Pastorale

A. van Dyck, P. de Jode, Geneviève d'Urfé, 1645
A. van Dyck, P. de Jode, Geneviève d’Urfé, 1645

Welaan dan. Ik ontdek een schitterend boek uit 1910, geschreven door een zekere kanunnik Reure. Een biografie van Honoré d’Urfé, de zeventiende-eeuwse Franse schrijver van de roman L’Astrée. Honoré d’Urfé was bovendien, zo blijkt uit Reures stamboomonderzoek, de oom van Geneviève d’Urfé, aan lezers van deze blog al enigszins bekend door een moordzaak.

En het geluk lacht me toe. Eric Rohmer heeft L’Astrée verfilmd. Eindelijk nog eens een film op mijn verlanglijstje. Een regisseur die de originaliteit heeft om een zeventiende-eeuws boek als inspiratiebron te kiezen, beneemt me haast de adem. Stel je voor dat een Nederlandse regisseur een stuk van tijdgenoot Vondel zou gaan verfilmen.

astree

Herders, herderinnen en nimfen die over platonische liefde praten in een sprookjesachtig oud Gallië. Het klinkt plotseling zo fris en nieuw. Alle andere invalshoeken hebben we immers al gehad.

En mijn associatieve woordenlijst groeit. Pastural, peinture, peintural, pastorale.

Moord in Brussel

A. van Dyck, P. de Jode, Geneviève d'Urfé, 1645
A. van Dyck, P. de Jode, Geneviève d’Urfé, 1645

Dit is ze dan, Geneviève d’Urfé, de vrouw om wie alles hoogstwaarschijnlijk draaide in de geruchtmakende moord op haar echtgenoot, hertog Charles-Alexander van Croy. Hij werd neergeschoten in zijn stadswoning op de avond van de negende november 1624 en vier dagen later begraven in de Kapellekerk. Ik verheug me erop om morgen de verschillende locaties van het gerechtelijk onderzoek te verkennen, de Ursulinenstraat waar het stadspaleis van de Croys stond, de Hoogstraat, de Sint-Annastraat bij de Zavel.

Sielen

Een citaat uit het kasboek van Waltman Van Dyck, al eerder op deze blog aangehaald:

“In Januario 1650 ontfanghen van myne suster Susanna Van Dyck beggyntien tot Antwerpen de somme van ses hondert en vyftich guldens tot eene almoesse ende dat voor onse ouders ende onse suster Cornelia Van Dyck oock beggyntien in haeren leven, als mede onsen Broeder Anthonio Van Dyck, sielen, op dat de selve deelachtich soude mogen wesen vande H.H. Sacrificien ende gebeden die in dat capelleken sullen geschieden in alle toecomende tyden.” Wie in deze afgelegen kapel een kaars zou branden, herdenkt dus meester Antoon Van Dyck. Kunsthistorische pietas.

Foto via Erfgoedbank Hoogstraten; cfr. L. Huet, Een barok kleinood op een Kempense akker, in Vreemd gebouwd. Westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur, o.l.v. S. Grieten, Brepols, Turnhout, 2002.

Het zijn best mooie feesten voor historici, Allerheiligen en Allerzielen. Feestdagen instellen voor verbondenheid met markante en onopvallende mensen uit het verleden, dat is eigenlijk de historische praxis algemeen denkbaar maken. De rest – de foto’s van grootouders op de schouw en de biografieën van Marie-Antoinette op mijn boekenrek – vloeit eruit voort.

En wat staat daar op die postkaart? “Lieve Papa en Mama, ik ben goed gezond en zijn hier gaarne…” Een glimlach.

Detail

Cherubijn, kapel, Minderhout
Cherubijn, kapel, Minderhout
De kapel van Minderhout behoort sinds jaar en dag tot mijn favoriete gebouwen, te meer omdat ze opgetrokken werd dankzij Waltman Van Dyck, de jongste broer van Antoon. Het voordeel van dat soort genegenheid is, dat je bij elk bezoek nieuwe details waardeert. Deze mollige zeventiende-eeuwse cherubijn met kuiltjes boven de vingers en in de elleboog wist vandaag te charmeren.

Museum

Bloemen en vruchten in het koor van Sint-Paulus
Koor en orgel

Het was de moeite waard om me door een sneeuwstorm naar Antwerpen te spoeden. Deuren zwaaiden open en ik kon ongestoord rondwandelen in een van de mooiste musea van de stad: de Sint-Pauluskerk. Bezongen door Max Elskamp, beschreven door Maurice Gilliams. Een Rubens, een Van Dyck en een Jordaens in de opstelling van vierhonderd jaar geleden. Een paradijs voor beeldhouwwerk. Schitterende akoestiek (toen ik mijn neus snoot, leek dat mijlenver te horen.) Ooit een brandpunt van volksdevotie, met al die visuele nadruk op de rozenkrans: één madonnabeeldje zou in de achttiende eeuw zelfs een met bloed ondertekende verkoopakte – ziel aan duivel – hebben terugbezorgd aan de verkoopster, meende ik uit de opschriften te ontcijferen.

De zeven werken van de crisistijd
De zeven werken van de crisistijd
Prior Ophovius en de mooie Madonna, Hans Van Mildert
Prior Ophovius en de mooie Madonna, Hans Van Mildert

Is dit nu dood en nietszeggend erfgoed? Die gedachte wekt spijt bij me op.

Lieve legenden

Antoon Van Dyck, Sint-Maarten, parochiekerk Zaventem
Antoon Van Dyck, Sint-Maarten, parochiekerk Zaventem

Het is goed wandelen door Brabant en Vlaanderen met het reisgidsje van de schilder G.P. Mensaert in de hand. Hij noteerde in 1763 enkele verhalen die in Antwerpen de ronde deden over Antoon Van Dyck. “De geschiedenis verhaalt, hoe de schilder halt hield in Zaventem, op twee mijl van Brussel, waar een jong meisje van grote schoonheid woonde, Anna van Ophem, die de honden van de Infante Isabella verzorgde. Hij werd dolverliefd en schilderde tijdens zijn verblijf in deze parochie twee schilderijen voor de plaatselijke kerk, te weten, dat van het hoofdaltaar, met een voorstelling van de Heilige Familie, waarin hij zijn geliefde portretteerde als de H. Maagd. Dit schilderij werd meegenomen door Franse verkenners, in de tijd van de oorlog in dit land; zij zouden er zelfs haverzakken van hebben gemaakt. Het andere schilderij, rechts van het koor, stelt Sint-Maarten te paard voor, terwijl hij een stuk van zijn mantel afsnijdt om aan de armen te geven. […] Rubens vernam dat zijn leerling zich in dit oord vermeide en liet hem zeggen dat als hij zijn reis nog langer uitstelde, hij hem zou komen leren hoe men zijn plicht moet doen. Daarom haastte hij zich voort naar Italië, toen deze twee schilderijen amper droog waren.”
Zoveel romantiek, de schilder die zijn liefde al schilderend laat blijken, het meisje met de honden van de aartshertogin! De hele idee van het bestaan van Anna van Ophem hebben kunsthistorici intussen terzijde geschoven, maar Van Dycks schitterende Sint-Maarten hangt gelukkig en wonderwel nog steeds in Zaventem.

G. P. Mensaert, Le peintre amateur et curieux, ou description générale des tableaux des plus habiles maîtres, qui font l’ ornement des églises, couvents, abbayes, prieurés et cabinets particuliers dans l’ étendue des Pays-Bas autrichiens, deel 1, Brussel, 1763, p. 195-196.

Rubensfeest

Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)
Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)

Wannes Van de Velde schreef een prachtig lied over het standbeeld van Pieter Paul Rubens op de Groenplaats. In 1840, toen men besloten had om het standbeeld op te richten, ontstond er een conflict tussen het stadsbestuur en de Belgische regering over de plaats waar dat moest gebeuren. Bovendien liep de bronzen versie vertraging op en moest men zich tijdens de Rubensfeesten van augustus 1840 tevreden stellen met een gipsen replica, bronskleurig beschilderd, op het Burchtplein, aan de Schelde, buiten de stadsmuren. Uiteindelijk zou het tot 1843 duren vooraleer de 7000 kilo zware Rubens van massief brons zijn bestemming vond op de Groenplaats. Deze verwikkelingen gaven aanleiding tot heel wat satirische liederen. Zo is er De klacht van P. P. Rubens over het plaatsen van zijn beeld buiten de wallen van Antwerpen:

Hier stond voorheen het beeld eens reus
de plaag, de schrik van allen,
Daar hij noch heiden, Turk of Geus
was, stond hij uit haar wallen
Maar mij, een minnaar van ’t penseel
en Roomsch gelijk een Pater,
Waarom valt mij dees plaats ten deel
hier buiten stad aan ’t water?
Signoor ge zijt me zeker moe
en wenscht dat ik vertrekke
Wellicht voor u een reisje doe
om eilanden te ontdekken…
Daar sta ik nu met ’t hoofd ontbloot
in storm en wintervlagen,
de hand vooruit alsof ik brood
of aalmoes wilde vragen …

De blootshoofdse Rubens bleef de Antwerpenaren dwarszitten, want bij de inhuldiging van het bronzen beeld circuleerde reeds het Beklag over het zoogezegd beeld van Rubens:

Rubens van zijnen hoed beroofd
en gesierd met eenen degen!

Ik ken dien man niet, zegt van Dyck…

Wien verbeeldt die Spaansche held
dien men daar nu heeft verheven,
vraagt Jordaens…

Schande! ’t Edele palet
onder zijnen voet gestooten
en zijn hoed er bij gezet
om de kunst geheel te ontblooten. [….]

Gresham staat met bedekt hoofd
in ’t vermaard en konstrijk Londen
Rubens van zijnen hoed beroofd
heeft men den Signoors gezonden.

(Geciteerd in Floris Prims’ Antwerpiensia, 1927).