-Neveu, om nieuwe beelden en schilderingen te maken; want hij hield ervan om steeds nieuwe werken te bedenken en te bestellen; en hij was aan het juiste adres, want die meester Andrieu over wie ik spreek kende zijn gelijke niet, noch was er iemand van wie zoveel mooi werk overbleef in Frankrijk of in Henegouwen, waaruit hij afkomstig was, en in het koninkrijk Engeland.” De gebroeders Van Limburg namen rond de eeuwwisseling de penselen van Beauneveu over. Noordelijke kunstenaars bloeiend onder Frans mecenaat, stel u voor!

J. Froissart, Les Chroniques, in Historiens et chroniqueurs du Moyen Age, (Pléiade, 48), 2005, p. 743 (vertaald door LH).

Klaprozen, korenbloemen

Juli in de Très Riches Heures du Duc de Berry

Zo te zien ook geen stralend weer, op de voorstelling van juli in de Très Riches Heures, maar toch nog een diepblauwe hemel, een mooi driehoekig kasteel uit de rijke immobiliëncataloog van de hertog van Berry (met een interessante houten voetbrug), knotwilgen en riet, en landlieden die “koren pikken” en schapen scheren.

Ik gebruik de uitdrukking “koren pikken” omdat ik ze van mijn vader hoorde. In het dorp waar ik opgroeide, wordt er in juli nog steeds koren gepikt of geoogst om te gebruiken als dakbedekking voor de kerststal in december. Waar die akkers met koren zich echter bevinden, weet ik niet, noch of men aan de randen ervan korenbloemen kan aantreffen. Het is werkelijk jaren geleden dat ik korenbloemen in het wild zag. De Beierse bermen pronkten vorige week nog met prachtige lichtblauwe bloemen, die enigzins aan korenbloemen deden denken. Dat waren chicoreibloemen, leerde een vriend me;  hij had ze sinds zijn kindertijd ook niet meer in België gezien.