Silentium

(In Het hart van de schorpioen stuit ik op een taalwondertje:)

RUSSISCH: Je leert Cyrillisch lezen, maakt een Assimil door, komt tot het besluit dat deze taal te moeilijk voor je is. Als de NRC een vertaalwedstrijd uitschrijft, kan je dankzij een woordenboek toch het gedicht van Tsjoettsjev ontcijferen en word je eervol tweede.

SILENTIUM

Maak geen gerucht, wees stil en hou

Al wat je voelt en droomt voor jou.

Laat het uit zielengrond ontstaan

En sprakeloos ten onder gaan

Zoals de sterren in de lucht:

Geniet het – en maak geen gerucht.

 

Hoe kan een hart ooit opengaan?

Hoe kan een ander jou verstaan?

Begrijpt hij wel wat jou bezielt?

Gedachte wordt door taal vernield;

Een bron vertroebelt bij een zucht:

Drink water – en maak geen gerucht.

 

Leef in je eigen ziel het meest,

Er ligt een wereld in je geest,

Een geheimzinnig toverwoord

Dat door de drukte wordt verstoord

En voor de zonnestralen vlucht:

Hoor ’t zingen – en maak geen gerucht!…

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002, p. 92-93.

Hier kunt u de Engelse vertaling van dit klassieke Russische gedicht door Vladimir Nabokov beluisteren. En mocht u Fedor Tsjoettsjev internationaal willen googlen, de Engelse schrijfwijze van zijn naam is Fyodor Ivanovich Tyutschev.

 

Laatste zomerdagen

Ik kreeg een boek “voor mijn kermis”. Deze ouderwetse omschrijving beviel me. Geen spekken, schietkraam of vliegtuigjes, maar een autobiografie van een Vlaams auteur, getooid met de slimme benaming Roman. Paul Claes (“Je houdt van schuilnamen. Je geliefde schuilnaam is Paul Claes.”) schreef met Het hart van de schorpioen een beknopt thematisch woordenboek van een leven, waarin alle lemmata meesterlijk door elkaar zijn geschud en de lezer van de ene verrassing naar de andere voeren. Benamingen voor soorten snoep, geliefde strips, raadsels, spelletjes, talen geleerd met behulp van Assimilboekjes. De beknoptheid – een eigenschap die in autobiografieën niet genoeg kan worden geprezen –  is die van mozaïeksteentjes: men vindt kleine, krachtige fragmenten, die vaak licht en glans vangen, en samen, gezien van op het juiste punt in de verte, een beeld vormen.

Wellicht worstelen alleen jonge schrijvers met vragen als deze: “What would you rather be, happy or Hölderlin? (Theodore Roethke)”.

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002.

Lais

Wonderlijke verhalen

De Lais van Marie de France is misschien wel het prettigste boek dat ik deze zomer zal lezen. Marie, de allereerste schrijfster in het Frans, vertelt laconiek haar kleine magisch-realistische verhalen: een valk landt op de vensterbank van een torenkamer waarin een jonkvrouw zit opgesloten en verandert vervolgens in een man; een fee schenkt een arme ridder haar liefde; een andere ridder verandert in een weerwolf; twee gescheiden geliefden houden contact met elkaar door middel van brieven, verstopt in het verendek van een zwaan (cygne/signe, nietwaar?); Tristan gebruikt kamperfoelie en hazelaar als codetaal voor Isolde; de tweelingzussen Es en Hazelaar trouwen met dezelfde man; een voorloopster van Doornroosje slaapt in een kapel in het woud. Dus hier luisterden edelvrouwen, ridders en baronnen naar tijdens avonden aan het hof? Mooi. Men beleeft zelden zoveel ongedwongen plezier tijdens het lezen van werken uit de literaire canon.

Een staaltje van Maries bedrieglijk eenvoudige toon: “In Bretagne, in Nantes, leefde een dame die bijzonder mooi, verstandig en gracieus was. Elke verdienstelijke ridder in het land werd meteen verliefd op haar zodra hij haar gezien had, en vroeg haar om haar liefde. Zij kon hen niet allemaal beminnen, maar wilde ook niet hun dood veroorzaken. Het is voor een man gemakkelijker alle vrouwen in het land het hof te maken dan het voor een vrouw is om één gek op afstand te houden, want dat zet meteen kwaad bloed. Als de vrouw aan allen tegemoetkomt, zullen ze haar allemaal dankbaar zijn. En mocht ze daar niet van willen weten, dan moet ze hen niet beledigen maar met hoofse eerbied behandelen en hun dankbaar zijn. De dame over wie ik wil vertellen en die vanwege haar schoonheid en waarde door zovele mannen werd aanbeden, hield zich dag en nacht met deze kwestie bezig.” Ik zie haar al zitten piekeren, de arme.

Marie de France, De Lais. Liefdessprookjes uit de twaalfde eeuw, vertaald door P. Verhuyck en C. Kisling, Amsterdam, 2009, p. 87.

Business as usual?

Rellen in de steden. De boekhandel Waterstones wordt niet geplunderd, de omliggende handelszaken wel. Wat als Groot-Brittannië een armoedige jeugd had die het recht op beter onderwijs eiste door wèl boekhandels te plunderen?  Tienerjongens slepen GSM’s, sportschoenen en plasma-tv’s mee, tienermeisjes kleren uit H&M. Ik heb het nieuws van de afgelopen dagen gevolgd op de websites van The Guardian en de BBC en de verwarring gevoeld: de ene commentator wijt deze gebeurtenissen aan gebroken gezinnen en het ontbreken van ouderlijk gezag, de andere aan werkloosheid en uitzichtloosheid, de derde aan de onrust op de financiële markten en de door de regering aangekondigde besparingen, een vierde wijst erop dat Londens burgemeester Boris Johnson als student lid was van The Bullingdon Club, een groepje bevoorrechte amokmakers dat “vanuit een zuiver sportief instinct”, om Henriëtte van Eyk te citeren, restaurantinboedels kort en klein sloeg, een vijfde zinspeelt voorzichtig op een diepe onderstroom van raciale spanningen, nog iemand anders maakte ons duidelijk dat het voor jongeren natuurlijk ook een enorm avontuur en grote loltrapperij was om de politie uit te dagen en te pakken wat je anders niet kunt krijgen.

Politici zeggen dat wij plunderen en roven, maar zij zijn de echte gangsters,” zei een van de jongeren aan een reporter. Een andere verklaarde: “Wij tonen aan de rijken dat wij kunnen doen wat we willen”. Hij bedoelde ongetwijfeld: “… dat wij ook kunnen doen wat wij willen.” Het herinnerde me aan een volksliedje dat weerklonk in de straten van Antwerpen, na de zware vernielingen aangericht door de beeldenstormers  (in tegenstelling tot de gebeurtenissen van de afgelopen dagen was de beeldenstorm een goed georchestreerde terreuractie): Hadden wij begonnen aan cooplieden goedt / Ende der kercken beelden laten met vreden / Ons handen gewassen in papens bloet / Zoo waeren wij heeren van dorpen en steden.

En wat nu? De armen straffen? Of de daders straffen en tegelijkertijd werken aan betere sociale verhoudingen in het westerse land met de minste sociale mobiliteit? En hoe dan? De komende maanden zullen boeiend zijn.

 

Hafiz

Hafiz en zijn muze, door Dulac

Ik leefde in de overtuiging dat Omar Khayyam de enige Perzische dichter in mijn boekenkast was, tot ik stuitte op een boek dat een vriend me ooit schonk: een mooi ingebonden Franse vertaling van de ghazels van Hafiz (+ 1388). De illustratie herinnerde me vreemd genoeg enigszins aan de prenten van Rie Craemer in mijn kinderuitgave van de Duizend en Een Nacht, lang geleden. Hafiz uit Shiraz: zo te zien de dichter van zeer bloemrijke liefdespoëzie, al kan dat ook aan de Franse vertaling liggen. Zijn grafmonument is een geliefd oord; de vertaler citeert uit Pierre Loti’s boek Vers Ispahan (1904): “Il dort, le poète, sous une tombe en agate gravée, au milieu d’un grand enclos exquis, où nous trouvons des allées d’orangers en fleurs, des plates-bandes de roses, des bassins et de frais jets d’eau. Et ce jardin, d’abord réservé à lui seul, est devenu, avec les siècles, un idéal cimetière; car ses admirateurs de marque ont été, les uns après les autres, admis sur leur demande à dormir auprès de lui, et leurs tombes blanches se lèvent partout au milieu des fleurs. Les rossignols, qui abondent par ici, doivent chaque soir accorder leur petites voix de cristal en l’honneur de ces heureux mortels des différentes époques, réunis dans une commune admiration par l’harmonieux Hafiz, et couchés en sa compagnie.” Volgens beelden op het internet ziet het er nog steeds even mooi uit.

C. Devillers, Les ghazels de Hafiz traduits du persan, (Ex oriente lux, 5), Parijs, uitgeverij Kadar, 1922.

Emily Dickinsons jurk

Dichter Koen Stassijns vertelde aan tafel over een Amerikaanse collega die hij bewondert,  Billy Collins. Hij las ons à l’improviste zijn nieuwe vertaling voor van een beroemd gedicht van deze Amerikaanse Poet Laureate: Taking off Emily Dickinson’s Clothes. We hingen aan zijn lippen; na afloop voelde ik me licht nerveus – een grote kunstenaar uit het verleden kleedt men niet zomaar uit, in woorden noch in gedachten. Het vergt een delicate benadering. Slaagt Collins? Hij vestigt je aandacht in de laatste regels op de kracht van Emily Dickinsons gedichten, en wekt het verlangen in je op om haar werk opnieuw te verkennen: toch een oprechte hommage. “De nacht inrijden op een zwaan” – die zin blijft me bij, in afwachting van het ogenblik dat de vertalingen gepubliceerd worden.

U kunt hier horen hoe Billy Collins zijn eigen gedicht voorleest.

Semoule

Semoule met frambozen

Op speciaal verzoek van schrijver Erik Vlaminck had de gastheer gezorgd voor semoule, griesmeelpap, als dessert. Het maakte herinneringen los: ik zag mijn grootmoeder voor me, terwijl ze semoule, vanillepudding of rijstpap met saffraan klaarmaakte en mij alvast de restjes uit de pan liet lepelen; de moeder van een andere gaste bleek nog steeds vast te houden aan de bereiding van deze klassieke nagerechten. Er verscheen een mooi bord semoule met frambozen voor elk van ons; later ook nog een grote kom met een pollepel. Ik proefde en herontdekte een smaak uit mijn kindertijd, nu rijker en romiger en begeleid door een glas amberkleurige Sauternes. Die deed ons op de een of andere manier denken  aan de slanke dessertenliefhebber koning Boudewijn, en zo vervolgde ons gesprek zijn Belgische loop, over de opstand in jezuïetencolleges in de jaren 1960 en de krankzinnige prinses Charlotte tot de landbouwbeurs in Libramont.

De eenzame chrysant

Illustratie uit ‘De eenzame chrysant’, 1560, Parijs, BNF

De manier waarop ze met haar handje zijn mouw vastgrijpt, vervult me met melancholie. Tussen de veertiende en de zestiende eeuw maakte men in Japan nara-ehon, of geïllustreerde boeken. Ze werden lang beschouwd als bandwerk voor keukenmeidenverhalen; pas sinds het einde van de twintigste eeuw wordt hun charme erkend. ‘De eenzame chrysant’ is een droevig sprookje over een boze stiefmoeder die een jeugdige liefde tegenwerkt; het speelt zich af in een glorieus verleden, de tijd van prins Genji, waarin het lange haar van de dames tot over hun enkels viel en de hofkleding buitengewoon rijk en onpraktisch was. “Mijn mouwen zijn nat,” zei men toen, codetaal voor: “Ik heb de hele nacht van liefdesverdriet liggen wenen.”

Begrijpen mensen elkaar dan toch, over culturen heen? Ik zou het afleiden uit het effect van dat machteloze handje op mijn gemoed.

Le Chrysanthème solitaire. Edition du manuscrit Smith-Lesouëf japonais 96, introduction et traduction par J. Pigeot et K. Kosugi, Parijs, 1984.

1922-2011

Lucian Freud met een torenvalk

Lucian Freud die bloemen schilderde op de wanden van een badkamer in Chatsworth House, waar de butler zorgvuldig zijn penselen en tubes bewaarde. Lucian Freud als jonge man in een zeemanstrui, met een roofvogel op zijn schouder. Lucian Freud die elke dag werkte en van plan was zichzelf “dood te schilderen”. Men hoopt dat die wens vervuld werd.

Britse schilders zijn decennialang minder bang geweest van de schilderkunst dan de onze. Daar bewonder ik hen om. Freud, met zijn groezelige portretten, stelde de zenuwen van conceptuele critici nog het meest op de proef. Al die verf voor een paar individuele tronies en lijven, waar was dat goed voor? Portretkunst, was dat niet iets elitairs uit een vervlogen tijdperk?

Gelukkig niet.