Wannes in Wortel

Wannes1

In Almanak evoceerde ik een optreden van Wannes Van de Velde in De Diept in Wortel. Onlangs reikte mijn moeder me een envelopje aan met archiefmateriaal uit die periode. Het leert me meteen dat Wannes bij de jaarwisseling 1967/1968 meermaals is langsgekomen in het noorden.

(ontwerp: Raph Huet)
(ontwerp: Raph Huet)

wannes2bjpg

Er zit zelfs een manuscriptje bij.

Wannes3

Maandag wordt Wannes’ definitieve liedboek voorgesteld in de Roma in Antwerpen. Het belooft een mooie avond te worden, met een onmisbare publicatie voor iedereen die hield van zijn gedachten, woorden en muziek.

Groeten

Zondereigen
Ik beantwoordde een oproep van illustratrice Charlotte Peys en ontving een postkaart die me charmeerde. Met rechts bovenaan een reconstructie van de dodendraad, de grensversperring met Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog waarover ik schreef in Almanak. Ook u kunt deelnemen. Hier is de oproep:

Tijdens mijn masterproject in Zondereigen wil ik postkaarten van verschillende dorpen uit België en Nederland verzamelen. De typische postkaarten waarop een herkenbaar gebouw, een kaart van de streek, een landschap van de plek in kwestie te zien is of een mozaïek van al deze elementen samen. Iedereen die een postkaart verzendt naar onderstaand adres en zijn of haar eigen adres op de kaart vermeldt, kan de huidige postkaart van Zondereigen in zijn/haar bus verwachten! Met een kort tekstje natuurlijk. Over het weer en de mensen en de dingen.

Charlotte Peys
Zondereigen 81
2387 Baarle-Hertog

Meer over Zondereigen

Landlopers

landlopers-toon-horsten-9789045019321-voorkant_jpg_180x0_q85_crop_upscale

Vanavond wordt het boek Landlopers van Toon Horsten aan het publiek voorgesteld op de meest toepasselijke plaats: de voormalige boerderij van Wortel-Kolonie. Landlopers belicht tweehonderd jaar sociale geschiedenis in België en maakt ook vele herinneringen los, vermits ik opgroeide in Wortel-Kolonie, een groene long, en Merksplas-Kolonie, een “utopisch dorp” volgens een architect die de site heeft bestudeerd. De Kolonies waren lang een wat obscuur onderwerp, letterlijk gesitueerd aan de rand van het land, waarover men informatie bij elkaar moest sprokkelen in negentiende-eeuwse rapporten en licentiaatsthesissen. Dankzij dit meeslepende boek is dat niet langer nodig. Al lezend verneem ik veel boeiende, soms verbijsterende zaken en trekt ook een stoet personages uit Almanak weer voorbij.

90df2ed0-f6d6-4749-9989-4a1e1751c8f6

Kempenaar

Jan Vleugels (l.) en Jos Haest, Vlaming en Cartouche uit ‘De rakkers der grenzen’

Het mag een mooie zondag heten, wanneer een inspirerend boek van een bijzondere Kempenaar voor het eerst in dertig jaar opnieuw wordt uitgegeven. Heemkundige kring Amalia van Solms verzorgde samen met Studium Generale VZW de geannoteerde heruitgave van Jan Vleugels’ avonturen- en schelmenroman De Rakkers der Grenzen (1930). Vleugels baseerde zich op zijn ervaringen als passeur, smokkelaar en grensgids tijdens de Eerste Wereldoorlog – vanuit de Noorderkempen brachten hij en zijn kompanen vele vluchtelingen veilig door de “dodendraad” (de electrische grensversperring) naar Nederland. Zijn boek fascineerde me zo dat ik de schrijver tot een personage maakte in Almanak, onder zijn codenaam Vlaming.

Ik vernam dingen over Jan Vleugels die ik niet wist: dat hij werkte als steenbakker, binnenschipper, seizoensarbeider en worstelaar op de kermis, later ook een paardenmolen uitbaatte en frieten en smoutebollen verkocht op markten, bijvoorbeeld. Dat hij nog een tweede roman heeft geschreven, over het leven van kermismensen. Ik ontmoette twee kleinzonen van de schrijver, hoorde hen vertellen over egodocumenten van hun grootvader en van andere familieleden, en verdiep me nu in de voetnoten van de heruitgave. O, dus langs dat pad slopen de smokkelaars, vlak bij mijn overgrootvaders huis; en de vluchtelingen kwamen bij nacht en ontij samen “op Bolk”, in café ’t Bolks Heike, op een steenworp van hier?  Het vertrouwde landschap van alledag wordt nog wat rijker.

J. Vleugels, De rakkers der grenzen, ingeleid door A. Vanneste, geredigeerd en geannoteerd door K. Mertens en H. Janssen, Balen, 2012. Foto via website Amalia van Solms.

Ereperk

De komende erfgoeddag is gewijd aan helden. Mijn persoonlijke held is Martial Van Schelle (1899-1943), een Belgische atleet uit het interbellum met wortels in Merksplas, Brussel en Chicago. Ik leerde hem kennen dankzij een biografietje dat mijn grootvader (ooit Van Schelles buurjongen in de Noorderkempen) van hem schreef en schreef ook zelf over hem, in Mijn België en Almanak. Van Schelle groeide op in Merksplas, vocht in de Eerste Wereldoorlog als piepjonge soldaat in het Amerikaanse leger, werd dan verschillende malen Belgisch zwemkampioen, Olympisch atleet, wintersportpionier, ballonvaarder en zakenman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij in het verzet, werd hij verraden en stierf hij in het concentratiekamp Breendonk.

Gisteren bezocht ik zijn graf, op het ereperk van de gefusilleerden, achter de RTBF-gebouwen in Brussel.

De volgende keer zal ik bloemen meenemen. Heel treffend waren ook de naamloze graven – onbekende slachtoffers van het nazischrikbewind.

Op de erfgoeddag zal ik belangstellenden over Van Schelle vertellen bij zijn geboortehuis, de Diepte, in Merksplas.

Meer over Van Schelle op deze blog vindt u hier, en hier. Elders is er dit.

Rakker der grenzen

Achtung

‘”Hebt gij hun woorden begrepen,” vroeg de Vlaming aan zijn makker. “Ze willen dus al de Belgen als kippen in een kooi opsluiten.”
“Ja,” sprak de Plek, “maar dat zal hun nooit lukken, zolang er een rakker der grenzen bestaat.”‘

Deze zinnen zijn afkomstig uit een van mijn favoriete egodocumenten van de Eerste Wereldoorlog, het verslag dat Kempenaar Jan Vleugels naliet over zijn verzetsactiviteiten aan de Belgisch-Nederlandse grens. Hij smokkelde jongemannen die het Belgisch leger aan de Ijzer wilden vervoegen en vluchtelingen de grens over naar het neutrale Nederland (als handlanger van Edith Cavell, “Miss C” in zijn boek) en verwierf een ware Robin-Hoodstatus, toen hij erin slaagde uit de door Duitsers zwaarbewaakte gevangenis van Turnhout te ontsnappen. Hij is ook de uitvinder van het opvouwbare, houten en met rubber beklede raam dat tussen de electriciteitsdraden van de grensversperring – de Dodendraad – werd geplaatst, zodat mensen er door konden kruipen.

Vleugels, codenaam de Vlaming (die ik hem liet behouden in Almanak), wijdde een mooie beschrijving aan een nachtelijke passage met vluchtelingen in Wortel-Kolonie. Amper enkele honderden meters van de hier beschreven plaats lag mijn grootvader met zijn  broers te slapen in het ouderlijke huis.

“Stil, achter elkaar, sluipt men nu door een bosgracht. Even geluisterd, wat verder weer, tot men eindelijk een lichte schemering merkt aan het einde van de gracht. Hier moet het zijn, want men hoort reeds het gerinkel der draden. Welk een gevoel dringt zich op bij het naderen van een vrije bodem, maar die nu door dit doodsgevaar omringd wordt. Een onverklaarbaar verlangen naar een geheime kracht om die andere vrije bodem te bereiken, bekruipt ons. De vier personen moeten hier even wachten, terwijl de drie rakkers, kruipende op de knieën de toestand verkennen.

Het is een kwade nacht. Geen enkel windje ruist in de bomen. Men nadert de draad en hoort of ziet geen enkele Duitse wacht. Alles ziet er dus gunstig uit en men beveelt op de knieën zacht de draad te naderen. Een enkel paar stoort zich daar echter niet aan, en is bezig te flirten op zulk een gevaarlijk punt, dat men hier heeft bereikt.

De rakkers willen hun toestel plaatsen, maar daar hoort men een plons als van iemand die struikelde. Dit gerucht werd door de waakzame Duitsers opgevangen. Wat gebeurde er nu. De stille heide werd in een woest toneel herschapen. Er werd geroepen, geraasd en geschoten. Het geweervuur weergalmde in de bossen. Langs de kant van de uitwijkelingen werd geen weerstand geboden. Al wie vluchten kon, spoedde zich heen, ieder was nu verplicht op eigen krachten te handelen. […] Juist op het ogenblik dat de Vlaming de dreef wilde oversteken, versperden de Duitsers hem de weg met geweervuur. Een enkele kogel floot langs zijn oren, maar toch sprong hij nader en bereikte aan de overkant het struikgewas en verdween in de duistere bossen.”

J. Vleugels, De rakkers der grenzen, Ravels, tweede, herziene druk 1978, p. 25; 27-28 (eerste druk: 1930).

Dodendraad

De dodendraad in Wortel (foto via website Amalia van Solms)

Vannacht droomde ik, vreemd genoeg, van de Dodendraad. Ik lag ineengekrompen op de grond en hoorde de electriciteit door de staaldraad zingen. Als kind op het platteland heb ik uiteraard een ruime ervaring opgebouwd in het onder prikkeldraden doorkruipen, maar de Dodendraad heb ik zelf nooit gezien: de Duitse bezetter sloot er de Belgisch-Nederlandse grens mee af tijdens de Eerste Wereldoorlog. De dodendraad speelde een rol in het leven mijn beide grootvaders, die als kinderen vlakbij woonden. De ene werd getraumatiseerd door een afschuwelijk ongeluk dat niet ver van  zijn vaders huis aan de draad gebeurde: twee zussen wisselden pakjes uit door de grensversperring en werden allebei geëlectrocuteerd. Mijn grootvaders vader kreeg van de Duitse militairen het bevel om paard en wagen in te spannen en de lijken op te gaan halen. Ik gebruikte deze ervaring in mijn roman Almanak.

“De lichamen lagen uitgestrekt op bussels stro, er waren paardendekens overheen gelegd, en de dikke soldaat, Karl, de goede, die zich dikwijls liet omkopen, hield de wacht, het geweer in de aanslag. Achter hem ijsbeerde Von Erztum. Da sind sie ja endlich, snauwde hij. (Slechts eenmaal, met Kerstmis vorig jaar, toen ze met het hele gezin waren uitgenodigd in hun eigen beste kamer en daar voor de eerste keer een kerstboom vol kaarsen en snoepgoed zagen, had Frans de officier een andere toon horen aanslaan.) Machen sie vort, dies alles dauert schön viel zu lange! Dikke Karl, zo werd in het dorp al verteld, had de buurvrouw gered door zijn geweer op haar te richten toen ze in paniek Tabitha van de draad wilde losrukken en door haar toe te brullen dat ze niks mocht aanraken. De Duitsers hadden iemand naar de cabine in Wortel gestuurd om de electrische stroom uit te schakelen; zo konden ze het lichaam van Jouwke, gevallen op Hollands grondgebied, onder de prikkeldraad doortrekken. De zusters moesten nu samen worden begraven, al had de grensversperring hen meer dan een jaar van elkaar gescheiden.

Frans hoorde de draad zoemen. Voordat de Duitsers deze versperring hadden opgetrokken, kende hij geen electriciteit; nu stelde hij zich die vreemde kracht voor als onzichtbare bliksems die door de manshoge prikkeldraden heen en weer schoten, het verbaasde hem soms dat hun stekels niet knetterden van de withete vonken. Hij had al verkoolde hazen en katten gevonden op zijn zwerftochten, hun koppen zagen eruit alsof ze van binnenuit waren verbrand en ontploft. Dat bedroefde hem – wat konden de beesten eraan doen, aan de zotheid en de slechtheid van die mensen? Ze leefden gewoon in het veld en het onderhout, zoals alle hazen en katten voor hen hadden gedaan, sinds de schepping van de wereld.

Vlak bij de draad lag een klomp in het gras, zag hij, en aan de overkant een kannetje.”