o Wolkensnee, zoo wit als schuim
van zuivel of van zilver, ’t ruim
des hemels schijnt één weefgewaad,
van zonnelicht en zijdendraad.
(Uit: Rijmsnoer)
o Wolkensnee, zoo wit als schuim
van zuivel of van zilver, ’t ruim
des hemels schijnt één weefgewaad,
van zonnelicht en zijdendraad.
(Uit: Rijmsnoer)

Het loont soms op vele manieren, even halt houden en een koffie drinken op een onooglijk terras. Ik las er het eerste hoofdstuk van een biografie van Gezelle, in zon en bries; en toen ik opkeek, zag ik rode schoentjes.
(Het is geen schildering, merkte ik later, geen zwart-witte schildering zoals de sgraffiti op Italiaanse stadspaleizen: de afbeelding is op de muur gekleefd.)
Bloeiende oleander, kleine sinaasappels, weelderige druivelaar tegen de Toscaanse zuilen. Mooi, die oude stadstuin op een zomeravond. Zoals Justus Lipsius schreef in zijn bestseller Over de standvastigheid: “Dit is het ware gebruik en doel van de tuin: rust, afzondering, denken, lezen, schrijven, en dat alles in ontspanning en als het ware spelenderwijs. Zoals schilders hun ogen, die door langdurig turen verzwakt zijn, door bepaalde spiegels en groene kleuren verfrissen, zo verkwikken wij hier onze geest die vermoeid en verstrooid is”.
We bleven zo lang mogelijk op het terras zitten met onze koffie en koekjes, tijdens het gerommel in de verte en toen de eerste druppels vielen. Plotseling stak de wind op, alles ruiste. “Nu begint het.” Binnen viel de electriciteit uit, gelukkig stonden er links en rechts kaarsen en een zaklamp klaar. Ik snelde naar boven om het schouwspel te bekijken. Vaalgele lucht, lila bliksems, watervallen gutsend uit de dakgoten. Een mot zocht beschutting tegen het venster. Het goede oude huis stond onwrikbaar pal terwijl alles rondom zwiepte, geselde en kraakte. Ik voelde me zo veilig als in een negentiende-eeuwse roman. Het onweer eindigde even abrupt als het begonnen was, vreemd hoe men dat gewaar wordt. We vertrokken, opgelucht omdat er geen schade was. Vlakbij de weg zag ik het. Iets wat er anders niet lag. Een omgewaaide struik? Nee, een halve boom. Witte vlekken tegen de zwarte stam, waar de hoofdtakken waren afgerukt. De tulpenboom, die begin deze maand na tien jaar voor het eerst heeft gebloeid, is verminkt, misschien verloren.


“Toch nog weer eens een mooie dag! In de blonde wegen, tussen de rijpe korenvelden, lopen kleine kinderen met kransen van rode, blauwe en witte veldbloemen saâmgevlochten door hun warrelige haren. ’t Is als de blijde warmte van de zon, die straalt uit hun heldere ogen. Hun kopjes schijnen gans te glunderen en als ’t ware te bloeien van vreugd en zij letten niet op hun vuile, blote voetjes, die hier en daar nog door ’t vieze slijk der modderplassen baggeren. ’t Is eensklaps weer zomer, volop zomer? Die kleine kinderen voelen den zomer, zoals de natuurbeestjes het voelen. Wanneer zij hun blonde hoofdjes met kransen van veldbloemen en korenaren tooien, dan is het alsof een zeker instinct hen daartoe aandrijft. Het is een natuurpoëzie, die als van zelve uit hen opbloeit.”
Cyriel Buysse, Zomerleven, Atlas, 2006, p. 177. (Koren is pas rijp in juli, maar waar is het nog te vinden? Ik kijk uit op maïsvelden.)

Wanneer in de tuin van mijn ouders de daglelies bloeien, denk ik aan het plezierige ogenblik waarop ik ontdekte dat deze hemerocallis de lievelingsbloem was van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson. Met dank aan het prachtige boek van Judith Farr, The Gardens of Emily Dickinson (2004).
It bloomed and dropt, a single Noon
The flower – distinct and Red –
I, passing, thought another Noon
Another in its stead
Will equal glow, and thought no More
But came another Day
To find the Species disappeared –
The same Locality –
The Sun in place – no other fraud
On Nature’s perfect Sum –
Had I but lingered yesterday –
Was my retrieveless Blame –
Much Flowers of this and further Zones
Have perished in my Hands
For seeking its Resemblance –
But unapproached it stands
The single Flower of the Earth
That I, in passing by
Unconscious was – Great Nature’s Face
Passed infinite by Me –
George Eliot publiceerde in 1878 een historische roman over Florence in het jaar 1492, met als heldin het humanistisch opgevoede meisje Romola de’ Bardi. Een boek waar ik gelukkig om ben, want George Eliot is bij uitstek de auteur van bijna angstaanjagend psychologisch inzicht, in tijdgenoten of mensen uit het verleden. En het decor is een van mijn favoriete steden. Het lijkt me sterk dat zo’n indrukwekkende roman zou kunnen worden verfilmd, zeker met de poppenkastachtige acteerprestaties die het handelsmerk zijn van de stomme film. Lillian Gish oogt mooi in dit portret, maar lijkt toch in alle betekenissen een maatje te klein om Romola gestalte te geven. Zou iemand zich aan een hedendaagse verfilming wagen- ik verdenk filmregisseurs zelden van diepgravende literaire belangstelling -, dan stel ik de sublieme Tilda Swinton voor als hoofdrolspeelster.
Dit is de eerste blik die George Eliot ons gunt op haar hoofdpersoon. We betreden een schemerige kamer in de Via de’ Bardi.
“De enige vlek van heldere kleur in het vertrek was het haar van een rijzige jonkvrouw van zeventien of achttien. Ze stond voor een gebeeldhouwde leggio, of lezenaar, zoals men die vaak ziet in de koren van Italiaanse kerken. Het haar was van een roodachtige gouden tint, verrijkt door een vloeiende golving, zoals men kan waarnemen in de wolken bij zonsondergang op de prachtigste herfstavonden. Boven haar kleine oren werd het getemd door een zwart haarnet, en daaruit golfde het opnieuw vrijuit en vormde een natuurlijke sluier voor haar nek boven de vierkant uitgesneden japon van zwart rascia, of serge. Haar ogen rustten op een groot boekdeel voor haar; een lange witte hand lag op de rugleuning van haar vaders fauteuil.
De blinde vader zat met geheven hoofd een weinig naar zijn dochter gekeerd, alsof hij haar zag. Zijn delicate bleekheid, benadrukt door de zwartfluwelen muts op zijn sluik wit haar, onthulde de gelijkenis tussen zijn oude gelaatstrekken en de hare, want ook haar wangen waren verstoken van enig roze. Beiden hadden dezelfde verfijnde voorhoofden en neusvleugels, in evenwicht gehouden door een volle, krachtige mond en een stevige kin, die een uitdrukking gaf van trotse vasthoudendheid en verborgen onstuimigheid: een uitdrukking die voltooid werd door de achterwaartse houding van het hoofd van het meisje en de grootse lijn van haar nek en schouders. Het was het soort gezicht waarvan men niet vermocht te zeggen of het liefde zou inboezemen of enkel de onwillige bewondering die vermengd is met angst. Die kwestie moest beslecht worden door de ogen…”
Ziet u? Geen Lillian Gish.

De strubbelingen rond de Hedwigepolder blijven verbazen. De Nederlandse overheid lijkt zonder schroom terug te komen op afgesloten en ondertekende verdragen. Was het niet de grote Nederlandse rechtsgeleerde Hugo Grotius die in 1625 de stelling Pacta sunt servanda, “Overeenkomsten moeten worden nageleefd”, tot een grondslag maakte van het internationale recht, geworteld in het natuurrecht? Hugo Grotius vond na zijn gewaagde ontsnapping uit het slot Loevestein nota bene asiel in Antwerpen, waar hij werd opgevangen door de kringen rond burgemeester Rockox.
H. Nellen, Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede 1583-1645, Amsterdam, 2007, p. 259; p. 310.

“Vanaf de toren van het Hansahuis schouwde hij in ontmoedigde ogenblikken over de nabije Schelde. Als hij moe was gekeken daalde hij de trap af, ging langs de centrale galerij naar zijn kamers, waar langs de wanden de Tiziano-kopijen en eigen taferelen droomden. Gravuren en schetsen volmaakten het geheel. Zijn ezels, schildersgereedschap, enkele amarant fluwelen zetels en een paar fraaie kasten vormden het meubilair. Deze kasten zijn hem een tweede glorie. De ene is met vierentwintig schilderijen op wit marmer versierd, de ander met verzilverd tin ingelegd.
Hier schilderde hij met veel liefde het portret van Nicolas Rockox, de burgervader der stad en vriend van Rubens. De burgemeester liet zich portretteren met zijn bekoorlijke jonge nicht en haar zoontje, de kleine Adriaan Rockox.
Lucas Vorsterman en Paul Pontius beloofden van dit tafereel een gravure te maken. Anton herinnerde zich met onbehagen de verbetenheid zijner vrienden bij deze belofte. Ze meenden het goed met hem maar konden het niet altijd tegen de duistere machinaties der vijanden bolwerken. Jordaens vergat niet en ontwapende nooit. Zelfs de vriendelijke en hoge bescherming van Rubens kon de lasteraars niet tot zwijgen brengen. Wat kon in hun ogen de te elegante kunstbroeder?
Wanneer het tafereel der Rockox, de eerste kunstminnaars tot loftuitingen had gedwongen om de vrijmoedige opvatting en de verrassende afwerking, dan vonden de afbrekers er niets anders op dan Anton te vragen of het kasteel dat erop voorkwam zijn eigendom was. Op de achtergrond had Anton het Hansahuis geschilderd.”
Aldus de Boomse schrijver Ludo Van de Wijgaert in zijn roman over Anton Van Dyck, Die Cierlycke (1949). Aardige lectuur voor een kunsthistoricus, blijkbaar ook in zijn eigen tijd gewaardeerd, want nog in 1962 uitgebracht in een pocketuitgave. Maar waar zijn de bekoorlijke nicht en haar zoontje, zult u zeggen? Ah, een mooi mysterie, een lang verhaal.