Hooien in juni

Juni in de Très riches heures du Duc de Berry

Op een druilerige junidag is het moeilijk om zich de hooioogst voor te stellen. De onbekende kunstenaar die in de jaren 1440 het werk van de gebroeders van Limburg aan de Très Riches Heures voortzette, situeerde zijn hooiende boeren en boerinnen aan de oevers van de Seine, net buiten Parijs. We zien de torens van het koninklijk paleis en rechts het grote roosvenster van de Sainte-Chapelle, op het Île-de-la-Cité. Mooi ook, dat prieel in de koninklijke tuinen. De schilder liet ons twee bijzonder gracieuze blootsvoetse boerinnen na. Zo vinden we in dit aristocratische kunstproduct bij uitstek een beeld van het volksleven, net zoals we bij kroniekschrijver Jean Froissart, op het eerste gezicht een sportverslaggever van riddertornooien, soms onvergetelijke beschrijvingen van de daden en woorden van gewone burgers lezen.

Kalenden

Mei, Les Très Riches Heures du Duc de Berry

Calenda Maia, dichtte de troubadour Rambaut de Vaqueras, De eerste mei. Geen rode vlaggen, maar groene takken  – tot diep in de vijftiende eeuw vierde men de eerste dag van de mooie maand door zich in het groen te kleden, het bos in te rijden en er bloeiende takken te verzamelen om de woningen te versieren. (Stel je voor, een picknick organiseren met een kamerorkest erbij.) Edellieden droegen symbolische gewaden die zachtgroen gekleurd werden met gemalen malachiet. Misschien werd deze steen ook gebruikt voor het groen in deze afbeelding? Tel dat op bij de uit het Midden-Oosten ingevoerde ultramarijn voor het blauw, en het bladgoud, en de exquise kwaliteit van het perkament, en men begint zich een idee te vormen van de extravagante kostprijs van dit manuscript, nog zonder de honoraria van de kunstenaars te rekenen; meteen begrijpt men ook hoe grauw of neutraal de kleding van het volk was, met als enige kleurstoffen de aftreksels van planten of kruiden. De edelvrouw op het witte paard zou Marie zijn, dochter van de opdrachtgever van dit getijdenboek, Jean, hertog van Berry. Op de achtergrond zien we de torens van Parijs.

De dichter Charles d’Orléans, kleinzoon van de hertog, vatte de feestelijke sfeer van mei in een ballade:

Le Dieu d’Amour est coutumier

à ce jour, de fête tenir,

pour amoureux coeurs fêter

qui désirent de le servir;

pour ce fait les arbres couvrir

de fleurs et les champs de vert gai,

pour la fête plus embellir,

ce premier jour du mois de Mai.

Karmijn en ultramarijn

April in het hart van Frankrijk

April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinnering en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.

De beroemde openingregels van T.S. Eliots The Waste Land bepalen misschien onze kijk op the cruellest month; in de vijftiende eeuw lag het anders. Wie april bereikte, had weer eens een winter overleefd. De betere tijd brak aan. Omstreeks 1413 schilderden de gebroeders Van Limburg deze bladzijde (ca. 21×16 cm) voor het mooiste getijdenboek van de Franse hertog Jean de Berry. April is voor hen een maand van belofte, zoals ze dat ook voor Ovidius was. Twee jonge mensen verloven zich in het bijzijn van elegant geklede getuigen. Links kijkt een nar toe, rechts plukken edelvrouwen bloemen. Vissers vissen met een net, op de achtergrond verrijst het kasteel van Dourdan in het Ile-de-France, een van de talrijke bezittingen van de hertog. Daarboven wentelen zich de hemelsferen.

Wat is hier het mooiste? Diep blauw, vurig rood? De gewaagde en geslaagde combinatie van een roze jurk en roodblonde haren? Of misschien toch, in de besloten tuin, de frisse witte bloesems op de gesnoeide takken?

Les très riches heures du Duc de Berry, Musée Condé, Chantilly.

T.S. Eliot, Het Barre Land. The Waste Land, vertaald door Paul Claes, Amsterdam, 2007.

Mélusine in maart

Maarts landschap met draak

Een bleek zonnetje, het eerste werk op de akkers en in de wijngaarden. De gebroeders van Limburg keken omstreeks 1413 goed om zich heen voor hun weergave van de maand maart. De ploegende boer in realistische lompen werpt zelfs een realistische schaduw. En wat een compositorische vondst, om die geploegde akker spits te laten toelopen en zo het oog de diepte in te trekken. Het bouwwerk op de achtergrond was een favoriete verblijfplaats van hun opdrachtgever, de hertog van Berry: het kasteel van Lusignan in Poitou. Het bestaat nog steeds.
Boven de toren zweeft, iets minder realistisch, een gevleugelde draak. Dat is de beroemde fee Mélusine, die waakt over het kasteel waar ze leefde met haar man, Raymondin de Lusignan. Mélusine en Raymondin hadden elkaar ontmoet bij een betoverde bron in het woud. Hij vroeg haar ten huwelijk; zij stemde toe, op voorwaarde dat hij nooit zou proberen haar op zaterdagen te zien –dan veranderde ze door een oude vloek van gedaante. Het ging lange tijd goed, maar op een noodlottige zaterdag bespiedde Raymondin zijn vrouw in het bad en stelde ontzet vast dat ze een slangenstaart had, waarmee ze het water lustig tot tegen de zoldering deed opspatten. Toen uitkwam dat hij zijn belofte had verbroken, verdween Mélusine uit zijn leven. Uiteraard bleven leden van het geslacht Lusignan erg trots op deze gevaarlijke stammoeder met magische krachten, misschien wel de vruchtbaarheidsgodin Lucina zelf.

Les très riches heures du Duc de Berry, Musée Condé, Chantilly

Kalender

De maand februari, door de gebroeders Van Limburg

Misschien het mooiste blauw dat ik ooit in een voorstelling heb gezien, op deze kalenderbladen. Ultramarijn, een kleurstof afkomstig van gemalen lapis lazuli: duurder dan goud. Voor de weergave van de maand februari kozen de gebroeders Van Limburg – Pol, Herman en Jan – een sneeuwtafereel. Betoverende details: de zichtbare adem van de man die weggedoken in zijn mantel loopt te huiveren, de pikkende eksters, de witte en bruine schapen in de stal, de keurige rij bijenkorven met hun mutsen van sneeuw, de grijze kat aan de voeten van de vrouw die zich zit te warmen. De twee andere personages bij het vuur bewijzen dat mensen in het begin van de vijftiende eeuw geen ander ondergoed droegen dan lange hemden en kousen. Het dorpje achter de heuvel is weergegeven in mooi perspectief, toen al.

Dit getijdenboek, Les très riches heures, ontstond tussen 1413 en 1416. “Pour concevoir, pour vouloir, pour réaliser de tels livres, il fallut de somptueux seigneurs”, schreef Henri Malo. De opdrachtgever was een broer van de Bourgondische hertog Filips en van de Franse koning: Jean, hertog van Berry. Hij staat bekend als een boekenliefhebber, maar hij hield van alle vormen van luxe en verzamelde tussen de bedrijven door ook kastelen, relieken, kostbare stoffen en edelsmeedkunst. Zijn drie schilders, afkomstig uit het florissante Nijmegen, wisten hoe ze hem moesten bespelen. Voor Nieuwjaar 1410 gaven ze hem als relatiegeschenk een “namaakboek gemaakt van een stuk hout in de vorm van een boek, zonder bladzijden of geschrift, overtrokken met blauw fluweel met twee gespen van verguld zilver, geëmailleerd met de wapens van Monseigneur.” Die gespen hadden ze waarschijnlijk ook zelf gemaakt, want deze topschilders waren edelsmeden van opleiding.

Les très riches heures verzeilden later in Mechelen, in de boekenverzameling van Margaretha van Oostenrijk, die de katernen voor het eerst liet inbinden. Op een bepaald ogenblik wist Ambrogio Spinola, de grote veldheer van aartshertog Albrecht, er de hand op te leggen. In 1855 herontdekte een Franse hertog (hoe toepasselijk) het meesterwerk na eeuwen vergetelheid in een meisjesschool in Genua. Zodat de vraag rijst: hoeveel paar ogen hebben zich voordien, in het hart van de winter, kunnen verkwikken aan dit wonderlijke blauw?

Les très riches heures du duc de Berry, Musée Condé, kasteel van Chantilly, Frankrijk

Naschrift: Recent wetenschappelijk onderzoek over het handschrift benadrukt het feit dat de voltooiing “un long chantier” vereiste. Zowel de hertog van Berry als de gebroeders van Limburg stierven in 1416, vermoedelijk tijdens een epidemie. Pol, Herman en Jan zouden slechts vier kalenderminiaturen voltooid hebben: januari, april, mei en augustus. De overige werden geschilderd, wellicht naar hun ontwerpen, door een onbekende meester tussen 1438-1442 en door Jean Colombe omstreeks 1485 (de maand november).