O!

Osip Mandelstam
Osip Mandelstam

Ik ben op zoek naar een boek, omdat daarin de mooiste zin staat over vrieslucht die ik ken. Toen ik vannacht wakker lag, dacht ik aan die zin. Ik wil hem citeren. Ik weet in welk boek hij staat. Ik weet waar het boek zou moeten staan. Alleen, ik vind het boek niet. Waar is het?
Zo gaat het. Ik blader in een ander boek van dezelfde schrijver. En mijn adem wordt afgesneden.

“In welke tijd wil je leven?
Ik wil leven in de gebiedende wijs van het participium futurum, in de lijdende vorm – in het ‘wat zou moeten zijn’.
Zo wil ik ademen. Zo heb ik het naar mijn zin. Er bestaat zoiets als een bereden, een bandieten-, een ruitereer. Daarom hou ik van het voortreffelijke Latijnse ‘gerundivum’ – dat werkwoord te paard.
Ja, het Latijnse genie schiep, toen het jong en gulzig was, die vorm van gebiedende werkwoordsvervoeging als het prototype van heel onze cultuur, en het was niet alleen ‘wat zou moeten zijn’, maar wat ‘prijzenswaardig’ is – laudatura est. – dat waarvan wij houden…”

O. Mandelstam, Reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 57.

Drie

“Uit de hemel vielen drie appels: de eerste was voor degene die het verhaal vertelde, de tweede voor degene die luisterde en de derde voor degene die het begreep. Zo eindigen de meeste Armeense sprookjes.”

O. Mandelstam, De reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 56.

Ingebeelde levens

Schwob en Matisse
Schwob en Matisse

Ik hoopte eigenlijk Vies imaginaires van Marcel Schwob te vinden, maar trof dit aan. Een aardig boekje, gewikkeld in bros pergamijn. Pas later vernam ik dat Henri Matisse het vignet voor het voorplat leverde. Ik begon te lezen in de trein. Aha, een hoertjeshistorie. Monelle me trouva dans la plaine où j’errais et me prit par la main. En veel mystiek. Tu me retrouveras encore, et tu me perdras. Is het mystiek, of is het woordenkramerij? De schrijver hield in elk geval mijn aandacht vast totdat ik omstreeks pagina 41 stuitte op enkele niet opengesneden bladzijden. En ik had mijn zakmes niet bij me. In elk geval ben ik vanaf nu de eerste lezer, hoewel dat soort maagdelijkheid me niet interesseert.

Dergelijke vluchtige leeservaringen zijn me even dierbaar als de andere. We zullen zien of dit ontkiemt.

M. Schwob, Le livre de Monelle, Walter Schurter, maître-imprimeur à Winterthur, 1946. Bij Antiquariaat Demian in Antwerpen.

Iulius Exclusus

Erasmus zou volgens een Italiaanse geleerde dan toch de auteur zijn van het smaadschrift Iulius exclusus e coelis, Julius buiten de hemelpoort gehouden. Een heftige satire op paus Julius II, die in 1513 overleed. (Het boekje rolde vreemd genoeg pas in 1517 van de persen.) Zo meldt de krant vandaag. Als Michelangelo-fan ben ik Julius vaak tegengekomen in kunsthistorische teksten, Julius was immers een van Michelangelo’s belangrijkste opdrachtgevers. Aangezien beide heren onstuimig optraden, viel er altijd wel wat te beleven. Dit is mijn favoriete verhaal, over de tijd dat Michelangelo in opdracht van Julius het plafond van de Sixtijnse kapel beschilderde.

“Aangaande het vertrek van Michelangelo uit Rome is er nog een ander verhaal in omloop; de paus zou boos geworden zijn om het volgende: Michelangelo, die niemand ook maar iets van zijn werk wilde laten zien en zelfs zijn eigen mensen wantrouwde, vreesde dat de paus, zoals inderdaad meer dan eens gebeurde, zich zou verkleden en dan, als Michelangelo eens niet thuis of aan het werk was, zou zien wat hij deed; en jawel, op een keer had de paus Michelangelo’s knechten omgekocht teneinde in de kapel van zijn oom Sixtus te kunnen komen, die hij door Michelangelo liet beschilderen, zoals ik nog zal vertellen; maar de kunstenaar had zich daar verborgen, want hij verdacht zijn knechten van verraad, en toen de paus de kapel binnenkwam smeet hij met planken naar hem, zonder zich erom te bekommeren wie deze bezoeker zou kunnen zijn, en hij joeg hem halsoverkop op de vlucht. Welk van deze beide verhalen nu het juiste is, laat het genoeg zijn dat Michelangelo ruzie kreeg met de paus, vervolgens bang werd en moest maken dat hij wegkwam.”

Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, vertaald door A. Kee, gekozen en ingeleid door H. Van Veen, Amsterdam, 1998, p. 330-331.

Een boeiende blog over Michelangelo en de Sixtijnse kapel achter deze link.

Weg

165_94_768
Rijnlands, ca. 1410, Paradijstuintje. Frankfurt am Main, Städel Museum

Niet te geloven zo lieflijk. Die gedachte overviel me meermaals tijdens het schuifelen door de tentoonstelling De weg naar Van Eyck. Jan Van Eycks Annunciatie met vrolijk lachende engel, overgebracht uit Washington, moet overigens nog bezinken, de ogen geraken er maar niet van verzadigd. En dit Paradijstuintje hing er als heerlijke bonus. Toen ik nog studeerde, bewonderde ik de reproductie al in mijn handboek; nu zag ik het voor het eerst in al zijn onnavolgbare charme. Maria met boek (als geleerde, docta) en kind, en zes heiligen in een besloten tuin. Die meiklokjes, die ijsvogel! Sint-Joris met een tamme draak, Sint-Michael met een geknevelde duivel. En op de tafel, een geschilde appel en zijn schillen.

Hoe ver is de stamboom van dit paneel terug te voeren? De catalogus meldt als oudste bekende eigenaar: Banketbakker Johann Valentin Prehn, Frankfurt, 1821. Gelukkige tijd, toen banketbakkers dergelijke kunstwerken op de kop wisten te tikken.

De weg naar Van Eyck, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, nog tot 10 februari.

Verloren maandag

Appelbollen
Appelbollen

“Verloren maandag brengt herinneringen terug aan de rijke boterige worstenbroden van knisperend bladerdeeg en de volmaakte appelbollen, als besneeuwde yurten op het bord, die alles met de kindertijd te maken hebben. Vernam de kleine Rémy uit Alleen op de wereld ook niet dat hij verkocht was aan een potsenmaker op het ogenblik dat zijn pleegmoeder appelbollen stond te bakken? Kijk, dan kon je aan de kleine Rémy denken terwijl je moeder je deze lekkernij toeschoof. (Alleen op de wereld is een uit de mode geraakt kinderboek, maar het werd met liefde herdacht door een van de grootste dichteressen van de twintigste eeuw, Marina Tsvetajeva; haar leven lang onthield ze de namen van de lieflijke, slimme honden in dat avontuur, samen uit te spreken als een toverformule: Capi, Dolce, Zerbino.)”

Traditie betekent wellicht ook dat mijn moeder me op verloren maandag nog steeds appelbollen bezorgt, zelfs al woon ik nu in een provincie waar men dit gebruik amper kent. Ze zullen smaken straks.

L. Huet, Verloren maandag, in Mijn België, derde druk, 2009, p. 299. Voor meer informatie over verloren maandag: klik op de tag hieronder.

Tochtje

Kapel, Minderhout
Kapel, Minderhout

Een stem over de radio herhaalde voorspelbare toekomstvoorspellingen. Binnen, laat ons zeggen, tien jaar zal drievierde van de wereldbevolking in steden wonen. Ook zal iedereen plotseling van nature zo kosmopolitisch zijn dat mensen zuiver rationeel “het beste land” zullen uitkiezen om zich te vestigen. Wel, dacht ik, laat ik dan mijn platteland bezoeken nu het nog kan. Het was mistig en miezerig en ik genoot van de slingerende weg tussen de grauwe akkers en weiden van Bolk, de halte bij de barokkapel die de jongste broer van Antoon Van Dyck liet bouwen, en het ritje naar de plaats “waar de wereld is afgeplakt met gazetten”, Zondereigen.

Hier ontmoetten mijn moeder en ik, dankzij de charme van het toeval, een jonge illustratrice die zich het komende jaar in het leven in Zondereigen zal verdiepen, met de inwoners zal spreken, tekeningen zal maken. Een afstudeerproject. Ik bladerde alvast door een wonderlijke stamboom en zag tekeningen van mensen, verweven met hun huizen. Mooi om dit aan te treffen in een oud klaslokaal met een heerlijk brandende kachel, een gelijnd bord en oude landkaarten van België aan de muur. Via deze link kunnen we een en ander volgen: Zondereigen.

Spreekwoorden

Wie had gedacht dat Erasmus’ Adagia zulke boeiende lectuur zouden blijken te zijn? Veel meer nog dan een spreekwoordenverzameling – al prettig op zich – is dit een bundel columns, kleine geschiedenislessen over de oudheid, humoristische anekdoten en persoonlijke beschouwingen van een sprankelende intellectueel. In de heldere en zwierige vertaling van Jeanine De Landtsheer een waar genot om te lezen.
De duistere aspecten van het leven in de oudheid worden overigens niet met de mantel der liefde bedekt, getuige daarvan de verklaring bij het spreekwoord Wie een kalf heeft gedragen, zal een stier dragen.
“Blijkbaar is dit spreekwoord in een bordeel ontstaan, maar het kan gemakkelijk op een fatsoenlijker manier worden gebruikt, indien we eronder verstaan dat wie in zijn jeugd met kleine misdrijfjes vertrouwd was, als man veel zwaarder misdaden zal begaan. In de fragmenten van Petronius Arbiter luidt het: ‘Ik stond versteld en ik verzekerde dat een jongen als Giton, de deugdzaamheid in persoon, zijn lusten niet zou kunnen bevredigen en dat het meisje niet oud genoeg was om de wet, die onderwerping vraagt van vrouwen, te aanvaarden. “Dus,” zei Quartilla, “is ze nog jonger dan ik toen ik me aan een man onderwierp? Juno, mijn beschermvrouwe, mag haar woede over me uitstorten indien ik me kan herinneren dat ik ooit maagd ben geweest. Want als peuter werd ik al misbruikt samen met mijn leeftijdgenootjes en daarna heb ik in de loop der jaren mezelf aan oudere jongens toegewijd, tot ik mijn huidige leeftijd bereikte.” Ik geloof dat hieruit het gezegde is ontstaan dat wie een kalf heeft gedragen, een stier zal dragen.’
Het is zeker niet dwaas om de uitdrukking in verband te brengen met de krachtpatserij van Milo van Croton. Hij kweekte de gewoonte om dagelijks een bepaalde afstand af te leggen met een kalf op zijn schouders; toen het tot een stier was opgegroeid kon hij die zonder problemen torsen. Het spreekwoord geldt dus voor mensen die zich geleidelijk wennen aan de moeilijkste opgaven.”

Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia, vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer, Amsterdam, 2011, p. 49-50.

Opaal

Voor het eerst sinds n jaren lees ik weer eens wat Shakespeare – dat wil zeggen, ik graai zorgeloos rond in de kisten van de schatkamer en laat parels, smaragden, saffieren en dubloenen tussen mijn vingers rollen. Twelfth Night. Zou het niet prettig zijn om op Driekoningenavond een opvoering bij te wonen? Gewoon een zinnetje uit het stuk:
Now, the melancholy god protect thee, and the tailor make thy doublet of changeable taffeta, for thy mind is a very opal! I would have men of such constancy put to sea, that their business might be everything and their intent everywhere; for that’s it that always makes a good voyage of nothing.”