Uitkijkpost

Conservator Jozef Muls op het dak van het museum
Conservator Jozef Muls op het dak van het museum

In de zevende  jaargang van het weekblad De Stad Antwerpen (maart 1934-maart 1935) vond dichter Bert Bevers deze foto terug van conservator Jozef Muls op het dak van zijn Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Wat een uitzicht, en wat een bronzen gezelschap! De sierlijke wagenmenster heb ik alleen nog maar vanuit kikvorsperspectief bewonderd. En waar zat de fotograaf van dit tafereel? Misschien wel in de strijdwagen aan de andere kant van de gevel?

Hulde

KANTL

Op 15 juni mocht ik Monika van Paemel hulde brengen in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde. Een fragment uit mijn tekst:

“De bladzijden die u geschreven hebt over uw kindertijd, in het land van Nevele en in de Antwerpse Kempen, verliezen voor mij nooit hun schoonheid. In dat land van Nevele vond u ongetwijfeld ook een spoor van ongewone mogelijkheden: leefden daar niet de gezusters Loveling, “de Vlaamse Brontës”? Literaire moeders, zoogmoeders, petemoeien in de verte, voor de toekomst. Ergens noteert u hoe u als kind in de zomer in het gras lag met een appel als versnapering en een boek van Jules Verne. Dat is simpelweg een definitie van het geluk, en het geeft me zin om deze zomer ook weer eens in een of andere bloeiende wei Jules Verne te lezen, ik heb zijn Reis naar het middelpunt van de aarde alweer gekocht, het boek ligt klaar. In uw debuut, De amazone met het blauwe voorhoofd trof ik deze passage aan:“rondtrekken met een beduimeld boekje, een zakje brood, links en rechts scheefzakken op het veel te hoge zadel van de rammelfiets, smokkelpaadjes volgen, een half pond Hollandse boter onder de bloeze, blozend om het avontuurlijke, niets opmerkend van de slappe lach der douaniers, die daar komiezen heten, om mijn zo duidelijk voedzame en omvangrijke boezem. Alles en iedereen smokkelde, veel of een beetje, stom of slim. (…) Het was een algemeen erkende bijverdienste en urenlang heb ik in de zwijgende doodse winters geluisterd naar heroïsche verhalen over gevaarlijke tochten, uren in greppels liggen, achtervolgingen door groenjassen en nog net op tijd de schuilplaats bereiken. Want gepakt worden was geen eer, dus daar werd zelden over gesproken. Toch heb ik een trukje uitgevonden, dat altijd gewerkt heeft en dat nu met al dat beneluxgepraat en euromarktverband wel mag verteld worden. Nog een verhaaltje erbij. Het was bovendien een erg kleine smokkelzonde, niet eens een kraaienpoot waard. Je moest er wel lange dikke vlechten voor hebben. Dan kocht je een paar geurige, zware sigaren. Bruine juweeltjes. De haren los, sigaartje erin, zorgvuldig vlechten. En met een onschuldig gezicht de slagbomen passeren. Het was zelfs niet nodig een paadje te zoeken.” En terwijl u voorbijfietste, zong u onbeschaamd het beroemde lied Hij was een smokkelaar, die diep in de nacht…. De amazone met het blauwe voorhoofd is een blij boek, het lijkt alsof u intens gelukkig bent om eindelijk een roman te schrijven, en deze passage maakt mij ook blij: ik heb niet gesmokkeld, zelfs geen sigaren voor mijn grootvader, maar net als u  heb ik urenlang smokkelverhalen beluisterd. Kraaienpoten en Amerikaanse sleeën en smokkelprins Hemelsoet. Ja, hij heette echt zo. Inmiddels is roken nagenoeg verboden, boter is na een lange ballingschap aan een comeback in de keukens bezig, de compacte Benelux is de Europese Unie geworden en de wereld lijkt dikwijls genoeg op een haast onbegrijpelijke manier veranderd en versomberd.”

Tak en ader

Branch and veinMaandagochtend na de bizarre Brexit levert de postbode een dichtbundel bij me af: de eersteling van een jonge Britse schrijfster, Rosalind Jana, wier blog, Clothes, Cameras and Coffee, ik al enkele jaren met groot genoegen volg. Ik verheug me erop om me de volgende dagen in haar gedichten te verdiepen. De eerste bladzijden waarborgen al, denk ik, dat me mooie uren te wachten staan. Branch and vein is een uitgave van de kleine, avontuurlijke New River Press.

De stickers zijn een cadeautje van de uitgevers. En wanneer ik zo links en rechts iets lees over de Britse variant van het kapitalisme, dan zijn ze me nu al dierbaar.

I.M.

Gisteren stierf mijn tante.
Wanneer ik haar de afgelopen weken bezocht, eerst in Gasthuisberg en daarna op de afdeling palliatieve zorgen in Turnhout, was ik telkens verbluft door haar moed. We haalden herinneringen op aan de bloemen in de tuin en veranda van mijn grootmoeder (o, donkerrode dahlia’s met witte tippen, en genoffels) en ze leerde me nog de naam van enkele kleine paarse bloemen in het boeket dat ik had meegebracht: “tuiltjes”. Ze vertelde over de donkere gedachten die haar ’s nachts bekropen en hoe ze die overwon: “Nee, ik ben er nog te graag.” Ik heb wel eens gelezen over de moed van de stoïcijnse filosofen in het aanschijn van de dood, maar ik vind dat zij die heren evenaarde. Wat een geschenk is zo’n voorbeeld. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik van iedereen stoïcijnse moed op het sterfbed verlang. Ik weet bijvoorbeeld niet eens of ik die zelf zal kunnen opbrengen.

Nu zie ik haar voor me, zoals ze lachte op verjaardagsfeestjes, in haar zwierige kleding, met haar mooie tuin van buxus en witte rozen.

Bulkboek

harten

Ik graaf in mijn herinneringen naar de Bulkboeken die we lazen op de middelbare school. Enkele waren onvergetelijk. Monika van Paemel. Jan Siebelink. En na enig zoeken vind ik schrijver en titel terug van een boek waaruit menige scène me helder voor de geest staat. Over Nazi-Duitsland en de clandestiene, vervolgde herenliefde. Zulke thema’s waren blijkbaar probleemloos mogelijk in een instituut van de zusters Ursulinen. Jaap Harten, De getatoeëerde Lorelei. Online, een paar fragmenten. “Von Losch stond even stil bij een waterplek en observeerde de kikkerdrillen, die snelle bewegingen maakten. Frühlings Erwachen. De natuur ging zijn gang; de voorjaarslucht werkte op Von Losch als een lyrische mattenklopper. ”

En kijk, die lyrische mattenklopper bewijst me nu dat ik me toen niet vergiste.