In de toren van Babel

Pieter bruegel, Toren van Babel (detail), Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam
Pieter Bruegel, Toren van Babel (detail), Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

De Franse archeoloog Jean-Marie Blas de Roblès schreef een fantastische novelle over een archeoloog die binnendringt in de Toren Van Babel. Zijn leidraad is het schilderij van Pieter Bruegel in het Museum Boijmans van Beuningen. Aangekomen op de derde verdieping van het verbijsterende gebouw, noteert de ontdekkingsreiziger: “De enige constante sinds het begin van mijn verkenning is, nu alle volkeren en talen gemengd zijn, dat de mensen hun spraakvermogen verliezen wanneer men hun vragen stelt over iets anders dan de handeling die ze aan het verrichten zijn.”

Jean-Marie Blas de Roblès, Les greniers de Babel, (Collection Ekphrasis), 2012.

Loodwit

Parmigianino, Een leerling maalt pigment. Victoria & Albert Museum, Londen.
Parmigianino, Een leerling maalt pigment. Victoria & Albert Museum, Londen.

Schilder Anita Albus betovert me, met haar bespiegeling over het verschil tussen de pigmenten van de oude meesters en de industriële verftubes van nu.

“Alleen de ontdekking van de structurele taak die het oude loodwit vervult in Van Eycks gelaagde opbouw laat ons toe te peilen wat er verloren ging in een verf die eens het licht tot in de diepte lokte en het verleidde om zo lang mogelijk in het schilderij te verwijlen, door het te verspreiden.”

Anita Albus, The Art of Arts. Rediscovering Painting, uit het Duits vertaald door M. Robertson, New York, 2000, p. 98.

In een archief

Genelogisch Fonds Octave Le Maire, Stadsarchief Mechelen
Genealogisch Fonds Octave Le Maire, Stadsarchief Mechelen

Gisteren kwam ik, geheel onverwacht, m’n overgrootvader tegen in het Stadsarchief van Mechelen. Ik raadpleegde de nalatenschap van genealoog Octave Le Maire – een Kolenwoud aan stambomen – en stuitte op een tiental brieven die mijn overgrootvader hem schreef in 1924 en 1925. Wonderlijk. Le Maire ploos werkelijk alles uit over families die aan de zijne verwant waren, en zo kwam ik te weten dat ik tot Tak E van de familie Huet behoor. In het dichte struikgewas van verdere verwantschappen dook volgens Le Maire mogelijk nog een dertiende-eeuwse heilige op, een theorietje zo bizar dat ik er al twee dagen om grijns en glimlach. De sarcofaag van de heilige is in 1964 teruggevonden als drinkbak voor koeien.

Het homoniem

De nieuwsbrief van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte meldt me dat prof. Wim de Pater is overleden. De geestigste man van wie ik ooit les heb gekregen. Aan zijn cursus Taalfilosofie bewaar ik de beste herinneringen van mijn tijd aan de KULeuven. Omdat hij pater De Pater was, noemde hij zichzelf de Pater in het kwadraat, terwijl collega’s hem naar eigen zeggen wel eens begroetten met “Hi, homoniem.” En plotseling denk ik ook weer aan de autokleur en het woord chinchillagrijs, een van de talrijke sprankelende voorbeelden uit zijn lessen taalfilosofie. Neem ik hiermee afscheid? Dan is dit performatief taalgebruik. Maar vooral toch dankbaarheid.

Het rouwbericht.

In de stilte

Albrecht Dürer, Melencolia
Albrecht Dürer, Melencolia

‘Na je dood blijf je niet alleen achter in de herinneringen van je dierbaren, maar ook in de textuur en het DNA van kunstwerken die je dierbaar waren.’

Schrijft Joost Zwagerman in zijn nieuwste boek, De stilte van het licht. En die zin treft me.