Max R. en Antoon V. D.

Antoon Van Dyck, Zelfportret op jonge leeftijd, Akademie der Bildenden Künste, Wenen

Het loont om oud papier niet zomaar weg te gooien. Ik open een boek van de kunsthistoricus Max Rooses uit 1900, over Antoon Van Dyck en zie, op de eerste bladzijde is het al raak. Dat vond ik altijd het mooie aan geesteswetenschappen: hoewel er vorderingen worden gemaakt en nieuwe feiten en inzichten aan het licht komen, blijft ook de geschiedenis van die wetenschappen zelf rijk en vruchtbaar.

“Hij was een man van gevoel, meer dan van kracht; hij liet velerlei invloeden op zich inwerken zonder grooten weerstand te bieden, zou men zeggen; maar zijne weekere geaardheid en zijn kiesche smaak gingen niet verloren onder de machtige indrukken, die hij van de grote voorgangers ontving; hij ontgroeide eerder dan hij zich ontworstelde aan hun geweld, en gelouterd en gerijpt uitte hij zich in immer wassende zelfstandigheid. Hij is een Antwerpenaar van het zuiverste bloed, verliefd gelijk al de kunstenaars zijner stad op het fraaie, het zwierige, het glansende; maar hij overtreft hen allen door zijne ingenomenheid met het voorname, het bevallige, het teedere, door de gevoeligheid van zijn gemoed en de hooge onderscheiding van zijn trant. Hij levert het klinkendste protest tegen de bestempeling van dorperheid en nuchterheid, onzen landaard zoo vaak aangewreven.”

Max Rooses, Vijftig meesterwerken van Antoon Van Dyck, 1900, Antwerpen, p. 1.

Scipio Africanus

Na de drijfjacht in Wortel

Opzoekingswerk voor een boek is bijzonder leuk wanneer je oude artikeltjes van je eigen grootvader mag herlezen.

‘Ik sta steeds in bewondering bij onze oude Kempische jagers, met hun flink afgerichte honden die altijd typische korte en kordate namen dragen als Tor, Snep, Jank, Brak, Djan enzovoort. Me dunkt dat die eenlettergreepse namen heel wat meer kracht bijzetten en heel anders klinken dan Moustache of Mormiche of iets dergelijks. Zo heb ik wel eens een hond gekend die luisterde naar de naam van Scipion l’africain (de eigenaar van dat wonderbeest is later krankzinnig gestorven, hetgeen me niet verwonderd heeft…)’ (Nemrod, De Jachttribuun, 1948)

Tien jaar

Alweer verloren maandag! De uiterste datum om het Kempense kerstseizoen op te rekken. Nu is het echt genoeg geweest. Er staan worstenbroden en mogelijk ook appelbollen op het menu. En op deze verloren maandag vier ik ook de tiende verjaardag van dit logboek. Met een foto van de laatste kersttafel in ons traditionele gezelschap van vijf: in 2019.

Misschien leven schrijvers altijd in een soort lockdown, ik heb in elk geval geen moeite met afzondering op het platteland en een serener levensritme. Maar dankzij de blog kan ik contact houden met lezers en belangstellenden die wel eens willen zien welke kruimels er week na week van de tafel vallen. Merci, dierbare aanwezigen.

Drie koningen, drie koningen….

6 januari 1949. Mijn vader (de lange jongen met tulband, tweede van rechts vooraan) en zijn broer (uiterst links, zelfde rij) zingen samen met vrienden Driekoningenliederen voor het goede doel in Wortel. Het goede doel was wellicht het missiewerk van zijn oom Leopold Huet in Congo. Pater Leopold met zijn zwarte hoed staat achteraan. Hij bezocht zijn familie in België voor de eerste keer sinds hij in de jaren 1930 naar Congo vertrok.

Vandaag vond ik voor het vijfde jaar op rij de boon in de Driekoningentaart en droeg ik even de papieren kroon. Ik kan alleen niet meer naar mijn vader telefoneren om over dit lustrum te vertellen.