Mary Shelley met viooltjes

Portret van Mary Shelley (1797-1851)

Op 30 augustus verjaarde Mary Shelley, de filosofische bedenkster van Frankenstein en zijn monster (u raadt het, ik ben hopeloos met verjaardagen). Een vrouw aan wie we met zijn allen verrassend vitaal cultureel erfgoed danken. Zoals altijd is het boek anders en beter dan de films. Hier vindt u prachtig materiaal over de schrijfster, haar ouders en haar man, Percy Bysshe Shelley. Een schakingsdagboek, manuscripten van meesterwerken en brieven, haarlokken in een medaillon, een reisnécessaire – de romantiek in kort bestek.

De geheimen van Moonacre

Maria Merryweather en Serena, de haas

Niemand schrijft een gelukkig einde voor een verhaal zoals Elizabeth Goudge dat doet, besloot ik gisteravond beduusd, in het besef dat ik iets bijzonders had beleefd. Niemand.

En nu? Op zoek naar een mooie oude uitgave, een eerste druk misschien, voorzien van een landkaartje? Meer boeken van Elizabeth Goudge bestellen, haar autobiografie?  Een DVD van de film opsporen, The Secret of Moonacre (Gabor Csupo, 2008)? Daarin vertolkt de lieflijke Dakota Richards de jeugdige hoofdrol en spelen Ioan Gruffudd en Natascha McElhone mee, twee van mijn favoriete acteurs, mensen die op een interessante manier mooi zijn – hoewel Ioan Gruffudd misschien te mooi is voor de rol van Sir Benjamin.

Na dertig jaar heb ik The Little White Horse eindelijk kunnen uitlezen. Opnieuw betrad ik de onvergetelijke torenkamer met Maria Merryweather. De beschrijving laat ik u zelf ontdekken, maar Maria’s reactie is ook de moeite waard. “It was all perfect. It was the room Maria would have designed for herself if she had had the knowledge and the skill. For she realized that very much skill and knowledge had gone to the making of this room. Fine craftsmen had carved the moon and the stars and fashioned the furniture, and an exquisite needlewoman had made the patchwork quilt and embroidered the curtains.

This way and that she stepped, putting her pelisse and bonnet and muff away in one of the chests, smoothing her hair before the mirror, washing her hands in the water that she poured out of the little silver ewer into the silver basin, touching all the beautiful things with the tips of her fingers, saying thank you in her heart to the people who had made them, and whoever it was who had arranged them.”

Moet dit boek niet opnieuw in het Nederlands vertaald worden? En, zo leren mij de interwebben, het model voor Moonacre was Compton Castle in Devon, waar ergens een torenkamer moet zijn die net als Maria’s kamer langs de ene kant uitkijkt op een zeventiende-eeuwse rozentuin vol liefdesknopen.

Gouden eeuw

Clara Peeters, Zelfportret met vanitasmotief, Rafael Valls Gallery, Londen

Zaterdag spraken we over burgemeester Rockox op een congres over de Gouden Eeuw in Gent. Is de Gouden Eeuw een strikt Noord-Nederlands begrip of kan men in de zeventiende eeuw ook spreken van een Gouden Eeuw voor de  provincies van het Zuiden? Kunsthistorici zullen geneigd zijn “ja” te antwoorden: nooit genoten lokale kunstenaars tijdens hun leven zoveel roem als Rubens en Van Dyck, nooit bouwden er in hun voetsporen zoveel schilders en beeldhouwers een bloeiende internationale loopbaan uit. En men zou, zeker voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, nog andere gunstige factoren kunnen aanhalen.

Het deed me nadenken over dat hele begrip, Gouden Eeuw. Wat definieert een gouden eeuw eigenlijk? Leven wij, die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgegroeid in vrede, welvaart en democratisering, in een Gouden Eeuw? Of beleven we veeleer een periode die vergelijkbaar is met die van de volksverhuizingen, aan het einde van het Romeinse Rijk? Zal de slordig in elkaar geknutselde Europese Unie als een reus op lemen voeten instorten, net zoals het ongeziene wereldrijk van de Habsburgers in de zestiende eeuw scheurde?

De mooiste beschrijving van een gouden tijdperk vind ik nog steeds die van de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon. Zijn toetssteen lijkt niet op de eerste plaats een welig tierende economie, maar de algemene graad van beschaving. In deze dagen, waarin alles om economische hysterie draait, is het belangrijk om dat voor ogen te houden. “In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht. De zachte maar machtige invloed van wetten en zeden had geleidelijk een eenheid tussen de provincies bewerkstelligd. Hun vreedzame inwoners genoten van en misbruikten de voordelen van rijkdom en weelde. De illusie van een vrije grondwet werd met zedige eerbied in stand gehouden: de Romeinse senaat leek de soevereine macht te bezitten, en droeg aan de keizers al de uitvoerende macht over. Gedurende een gelukkige periode van meer dan negen decennia (98-190) werd het gezag toevertrouwd aan de bekwaamheden van Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius…”

Het witte paardje

Lang verwacht

Lang geleden ging ik op een woensdagnamiddag spelen bij een vriendinnetje. Zij had net nieuwe boeken uit de bibliotheek gehaald, ik neusde daarin en werd zo gegrepen door één boek dat ik meteen het eerste hoofdstuk uitlas. Een weesmeisje reist naar het kasteel van een verre oom op het platteland en ziet vanuit de koets een wit paardje in de verte. In het kasteel krijgt ze een torenkamer toegewezen, waarvan de blauwe zoldering met sterren beschilderd is. Jaren heb ik de herinnering aan dat hoofdstuk en die torenkamer gekoesterd en me afgevraagd hoe het verder zou zijn gelopen. Schrijver noch titel van het verhaal kende ik. Onlangs tikte ik “Wit paardje” in bij Google en zag het sinds decennia verbeide antwoord op mijn scherm verschijnen. Het boek dat me betoverde kon bijna niet anders zijn dan The Little White Horse, uit 1946, van Elizabeth Goudge. Ik snelde naar de kleine, onafhankelijke boekhandel en bestelde een Puffin-editie. Nu, twee weken later, ligt de lang-, langverwachte pocket naast me, grijpensklaar voor de eerste vrije uren. Maar uiteraard heb ik al geneusd. En op de eerste bladzijde van hoofdstuk 1 vond ik dit: “Humanity can be roughly divided into three sorts of people – those who find comfort in literature, those who find comfort in personal adornment, and those who find comfort in food.” Dankzij Elizabeth Goudge besef ik meteen dat ik geluk heb: ik vind zowaar troost in alle drie.

Cyllarus?

Ook Cyllarus zou sterven in de strijd ondanks zijn charmes – / als wij van charme kunnen spreken bij ’n Centaurenlijf. / Hij had pas kort een baard, goudblond van kleur, en van zijn schouders / hing zijn al even goudblond haar tot op zijn flanken neer. / Er straalde goede kracht uit zijn gelaat: nek, schouders, handen / en bovenlijf, alles wat mens was leek op beeldhouwwerk / van veelgeprezen kunstenaars: maar ook zijn paardgedeelte / was als volmaakt, niet minder dan het mensendeel…

En dan was er ook nog zijn mooie merriemeisje, Hylonome.

Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M. D’Hane-Scheltema, Amsterdam, 1999, p. 307 (XII 393-401).

Via How To Be A Retronaut, een creatie van Skulls Unlimited.

Strijdlust

Uccello, Portret van John Hawkwood, Florence, Dom

“En de krijgers zegden: ‘Laten we welgemoed naar die Lombarden rijden: we hebben een goede reden om te vechten en een rechtvaardige, goede aanvoerder, onze oorlog zal er meer waard door zijn en des te mooier van worden. En we gaan ook naar het rijkste land ter wereld, want Lombardije ontvangt langs alle kanten de rijkdommen van deze wereld. De Lombarden zijn van nature rijk en laf; wij zullen daar profijt uit halen. Ieder van ons die kapitein is zal zo rijk terugkomen dat wij nooit meer zullen hoeven te vechten.’ Zo spraken de krijgers met elkaar; en toen ze vette weiden vonden, bleven ze daar een tijd, om zichzelf en hun paarden beter te helpen.”

Dit soort opgewekte strijdlust vindt men misschien alleen nog in middeleeuwse geschriften. Mafia-“eer” of gang culture vervangen haar niet.

De bladzijden van mijn Froissart brengen me onverwachte ontmoetingen: nu kom ik plotseling weer John Hawkwood tegen, alias Giovanni Acuto, de beruchte militieleider, aan kunsthistorici bekend door zijn geschilderde ruiterportret in de Dom van Florence. Hij wilde een bronzen ruiterstandbeeld, maar de Florentijnen hebben zich er na zijn dood vanaf gemaakt met een versie in verf, weliswaar in hun mooiste kerk, weliswaar van de hand van meester Uccello. Bestaat er nog een andere band tussen Hawkwood en mij? Wel, we leven allebei free-lance: het woord werd eerst gebruikt voor krijgers die zich in de Honderdjarige Oorlog nu eens ten dienste stelden van de ene, dan weer van de andere.

De vriendelijke waard van het stationsbuffet in Lier keek over mijn schouder naar wat ik las. “Ik dacht dat het de Bijbel was, ” lachte hij. Inderdaad, zo’n Pléiade-uitgave wordt op gelijkaardig papier gedrukt.