Rode veeg

Antoon Van Dyck, Portret van burgemeester Rockox, 1621 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Ziet u die rode veeg, boven de linkerhand van de burgemeester? Die okerkleurige stip, op de schouder van de kleine bronzen Herculesbuste? Antoon Van Dyck nam een penseel en zette een rode lijn boven de hand van zijn opdrachtgever, hij nam een ander penseel en trok een lichte streep over de neus van de Jupiterkop, toetste een enkele vlek op de bronzen schouder, om achteloos het licht te vangen. Sprezzatura. We zagen de schilder aan het werk, alsof hij net nog in de kamer was geweest. Het leverde een bijzonder moment op, de burgemeester ontmoeten in Amsterdam. Het portret bleek ‘in het echt’ veel sterker dan foto’s laten vermoeden. Misschien heeft de schilder niet de kans gehad om het helemaal af te werken. Nicolaas Rockox keek ons streng aan, ook al zijn we z’n biografen. Hij zag er intelligent uit, en vastberaden. Charmant, die ongetemde, wat warrige lok op zijn kruin.

‘Rubens, van Dyck en Jordaens’, tot 16 maart 2012 in Hermitage, Amsterdam.

Antoon en Nicolaas

Nicolaas Rockox © State Hermitage Museum, St Petersburg

“Vanaf de toren van het Hansahuis schouwde hij in ontmoedigde ogenblikken over de nabije Schelde. Als hij moe was gekeken daalde hij de trap af, ging langs de centrale galerij naar zijn kamers, waar langs de wanden de Tiziano-kopijen en eigen taferelen droomden. Gravuren en schetsen volmaakten het geheel. Zijn ezels, schildersgereedschap, enkele amarant fluwelen zetels en een paar fraaie kasten vormden het meubilair. Deze kasten zijn hem een tweede glorie. De ene is met vierentwintig schilderijen op wit marmer versierd, de ander met verzilverd tin ingelegd.

Hier schilderde hij met veel liefde het portret van Nicolas Rockox, de burgervader der stad en vriend van Rubens. De burgemeester liet zich portretteren met zijn bekoorlijke jonge nicht en haar zoontje, de kleine Adriaan Rockox.

Lucas Vorsterman en Paul Pontius beloofden van dit tafereel een gravure te maken. Anton herinnerde zich met onbehagen de verbetenheid zijner vrienden bij deze belofte. Ze meenden het goed met hem maar konden het niet altijd tegen de duistere machinaties der vijanden bolwerken. Jordaens vergat niet en ontwapende nooit. Zelfs de vriendelijke en hoge bescherming van Rubens kon de lasteraars niet tot zwijgen brengen. Wat kon in hun ogen de te elegante kunstbroeder?

Wanneer het tafereel der Rockox, de eerste kunstminnaars tot loftuitingen had gedwongen om de vrijmoedige opvatting en de verrassende afwerking, dan vonden de afbrekers er niets anders op dan Anton te vragen of het kasteel dat erop voorkwam zijn eigendom was. Op de achtergrond had Anton het Hansahuis geschilderd.”

Aldus de Boomse schrijver Ludo Van de Wijgaert in zijn roman over Anton Van Dyck, Die Cierlycke (1949). Aardige lectuur voor een kunsthistoricus, blijkbaar ook in zijn eigen tijd gewaardeerd, want nog in 1962 uitgebracht in een pocketuitgave. Maar waar zijn de bekoorlijke nicht en haar zoontje, zult u zeggen? Ah, een mooi mysterie, een lang verhaal.

Waltmans kapel

Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Weeën, Minderhout

“In Januario 1650 ontfanghen van myne suster Susanna Van Dyck beggyntien tot Antwerpen de somme van ses hondert en vyftich guldens tot eene almoesse ende dat voor onse ouders ende onse suster Cornelia Van Dyck oock beggyntien in haeren leven, als mede onsen Broeder Anthonio Van Dyck, sielen, op dat de selve deelachtich soude mogen wesen vande H.H. Sacrificien ende gebeden die in dat capelleken sullen geschieden in alle toecomende tyden.”
Wie in deze afgelegen kapel een kaars zou branden, herdenkt dus meester Antoon Van Dyck. Kunsthistorische pietas.

Foto via Erfgoedbank Hoogstraten; cfr. L. Huet, Een barok kleinood op een Kempense akker, in Vreemd gebouwd. Westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur, o.l.v. S. Grieten, Brepols, Turnhout, 2002.

Minderhout

De Sint-Clemenskerk, barok hersteld

Vele zaterdagen vergezelde ik mijn grootmoeder naar de mis in de Sint-Clemenskerk van Minderhout. We zaten meestal op dezelfde plaats, links onder de statie “Jezus valt voor de derde maal onder het kruis”, en ik verveelde me stierlijk. De collecte ontlokte me een zucht van opluchting – de beproeving was weer bijna achter de rug. Gelukkig viel er in de Sint-Clemenskerk voor een nieuwsgierig kind veel te bekijken: een barokke preekstoel, beelden, en de wonderlijke herdenkingsplaten van de achttiende-eeuwse geestelijken Hieronymus van Diependael en Nicolaas Tasse, de ene wit met zwarte letters, de andere zwart met wit opschrift, beide gesierd met portretten en zwierige trompe l’oeil draperieën van marmer.
Later ontdekte ik dat de jongste broer van Antoon Van Dyck, Waltman, hier pastoor was geweest. Hij werd benoemd in 1640 en stelde met eigen ogen vast dat de Tachtigjarige Oorlog een zware tol had geëist in zijn parochie. De Sint-Clemenskerk was “meer gelyck aen een vuyl packhuys van alderhande meubelen, kisten, schapprayen, graen-corven, backen als aen een huys Godts, van beneden tot boven aen ’t welfsel met vuyle ontallycke solderkens afgeslaghen, daer elck huysgesin soo van Castel, als van Minderhout by naer hunne eygen solder in hadden, die sy met sloten en grendels afsloten. De vensters ronthom toegemetst, colommen, ende ysere latten daer vuyt, hier en daer maer een clein gaetien hebbende om licht te scheppen, de welfsels seer gebroken, de vloiren gebroken, alleen de Choor vry en eenen authaer die aldaer stont simpel en slecht…” Er was werk aan de winkel.
Waltman restaureerde de kerk. Hij bestelde kandelaars, koorgewaden, een nieuw schilderij voor het hoofdaltaar, een nieuwe klok. In 1650 besloot hij ook de landelijke kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven-Weeën op te knappen. Deze Antwerpse norbertijn met mondaine connecties (onder de hoede van zijn beroemde broer was hij in Londen een tijdlang kapelaan geweest van de katholieke koningin Henrietta Maria) heeft het uitzicht van Minderhout mee bepaald. En bijgevolg ook mijn herinneringen. Ik putte uit Waltmans archiefstukken voor een artikel over de kapel, ik schreef over Minderhout, Waltman en mijn grootouders in De kunstkamer en Mijn België. En af en toe moet ik gewoon ter plaatse gaan kijken of alles er nog staat.

(Afbeelding via Erfgoedbank Hoogstraten)