Malpertuis

Jan en Nancy

“Wat hebben die Vlaamse filmmakers toch met bordelen?” vroeg J. zich geërgerd af bij de aanblik van enkele rommelige scènes uit Malpertuis. “Dat ze eens een paar keer goed naar de hoeren gaan in plaats van eindeloos provincialistisch over bordelen te blijven dooremmeren!” Ik kon hem slechts gelijk geven, hoewel een kabberdoes waarin men tegelijkertijd Sylvie Vartan, Johnny Hallyday en Matthieu Carrière aantreft bijzonder zou zijn. De acteurs kostten veel, voor het decor bleef er weinig anders over dan knutselwerk, wat  rollen fluweel en en een paar brocantestukken: Harry Kümel droomt als Luchino Visconti, maar beschikt niet over diens financiën.

En toch. Een Vlaamse film met Orson Welles, de door mij als kind aanbeden Susan Hampshire (in maar liefst drie rollen), de hoger genoemde Franse variété-artiesten en revelatie Matthieu Carrière – doe het maar na. Gebaseerd bovendien op een van mijn Belgische lievelingsboeken, door John Flanders/Jean Ray. Natuurlijk is het magisch-realisme de kunststroming van de flauwe oplossingen en slaat het hele verhaal nergens op, maar niemand schiep ooit sfeer, Belgische sfeer, als Jean Ray in zijn Malpertuis. Een oud, vervallen herenhuis in een vervallen Vlaamse stad; lepe, hebzuchtige petits-bourgeois in hun salonnetje, bij hun kasboek; heerlijke wafels, recht uit het wafelijzer, en dampende, sterke koffie in de keuken: Kümel evoceert ze allemaal. Om de waarheid te zeggen had ik nooit eerder van hoofdrolspeler Matthieu Carrière gehoord, maar nu verdedig ik van harte de stelling dat hij de vergelijking met om het even welke Visconti-efebe moeiteloos kan doorstaan.

Ja, ondanks de traagheid, de bizarre dubbing, de geaffecteerde acteursprestaties en de talrijke ongewild komische momenten ben ik tevreden dat  Kümels Malpertuis eindelijk mijn leven kruiste, op de valreep van 2011 – ik verlangde er al naar deze film te zien sinds ik in 2004 over Jean Ray schreef in Mijn België.

Gesprokkeld

Nieuws

Terloopse zinnetjes uit de krant.
“Mensen met een fysieke of mentale handicap moeten heel wat drempels overwinnen om zich als consument in de maatschappij te bewegen. ” (En als burger?)
“Ook na hun vijftigste zijn werknemers in staat om bij te leren.” (Gelukkig, anders was het louter verloren tijd en weggesmeten geld geweest, al die meesterlijke romans van vierentachtigjarigen  en sculpturen door negentigers die ik heb bewonderd.)

Aardbeizaadje

Vladimir Nabokov

“Nabokov kon ons wel op het hart drukken dat wat hem hinderde in het leven, een in zijn tand bekneld aardbeizaadje  was, […] wij hadden sinds lang geraden wat er in werkelijkheid aan hem knaagde en zijn creativiteit voedde. Wij hadden geen andere bekentenissen nodig. O zweer mij dat je tot aan het einde van je weg, slechts trouw zult blijven aan je enige droom, had hij geschreven in De Gave. Zoals Baudelaire in zijn ‘Belgische hel’ en Dante in Ravenna had hij slechts één gedachte, één kwelling.”

Nina Berberova verwoordt het mysterieus, in C’est moi qui souligne. En geeft te denken. Is Bleek Vuur werkelijk geïnspireerd door Timon van Athene, het eerste stuk van Shakespeare dat ik las? En heeft de Belgische hel werkelijk zoveel literaire vrucht gedragen als Ravenna?

Verlangen naar een cowboy

Wondere wereld

“Ken je de verhalen van Lydia Davis?” zei mijn uitgeefster. “Echt, moet je lezen. Zo grappig. Soms is het ook gluren. Ze is getrouwd geweest met Paul Auster.”
Wie schetst mijn verbazing toen The Collected Stories of Lydia Davis onder de kerstboom bleek te liggen? En nu lees ik, lees ik, lees ik.

Lydia Davis noemt haar ultrakorte verhalen terecht ook prozagedichten, maar ze beseft terdege dat zulks niet lekker klinkt. Hoe dan ook dwaal ik graag rond in haar wereld. Een wereld waarin sommige vrouwelijke hoofdpersonen Foucault lezen en aantekeningen maken terwijl hun huwelijk strandt, of hun fijnproevende en aan ouderwetse stoofschotels en gebraad verslingerde echtgenoot voortdurend tofu-variaties voorzetten.

“Een paar jaar geleden hield ik mezelf voor dat ik met een cowboy wilde trouwen. Waarom zou ik ook niet – ik leefde alleen, opgewonden door het bruine landschap, en af en toe zag ik een cowboy in een vrachtwagen in mijn achteruitkijkspiegel wanneer ik over de brede autostrades van de Westkust reed? Eigenlijk, zo besef ik, zou ik nog altijd graag met een cowboy trouwen, hoewel ik nu in het oosten woon en al getrouwd ben met iemand die geen cowboy is.

Maar wat zou een cowboy in mij kunnen zien – een professor Engels, de dochter van een andere professor Engels, niet erg gemoedelijk? Als ik een glas of twee heb gedronken, word ik wat gemoedelijker, maar ik spreek nog steeds correct en weet niet hoe ik grappen moet vertellen tegen mensen tenzij ik hen goed ken, en dan zijn het dikwijls universiteitsmensen of mensen die bij hen wonen, die ook correct spreken. Hoewel ze me niet storen, voel ik me afgesneden van alle andere mensen in dit land – om slechts dit land te noemen.”

(The Professor, provisorisch vertaald door mij)

Journaal

Zo gehoord in het VRT-journaal: “Er zijn geen klachten binnengekomen. Het parket roept mensen op om te getuigen, ook als de misdrijven verjaard zijn.”
Behoort dit nog tot de geplogenheden van een rechtsstaat?

Toevallig hoorde ik het verhaal van een jongen die jarenlang door zijn moeder werd verwaarloosd, onder het lijdzame oog – scherper gesteld, het schuldig verzuim – van alle gerechtelijke en sociale instanties. Moe getergd pleegde hij enkele dagen na zijn achttiende verjaardag zelfmoord. Misschien had hij aan die instanties moeten vertellen dat hij door een geestelijke was aangerand?

Menu

Kerstmis in Alaska

“De kunstenaar, zijn zoon en de oude man verlichten de duisternis van de winter met een boom vol kaarsen, ze versieren de blokhut met slingers van sparrentakken en dollekervel, brengen zelf gemaakte en geïmproviseerde geschenken en bereiden een kerstmaal dat ze aankondigen met zelf gedrukte menu’s.”

Rockwell Kent, A Northern Christmas, Wesleyan University Press, Hanover-Londen, 1998.