
Homerus hoort erbij (hij verklaarde een hele heldenoorlog al in zijn eerste versregel tot een uitvloeisel van ordinaire wrok), dan zijn er Socrates de lelijke, Plato de brede, Democritus de lachende, Epicurus de mooie… Athene, bewaard door Rome.

Uit Epicurus’ brief aan Menoikeus: “Wanneer wij dus zeggen dat lust ons levensdoel is, hebben wij het niet over de lust van losbandige lieden of over de lust die gelegen is in actief genieten – zoals sommige mensen denken die niet weten waar ze het over hebben en die met ons van mening verschillen of aan onze leer een negatieve uitleg geven – maar wij doelen op een toestand waarin het lichaam geen pijn heeft en de ziel niet verontrust wordt. Het gelukkige leven komt niet tot stand door drinkgelagen of onafgebroken feesten, noch door het genieten van jongens of vrouwen, of het eten van vissen of andere spijzen die de rijk voorziene tafel biedt, maar door nuchter denken, dat niet alleen de gronden onderzoekt van elk kiezen en vermijden, maar ook de ongegronde meningen uitbant waardoor de grootst mogelijke onrust zich van ons meester maakt.”
Epicurus, Over de natuur en het geluk, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door K. Algra, Historische Uitgeverij, Groningen, 1998, p. 132.
Zie ook de inleiding tot Epicurus bij Moraalmarokkaan:

Een zelfportretje van de jonge Léon Cogniet, die net de Prix de Rome had gewonnen, een studiebeurs voor vijf jaar verblijf in de Franse Academie in Rome. Hij is bezig zijn kamer in te richten, zijn gitaar heeft al een plaats gevonden. Buiten wenkt het licht op de Pincio. Wat een heerlijk gevoel moet dat zijn geweest, weten dat dit mooie avontuur net begon.
(Tot 4 juli te zien in Rooms With A View, Metropolitan Museum, New York)

De Oostenrijkse illustrator Hans Liska (1907-1983) specialiseerde zich in de weergave van voertuigen en werkte in de jaren 1950 meermaals voor Daimler-Benz. Deze tekening is typisch: we zien waar hij zijn favoriete wagen heeft achtergelaten, tussen de voetgangers en de koetsen op de Piazza della Signoria in Florence, en we zitten bijna samen met hem in de Loggia dei Lanzi de rug van Cellini’s bronzen Perseus te bewonderen. Een dynamische, haast hyperkinetische tekening van een man die Picasso, Ernst en Kokoschka vereerde.
H. Liska, Den Herzen hinter dem Stern, Stuttgart, 1955.
“In 1973, toen ik vijftien was, wandelde ik met enkele vriendinnen van school naar huis over het Najma plein in Damascus. Een van hen, een mooi blond meisje met een zwak voor drop, bleef achter om snoep te kopen bij een kraampje. Wij wandelden voort, giechelend en roddelend, bezorgd om onze moeilijke huistaak voor aardrijkskunde en nergens anders om. Op die zoetgeurende lentemiddag, met de amandelbomen in volle bloei en onze hele toekomst voor ons, beseften we nog niet hoe gruwelijk Syrië veranderd was onder de totalitaire Ba’athpartij. Een gloednieuwe zwarte Mercedes met verduisterde vensters – dertig jaar later nog steeds in gebruik bij dezelfde mafiosi van hetzelfde regime – vertraagde op de plaats waar onze vriendin Simone haar kleingeld uittelde. Het donkere glas gleed traag naar beneden en de man op de achterbank riep haar. Hij beval haar grof om in te stappen voor een fijn ritje. Zij werd bang en keek weg. De bruut, niet gewend aan weigering, stuurde zijn gewapende lijfwachten op haar af. Het meisje geraakte in paniek. Zij zag een winkeltje waar gasflessen werden verkocht, toen een courant artikel voor keukens. Ze rende ernaartoe en riep Dakhilak ya, Ammo! (Help me alsjeblieft, Oom!) naar de verbaasde oude uitbater.
Zoals veel vrome Arabieren van die lang vervlogen tijd vreesde Abu Ahmad enkel God en niets anders. Hij stormde naar buiten met een gasfles en een doos lucifers en zei tegen de mannen dat hij hen zou opblazen als ze niet wegreden en het meisje met rust lieten. Ze scheurden ervandoor. Wij hoorden het lawaai en snelden terug naar onze vriendin. Ze zat op een werkbank in het winkeltje en hield in haar bevende handen een gespikkelde mok met water, waar haar vriendelijke redder een druppel oranjebloesemessence aan had toegevoegd, zeggend dat dit haar zou kalmeren. We dankten hem snel en namen afscheid; niemand van ons vermoedde dat we hem nooit zouden weerzien.
De volgende dag werd hij een van Syriës vermiste personen, die nu in totaal, volgens Human Rights Watch, met 17.000 zijn.”
Rana Kabbani, Road to Revolution, in Vogue (Britse editie), juni 2011, p. 173.

Ik bezocht een tentoonstelling van landschappen die me soms wonderlijk vertrouwd voorkwamen. Omdat de schilder en ik familiegeschiedenis delen en, onafhankelijk van elkaar, dezelfde reacties op sommige vergezichten hebben geleerd sinds onze kindertijd? De slinger van penselen waarschuwde bezoekers voor de lage latei.