Heer Walther

Walther von der Vogelweide, Franconia-fontein, Residenz, Würzburg

Ik houd van fonteinen; als ze kunstenaars voorstellen, des te beter. De Frankenland-fontein pronkt met beelden van drie lokale én Europese meesters: de beeldhouwer Tilman Riemenschneider, de schilder Matthias Grünewald en de dichter (of moet ik zeggen: singer-songwriter?) Walther von der Vogelweide. Hij is voorgesteld in een houding die hij zelf in een gedicht beschreef, nadenkend, met een snaarinstrument in zijn linkerhand.

Ze treffen het maar, de burgers van Würzburg, met zulke coryfeeën.

Vierzehnheiligen

Het genade-altaar in de Vierzehnheiligenbasiliek, Bad Staffelstein

De kunsthistorische standaardwerken op de achterbank (Pevsner en Blunt) wijden er bladzijden aan, maar de nieuwe ANWB-reisgids voor Beieren en Franken vermeldt haar niet eens: de verbijsterende basiliek van Vierzehnheiligen. “Je moet bedenken,” zei mijn reisgenoot, “dat de bedoeling was: een visioen van de hemel te bouwen.” Wellicht zijn we geconditioneerd om hierbij aan nederige romaanse kerkjes te denken, loodzware
versterkingsarchitectuur met een schaarse lichtstraal hier en daar. Architect
Balthasar Neumann (1687-1753) zag het anders: hij creëerde een kerk zo zwierig
als een balzaal, golvend, luchtig, als het ware in- en uitademend van pilaar
tot pilaar, geschilderd in zachte kleuren en met als sierlijk accent de ware tint
van de achttiende eeuw, poederachtig blauwgrijs. Ik voelde me zo opgewekt als
wanneer ik op een moment van volkomen gezondheid en gemoedsrust in vol ornaat
een danszaal zou betreden hebben, in de zekerheid daar vele vrienden aan te
treffen en mooie uren te beleven. Zelfs de biechtstoelen, in wit, blauw en goud,
zagen eruit als feestelijke kraampjes. Deze bijzondere ruimte telt twee
altaren, het gewone en het genadealtaar, een soort gebeeldhouwde kroon in het
centrum, gewijd aan de patronen van deze kerk, de veertien heiligen of
noodhelpers. In een aparte ruimte bewaarde men ex-voto’s uit verschillende
eeuwen: mensen dankten om de redding van een kind uit woningbrand, genezing van
ziekten, herstel na een ongeval met paard en kar of een val van het dak. Het meest troffen de aandenkens uit de twintigste eeuw: een familie dankte voor de terugkeer van een zoon uit een Russisch gevangenkamp in 1948, iemand had een stuk van de
grensversperring met Oost-Duitsland aangebracht als herinnering aan een zwarte
tijd – het opheffen van die grens leidde ertoe dat een aloude bedevaartsweg
naar de kerk voor het eerst sinds decennia weer kon worden bewandeld. Het
daagde me dat ik uit een heel ander land afkomstig was. “Zijn er in België ook
rococokerken?” – “Het kapelletje van Paridaens, misschien, met veel goede wil.”

Wijnland

Putti met druiven, tuin Würzburger Residenz

Misschien wordt men kunsthistoricus om overal plezier te kunnen beleven? Nooit heeft mijn neus richting oosten gestaan, maar nauwelijks stapte ik uit in Würzburg of ik was verkocht: wijngaarden, rococo, Tiepolo en verse rozen op het bescheiden graf van troubadour Walther von der Vogelweide, wat kan men zich eigenlijk meer wensen?

Naïef

Kronieken van Jean Froissart, KB

In een van zijn columns in De Standaard (kunnen we daar binnenkort ook eens een column van Di Rupo lezen?) omschreef Bart De Wever burgers die aan België gehecht zijn als naïef, ouderwets en hoogstwaarschijnlijk slecht opgeleid. Die opmerking kan ik in mijn zak steken, en dat doe ik ook. Na zijn mededeling dat er in België een langdurig schoolverlatersprofitariaat bestaat van ruim vijfhonderd mensen, lijkt het masker gevallen te zijn: de geestige politicus met zijn mooie Latijnse citaten heeft zichzelf herleid tot een megafoon van de haviken in het bedrijfsleven. Misschien is er ook nog een manier te vinden waarop dat vijfhonderdkoppige profitariaat verantwoordelijk kan worden gesteld voor de bankencrisis, en al de financiële gevolgen die wij daarvan zullen dragen? Worden de Vijfhonderd Schoolverlaters wellicht een even beladen historisch begrip als de Zeshonderd Franchimontezen? En wat te denken van een politicus die ‘de hardwerkende Vlamingen’ voorstelt als wezens die baden in een sfeer van bedrijfswagens, aandelen en door de overheid gefinancierde huishoudhulp? Hij noemt deze groep retorisch de midddenklasse, mij dunkt dat hij spreekt over een heel wat kleiner maatschappelijk segment. Moeten we het dan bijvoorbeeld ook niet eens hebben over de angstwekkend lage pensioenen voor kleine zelfstandigen, naar mijn aanvoelen een bevolkingsdeel dat de economie echt draaiende houdt? Gelukkig kan ik even naar het buitenland om dit alles te laten bezinken. Ik zal er met plezier ’s avonds wat lezen over Vlaamse geschiedenis bij de Henegouwer Jean Froissart, en op tijd terugkomen voor de nationale feestdag.

Op bezoek bij een ridder

De ruiter van Bamberg

Flarden van de cursus ‘Beeldhouwkunst van de Middeleeuwen’ komen weer tot leven, nu een bezoek aan deze elegante heer op het programma staat. De Bamberger Reiter! En misschien zullen we dan ook Ekkehard en Uta zien… (Zij die deze cursus samen met mij hebben gevolgd, herkennen meteen het mnemotechnische ritme van die namen; en herinneren zich de mooie edelvrouw Uta, weggedoken in haar kraag – in Naumburg, nietwaar?)

Gezelle gelezen, Gezelle gezongen

Gezelle, gelezen en gezongen in het park

Twee nerveuze causeurs bespraken tijdens de lunch vooraf hun methodes: kalm blijven dankzij betablokkers of spanningshoofdpijn verdrijven met aspirine. Ik moest op als amateurlezer van Gezelle, Hafid Bouazza analyseerde indringend als collega-dichter. Onze causerieën, in een ruisende tent, werden afgewisseld met gedichten op muziek: Gezelle in de mooie Schubertiaanse toonzetting van Lodewijk Mortelmans, uitgevoerd door Veerle Bosmans en gezongen door Sandra Paelinck; Gezelle eigentijds geïnterpreteerd door Koen de Cauter & Ensemble. Wat woorden, wat zang, verschillende stemmen en invalshoeken: de dichter leek plotseling intens aanwezig.

“Kent u Cesar Gezelle?” vroeg de gastheer van de Bed & Breakfast ’s avonds. Ik knikte: “Hij heeft toch een biografie geschreven van zijn oom Guido?” – “Hij gaf les in de middelbare school in Ieper waar mijn moeder een opleiding volgde voor steno-dactylo: en hij heeft die hele biografie aan haar gedicteerd.” Dit wonderlijke beetje informatie leek een onverwachte toegift van de dichter zelf, net als de zes mussen die speelden in de dakgoot onder het raam van de kamer en de wijde wolken in de verte van de Westhoek.

Mijn Gezelle-bibliotheek

Bescheiden verzamelinkje

Mijn Gezelle-bibliotheek is te klein, besef ik, nu ik me in de meester verdiep. Enkele stukgelezen deeltjes uit de boekenkast van een oudoom-priester, hij schreef zijn naam boven op het omslag; en de geïllustreerde uitgave Hoe stille is ‘t, ter gelegenheid van Gezelles honderdvijftigste verjaardag in 1980.  Deze gedachte confronteert me met een typisch probleem van de Vlaamse lezer. Wanneer ik plotseling alles wil lezen van Villiers de l’Isle-Adam, dan kan ik, dat weet ik, zo naar een boekhandel in mijn buurt stappen en daar de twee Pléiade-delen in dundruk kopen die aan deze bijzondere schrijver zijn gewijd. Wanneer ik alles van Gezelle wil lezen, dan heb ik in de boekhandel weinig heil te verwachten. En eigenlijk wil ik ook graag Gezelles brieven lezen, niet alleen zijn gedichten – ach ja, het kruid Ik Wil groeit zelfs niet in ’s konings tuin.

Aantekeningen bij Gezelle: Nageldeuntjes

H. De Graer, Portret van Guido Gezelle, 1905, Gezellemuseum, Brugge

“Nieuwe mogelijkheden voor zijn pen had hij intussen ook gevonden als dichter in een nieuw genre: dat van het korte gedicht. Hem kwamen, naar voorbeelden uit de literatuur van het nabije Oosten, taalminiaturen voor ogen staan waar hij aanvankelijk de naam ‘nageldeuntjes’ aan gaf. Het woord verwees naar een anekdote uit het leven van de Engelse schilder William Hogarth, die soms vluchtig iets op zijn nagels schetste, om het later thuis te kunnen uitwerken. Het plan om een bundel Album-blaren samen te stellen had hij weliswaar laten varen, maar het ‘Kleine stukje’, ‘de wijze van de araben, de rijkste dichters van heel de wereld’ bleef hem uitdagen.”

M. Van der Plas, Mijnheer Gezelle. Biografie van een priester-dichter (1830-1899), Tielt-Baarn, 1990, p. 175.