Oogst

Gek, wanneer de oogst van de dag wat beelden en citaten uit een blog blijken te zijn. Andrew Butterfield (Dries Boterveld) bespreekt een paar tekeningen en prenten van Albrecht Dürer. Ik onthoud: de kunstenaar geloofde dat de mens onherroepelijk slecht, zondig en gebrekkig was, zoals zijn werk aantoont. (Het herinnert me ook aan de uitspraak van de wereldwijze Maximilien Morillon in het heetst van de godsdienstoorlog: gereformeerden waren zonder uitzondering “zwartgallige types”, op zoek naar een minder optimistische godsdienst dan het oude katholicisme.) Dürer erkende drie manieren om het innerlijke kwaad te overstijgen.
The third was to work without ceasing. Never stop. The counsel of despair was Satanic and it was everywhere. The resolute warrior in the engraving Knight, Death and Devil rides forward despite the demons at his side taunting him and telling him to give up and give in. Work was a form of prayer and art was a form of praise. Dürer wrote, “[Painting] is useful because God is thereby honored.” But if you ever stopped, you would lose your way and fall into error, like the idle genius in Melencolia I. To quote Staupitz once more, “The first sign of true faith is the battle against the demons.”

The men Dürer admired and whom he depicted at peace are almost all shown in their studios at work at their desks in acts of contemplation and learning. It is remarkable that both possibly the first independent print he ever made, a woodcut of Saint Jerome in 1492, and possibly the last, an engraving of Erasmus in 1526, depict such a scene. Neither image is in the show, but it does feature the most beautiful of all his attempts to imagine this vision of blessedness, the 1514 engraving of Saint Jerome in His Study. Bathed in warm light streaming through the large windows of his room, mindful of death yet unafraid, the saint concentrates with absolute attention on his writing. It is a picture of human good and human happiness. This was the ideal, the one Dürer sought and emulated in his own life.

The counsel of despair was Satanic and it was everywhere. Ware woorden.
En zo komen we via Dürer toch weer bij Sint-Hiëronymus uit, patroonheilige van de humanisten, van Erasmus, van de boekenliefhebbers.

20130520-butterfield6_jpg_470x950_q85

Morillon, geciteerd in Huet & Grieten, Rockox. Burgemeester van de gouden eeuw, Antwerpen, 2010, p. 78.

Portret van de mens

Hans Holbein d.J., Schets van Erasmus' handen, Parijs, Louvre
Hans Holbein d.J., Schets van Erasmus’ handen, Parijs, Louvre

Erasmus van Rotterdam is niet zomaar te vatten. Wie zijn teksten leest, voelt dat hij gezegend was met een enorme leergierigheid, een fabuleus geheugen, een bijzondere intelligentie. Soms klinkt hij echter ook schril en een tikje betweterig, als de oervader van alle columnisten. Ik lees nog steeds de Nederlandse vertaling van zijn Spreekwoorden, een heerlijk boek voor wie interesse heeft in taal en geschiedenis, maar ook voor wie geboeid is door de persoon Erasmus. En toen stuitte ik, bij het spreekwoord De oorlog is zoet voor wie hem niet kent, op vele prachtige bladzijden waarin een gedreven Erasmus zijn kijk op de mens uiteenzet. Spoed u naar de boekhandel!

“Ik zwijg erover dat de overige schepselen haast onmiddellijk na hun geboorte in staat zijn om zichzelf te verdedigen; alleen de mens blijft lange tijd volledig afhankelijk van andermans hulp. Hij kan niet praten, lopen of eten; hij kan slechts huilen om hulp. Hieruit kunnen we dus afleiden dat de mens als enig levend wezen geheel en al geboren is voor vriendschap, die hij voornamelijk smeedt en versterkt door wederzijdse steun. De natuur heeft dus gewild dat hij het geschenk van zijn leven niet zozeer aan zichzelf te danken heeft als aan de genegenheid van anderen, opdat hij zou inzien dat men dankbaarheid en bepaalde verplichtingen van hem verwacht.
Verder schonk ze hem een uiterlijk dat niet afstotelijk of dreigend is, zoals dat van andere creaturen, maar zacht en vriendelijk, een dat liefde en sympathie uitstraalt. Hij kreeg ogen vol genegenheid, de spiegels van zijn ziel, en soepele armen die omhelzen. Ze gaf hem bovendien de kus, een ervaring die harten bijeenbrengt en doet samensmelten. Alleen de mens ontving de lach, als teken van opgewektheid, en tranen, als uiting van erbarmen en medelijden. Meer nog, hij kreeg een stem, geen woest en dreigend geluid als bij dieren, maar vriendelijk en liefelijk. Dit was echter nog niet genoeg: de natuur gunde de mens, en alleen hem, het vermogen om te spreken en te denken, een gave die meer dan wat ook kan helpen om genegenheid tot stand te brengen en te koesteren. […]
De mens werd bovendien uitgerust met leergierigheid en met drang naar kennis, wat bij uitstek geschikt is om elke vorm van barbarij in gedachten te vermijden en een bijzondere kracht heeft om vriendschappen te doen ontstaan. Want geen bloedband of andere vorm van verwantschap is in staat om mensen in een nauwere en hechtere vriendschapsrelatie te verbinden dan een gedeelde belangstelling voor studies die de moeite lonen. Bovendien kreeg hij een wonderlijke verscheidenheid aan lichamelijke en geestelijke gaven toebedeeld. Zo kan elk individu in een medemens iets ontdekken om van te houden en te waarderen omdat het zo sterk aanwezig is, of om te verlangen en na te volgen vanwege het praktische nut en de noodzaak. Ten slotte kreeg de mens nog een vonkje van Gods geest ingeplant, zodat hij ook zonder het vooruitzicht op een beloning uit zichzelf genoegen zou vinden in een verdienstelijk optreden tegen iedereen. Want juist dat is eigen aan Gods natuur, dat hij Zijn weldaden laat uitgaan naar iedereen. Wat is anders die heel bijzondere vreugde die we in ons hart voelen wanneer we begrijpen dat iemand dankzij ons is gered? Dat is precies wat een mens dierbaar maakt voor een evenmens, dat hij zich door een speciale weldaad met hem verbonden weet.”

(Mijn vijfhonderdste bericht, dat ik ouderwets zal vieren door boeuf bourguignon te bereiden en te proeven. Ik wens u, dierbare lezer, een mooie dag.)

Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia, vertaald door Jeanine De Landtsheer, Amsterdam, 2011, p. 537-539.

Iulius Exclusus

Toegang naar de Sixtijnse kapel vanuit de Sala Regia, Vaticaanstad
Toegang naar de Sixtijnse kapel vanuit de Sala Regia, Vaticaanstad

Erasmus zou volgens een Italiaanse geleerde dan toch de auteur zijn van het smaadschrift Iulius exclusus e coelis, Julius buiten de hemelpoort gehouden. Een heftige satire op paus Julius II, die in 1513 overleed. (Het boekje rolde vreemd genoeg pas in 1517 van de persen.) Zo meldt de krant vandaag. Als Michelangelo-fan ben ik Julius vaak tegengekomen in kunsthistorische teksten, Julius was immers een van Michelangelo’s belangrijkste opdrachtgevers. Aangezien beide heren onstuimig optraden, viel er altijd wel wat te beleven. Dit is mijn favoriete verhaal, over de tijd dat Michelangelo in opdracht van Julius het plafond van de Sixtijnse kapel beschilderde.

“Aangaande het vertrek van Michelangelo uit Rome is er nog een ander verhaal in omloop; de paus zou boos geworden zijn om het volgende: Michelangelo, die niemand ook maar iets van zijn werk wilde laten zien en zelfs zijn eigen mensen wantrouwde, vreesde dat de paus, zoals inderdaad meer dan eens gebeurde, zich zou verkleden en dan, als Michelangelo eens niet thuis of aan het werk was, zou zien wat hij deed; en jawel, op een keer had de paus Michelangelo’s knechten omgekocht teneinde in de kapel van zijn oom Sixtus te kunnen komen, die hij door Michelangelo liet beschilderen, zoals ik nog zal vertellen; maar de kunstenaar had zich daar verborgen, want hij verdacht zijn knechten van verraad, en toen de paus de kapel binnenkwam smeet hij met planken naar hem, zonder zich erom te bekommeren wie deze bezoeker zou kunnen zijn, en hij joeg hem halsoverkop op de vlucht. Welk van deze beide verhalen nu het juiste is, laat het genoeg zijn dat Michelangelo ruzie kreeg met de paus, vervolgens bang werd en moest maken dat hij wegkwam.”

Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, vertaald door A. Kee, gekozen en ingeleid door H. Van Veen, Amsterdam, 1998, p. 330-331.

Een boeiende blog over Michelangelo en de Sixtijnse kapel achter deze link.

Spreekwoorden

Erasmus in Rotterdam (foto Sijmen Hendriks)
Erasmus in Rotterdam (foto Sijmen Hendriks)

Wie had gedacht dat Erasmus’ Adagia zulke boeiende lectuur zouden blijken te zijn? Veel meer nog dan een spreekwoordenverzameling – al prettig op zich – is dit een bundel columns, kleine geschiedenislessen over de oudheid, humoristische anekdoten en persoonlijke beschouwingen van een sprankelende intellectueel. In de heldere en zwierige vertaling van Jeanine De Landtsheer een waar genot om te lezen.
De duistere aspecten van het leven in de oudheid worden overigens niet met de mantel der liefde bedekt, getuige daarvan de verklaring bij het spreekwoord Wie een kalf heeft gedragen, zal een stier dragen.
“Blijkbaar is dit spreekwoord in een bordeel ontstaan, maar het kan gemakkelijk op een fatsoenlijker manier worden gebruikt, indien we eronder verstaan dat wie in zijn jeugd met kleine misdrijfjes vertrouwd was, als man veel zwaarder misdaden zal begaan. In de fragmenten van Petronius Arbiter luidt het: ‘Ik stond versteld en ik verzekerde dat een jongen als Giton, de deugdzaamheid in persoon, zijn lusten niet zou kunnen bevredigen en dat het meisje niet oud genoeg was om de wet, die onderwerping vraagt van vrouwen, te aanvaarden. “Dus,” zei Quartilla, “is ze nog jonger dan ik toen ik me aan een man onderwierp? Juno, mijn beschermvrouwe, mag haar woede over me uitstorten indien ik me kan herinneren dat ik ooit maagd ben geweest. Want als peuter werd ik al misbruikt samen met mijn leeftijdgenootjes en daarna heb ik in de loop der jaren mezelf aan oudere jongens toegewijd, tot ik mijn huidige leeftijd bereikte.” Ik geloof dat hieruit het gezegde is ontstaan dat wie een kalf heeft gedragen, een stier zal dragen.’
Het is zeker niet dwaas om de uitdrukking in verband te brengen met de krachtpatserij van Milo van Croton. Hij kweekte de gewoonte om dagelijks een bepaalde afstand af te leggen met een kalf op zijn schouders; toen het tot een stier was opgegroeid kon hij die zonder problemen torsen. Het spreekwoord geldt dus voor mensen die zich geleidelijk wennen aan de moeilijkste opgaven.”

Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia, vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer, Amsterdam, 2011, p. 49-50.

Herkenbaar

Van Eyck, Sint-Hieronymus, Detroit Institute of Arts, Detroit
Van Eyck?, Sint-Hieronymus, Detroit Institute of Arts, Detroit

“Rond die tijd begon hij ook na te denken welke richting het met zijn leven uit moest en waar hij zich zou vestigen. Hij besefte immers zeer goed hoe belangrijk het is voor het geluk van een mens om zich bij het maken van een levenskeuze door zijn natuurlijke aanleg te laten leiden en deze niet van het toeval, maar van een weloverwogen beslissing te laten afhangen. Sommigen storten zich halsoverkop op een bepaalde manier van leven, nog voor ze zichzelf voldoende hebben leren kennen. Anderen worden door de dood verrast terwijl ze nog steeds vol aarzeling een eventuele keuze aan het overwegen zijn. Hij maakte zich de bedenking dat er te Rome nog veel van het vroegere heidendom was blijven voortleven en dat zijn nog jeugdige leeftijd door de wufte levensstijl van die stad gevaar liep; ergens noemt hij haar Babylon. Ook de genotzucht in zijn eigen vaderland noemt hij ronduit barbaars. Ergens in een brief windt hij er bepaald geen doekjes om: ‘In mijn vaderland, waar een zekere onbehouwenheid tot de volksaard behoort, is de buik God; men leeft er van dag tot dag, en wie er rijk is, is er heilig.'”

Hiëronymus (gestorven in 420), ooit patroonheilige, zeg maar voorbeeld, voor boekenwurmen en talenliefhebbers, hier beschreven door Erasmus. Geboren in Dalmatië, opgeleid in Rome. Reisde door onze streken, woonde lange tijd in Syrië en vestigde zich ten slotte in Bethlehem. Op het minuscule schilderijtje van Van Eyck zou ik elk detail van de werkkamer met een vergrootglas willen bestuderen. Zie hoe mooi slordig die kostbare boeken daar op het schap liggen!

Desiderius Erasmus, Het leven van Hiëronymus, vertaald door J. Piolon, Rotterdam, 2007, p. 33-34.

Gekleurde steentjes

Sir Thomas More, door Hans Holbein de Jongere

“Uit de grofheid van de mensen komt alle onheil voort”, beweert stripheldin Isabelle Avondrood: een zeer scherpzinnige ethische uitspraak.

Lezers van de prachtige historische roman Wolf Hall weten dat Thomas More daarin wordt voorgesteld als een botte grappenmaker, die vooral graag pronkt met zijn verstand ten koste van zijn Latijn-onkundige vrouw. Een ongewoon beeld van deze beroemde man, dat echter wel bevestigd wordt door zijn eigen geschriften en die van zijn vrienden. Wat More in zijn Utopia schrijft over het rationeel gearrangeerde huwelijk getuigt van een pijnlijke gevoelsarmoede. En in Erasmus’ Lof der Zotheid zegt de Zotheid, Moria: “Ik ken een naamgenoot van mij, die zijn bruid een collectie valse edelstenen ten geschenke gaf, haar ervan overtuigend – want kletsen kon hij! – dat ze niet alleen echt en natuurlijk waren, maar zelfs van bijzondere onschatbare waarde. Ik vraag u, wat voor verschil maakte het voor de vrouw, daar haar ogen evenveel vreugde beleefden aan het glas, dat ze in feite waardeloze rommel bewaarde als ware het een schat? Haar man bespaarde intussen grote onkosten en profiteerde van de dwaling van zijn vrouw, die hem niettemin even toegenegen was als wanneer hij dure geschenken voor haar had gekocht.”

Grappen onder vrienden, veilig opgeschreven in het Latijn zodat de vrouwtjes niet te weten konden komen wat ze maar beter niet wisten. Persoonlijk vind ik dit nogal afstotelijk, en niet omdat ik meen dat alle mannen voortdurend juwelen voor hun vrouw moeten kopen. Maar toch: geef met je hart of geef niks, dat lijkt me een betere leefregel dan een huwelijk te grondvesten op miezerig vrekkenbedrog.

Dit voorbeeldje toont eens te meer aan hoe moeilijk het soms is om te spreken over de redenen waarom we iemand sympathiek of antipathiek te vinden. Kleine verschillen in aanvoelen, in opvoeding, in reactie, wat filosofen de imponderabilia noemen, de onweegbare elementen, en wat ik in mijn kindertijd wel als Fingerspitzengefühl hoorde omschrijven.

Dit neemt niet weg dat Thomas More, zoals een van zijn Nederlandse vertaalsters aangaf, is terechtgesteld als een zestiende-eeuwse Johannes de Doper, als een politieke martelaar voor de waardigheid van de vrouw in het huwelijk (nota bene), en dat ik zeker bewondering voel voor de moed waarmee hij niet voor de koning plooide. Een erg menselijke heilige, dus.

Verstrooide vertaler

Lof der zotheid

Als kind kreeg ik kinderboeken ten geschenke. De eerste boeken die ik zelf koos (waarna mijn moeder ze betaalde) waren Prismapockets, te koop in de supermarkt. Deze editie van Erasmus’ Lof der Zotheid, met de al bij al charmante kaft, stamt uit die jaren. Onlangs haalde ik haar opnieuw van het rek. De vertaling van “Drs. A. J. Hiensch” lijkt me erg verdienstelijk, al blijft ze het ondefinieerbare air houden dat afkomst uit het Latijn verraadt. Op pagina 43 stuitte ik echter op een raar anachronisme.
“Nodig maar eens een wijze uit voor het diner: hij zal het door somber zwijgen of vervelende vraagjes in de war schoppen. Vraag hem ten dans: u zult denken dat er een kameel rondhuppelt! Neem hem mee naar publieke vermakelijkheden: alleen al door zijn blik zal hij het plezier van het volk bederven en hij zal als de wijze Cato gedwongen worden uit het theater te verdwijnen daar hij zijn ernstige frons niet kan afleggen. Valt hij in een gesprek, dan passeert er onmiddellijk een dominee.”

Een dominee? Erasmus schreef dit in 1509, toen er nog helemaal geen dominees bestonden. Integendeel, de godsdiensttwisten zouden pas een decennium later aanvangen, en Erasmus werd niet bepaald een fan van Maarten Luther. Amusant, deze strikt Noordnederlandse lapsus.