Moeilijke eters zijn geen recente uitvinding, zo blijkt. In het heerlijke spreekwoordenboek van Ioannes Sartorius (Antwerpen, 1561) leest men al: hy mach niet dan randekens van pannekoeken.
Als schrijver lach ik dan weer hartelijk, doch cynisch, om: aut mortuus est aut docet literas. Hy is doot of in grote noot (‘onderwijst letterkunde’). Want het schrijversbestaan kent zijn hachelijke momenten. Aut mortua est aut scribit literas.
I’d done it before
(and doubtless I’ll do it again,
sooner or later)
woke up with a head on the pillow beside me – whose? –
what did it matter?
Good-looking, of course, dark hair, rather matted;
the reddish beard several shades lighter;
with very deep lines around the eyes,
from pain, I’d guess, maybe laughter;
and a beautiful crimson mouth that obviously knew
how to flatter…
which I kissed…
Colder than pewter.
Strange. What was his name? Peter?
Simon? Andrew? John? I knew I’d feel better
for tea, dry toast, no butter,
so rang for the maid.
And, indeed, her innocent clatter
of cups and plates,
her clearing of clutter,
her regional patter,
were just what I needed –
hungover and wrecked as I was from a night on the batter.
Never again!
I needed to clean up my act,
get fitter,
cut out the booze and the fags and the sex.
Yes. And as for the latter,
it was time to turf out the blighter,
the beater or biter,
who’d come like a lamb to the slaughter
to Salome’s bed.
In the mirror, I saw my eyes glitter.
I flung back the sticky red sheets,
and there, like I said – and ain’t life a bitch –
was his head on a platter.
Hoe adembenemend mooi, dit schilderij van Jan Van Amstel. Sint-Christoffel steekt de rivier over en torst de wereldbol op zijn rug. Zie de planten op de oever, zijn weerspiegeling in het water, de zachte weidsheid.
Uit het bezit van het Koninklijk Museum van Antwerpen, nu in het Gulden Kabinet van het Rockoxhuis. (Klik op de afbeelding om te vergoten.)
Het speet me te vernemen dat Pom vandaag overleden is. Ik beschouw hem als de meest onderschatte niet-pretentieuze striptekenaar. En van zijn heldin Susan heb ik altijd gehouden.
Een fragment uit een column over haar, die ik schreef voor Stripgids.
Thuis groef ik mijn strips van Piet Pienter en Bert Bibber nog eens op uit de stapel Rode Ridder, Safari, Jerom, Robert & Bertrand, Biggles, Johan & Pirrewiet, Jommeke en Yakari. Stuk voor stuk onmodieuze beeldverhalen, maar beladen met jeugdherinneringen en nog steeds een bron van troost, of in elk geval vergetelheid, in slapeloze nachten. Ik herlas El Rancho Grande, De dubbel-koolzure-soda-bom en Bulder-lachgas. Daarna vroeg ik me af of tekenaar Pom niet een onderschatte figuur is. Plotseling viel zijn ontwapenende humor op: ik vond het grappig, hoe hij een prentje van een auto in een plensbui voorziet van het opschrift “Op een stralende zomerdag”, hoe hij de republiek San Felipe situeert “ten oosten van het westen in het noorden van Zuid-Amerika” en er iedereen Spaans-met-haar-op laat spreken ( Okéjos kamerados), hoe dwangarbeiders in de Democratische Arbeidersrepubliek zichzelf gelukkig prijzen dat ze geen kapitalisten zijn (“Lofzang in F-mineur”), hoe een Italiaanse charmezanger Rocco Macaroni heet, hoe hij meta-momenten inlast tussen zijn boulevardplotwendingen: “MAAR… zoals bekend speelt in een tekenverhaal het TOEVAL steeds ’n grote rol… (het toeval brengt gewoonlijk redding waar de inspiratie te kort schiet) DUS…” En hoewel ik altijd een fan van Susan ben geweest, bleek ze nog veel charmanter te zijn dan ik dacht. Om te beginnen herontdekte ik haar garderobe –de zwarte strik in haar paardenstaart, de zwierige jurkjes met mooie motieven en gevarieerde kragen, soepel vallende rokjes, de onmisbare chique regenjas en zijden foulard voor spionage-opdrachten, haar perfecte cowgirloutfit in El Rancho Grande. Misschien had ik zoveel oog voor detail niet verwacht in deze eenvoudig getekende strip. Bovendien weet ik een “multi-millionaire” wel te waarderen: sinds Pippi Langkous en haar kist met goudstukken in ons blikveld verschenen, weten we allemaal dat een persoonlijk inkomen vrouwen vrij maakt, en vrije vrouwen zijn nu eenmaal spannender, daar helpt geen lievemoederen aan. Susan is moedig: nadat haar auto op een bergweg beschoten is, uit de bocht vliegt en in een ravijn stort, is haar enige commentaar: “Verschrikkelijk! ‘n Ladder in mijn nieuwe nylons!” Die “dubbelgeweven nylons” zullen, aaneengeknoopt tot een touw, haar vrienden ook nog eens helpen uit een benarde situatie te ontsnappen. Het meest van al bewonderde ik haar zelfvertrouwen. “Nog voor geen 100 Pino Cabello’s gaat Susan op de loop!” Wil men haar gewapenderhand dwingen een verkoopscontract te ondertekenen, dan verscheurt ze het contract en gooit de snoodaards een pot inkt in het gezicht. Wordt ze gegijzeld door een geheime dienst, dan voorspelt ze accuraat: “Binnen twee dagen eten die kerels hier uit mijn hand.”
Wanneer een kunstenaar tevens dichter is en bovendien boeken restaureert, dan is dat een gelukkige combinatie. En zo keerde mijn onmisbare Carel Van Mander met herstelde rug naar me weer, in een pakje met oude verkiezingsstickers en Magrittiaans opschrift. Dank aan Christoph Bruneel, wiens website u hier kunt bekijken..
I dreamt that people from the Land of Chimes
Arrived one autumn morning with their bells,
To hoist them on the towers and citadels
Of my own country, that the musical rhymes
Rung by them into space at measured times
Amid the market’s daily stir and stress,
And the night’s empty starlit silentness,
Might solace souls of these and kindred climes.
Then I awoke: and lo, before me stood
The visioned ones, but pale and full of fear;
From Bruges they came, and Antwerp, and Ostend,
No carillons in their train. Vicissitude
Had left these tinkling to invader’s ear,
And ravaged street, and smouldering gable-end.
De bijdrage van Thomas Hardy aan King Albert’s Book. A Tribute to the Belgian People from Representative Men and Women Throughout the World, een uitgave ten bate van het Daily Telegraph Belgian Fund, 1914.
Sarah Bernhardt, “reine de l’attitude, princesse des gestes”
Ik leerde Sarah Bernhardt kennen dankzij Lucky Luke. Later vond ik in een antiquariaat haar autobiografie en las ik over haar in andere bronnen. Die bevestigen vele details van Luke’s avontuur. Morris heeft zich uitstekend gedocumenteerd. Onderweg in de States kocht Sarah inderdaad een walvis, om maar iets te noemen. En de ontdekkingsreis gaat verder. Want Marcel Proust schreef ook over haar, in Op zoek naar de verloren tijd. Daarin heet zij la Berma. “In de zinnen van de moderne dramaturg even goed als in de verzen van Racine wist la Berma weidse beelden van smart, edelmoedigheid en passie op te roepen die haar eigen meesterwerken waren, en waaraan men haar herkende, zoals men een schilder herkent in de portretten die hij maakte naar verschillende modellen.” Proust wijdde vele bladzijden aan la Berma en schreef daarmee een bijzonder ontroerend eerbetoon aan de dramatische kunst.
Over Sarah Bernhardt als heldin bij Lucky Luke, zie de volgende Stripgids.
Helaas! als het mij onverschillig liet gelijk wie te ontmoeten behalve haar, dan was het voor haar, dat voelde ik, enkel draaglijk om gelijk wie te ontmoeten behalve mij. Tijdens haar ochtendwandeling werd zij begroet door heel wat idioten, die zij ook als dusdanig taxeerde. Maar beschouwde zij hun verschijning niet als een belofte van genot, dan toch als een toevalligheid. En zij hield hen soms staande, want er zijn ogenblikken waarop men de behoefte voelt uit zichzelf te treden, om de gastvrijheid te aanvaarden van andermans ziel, op voorwaarde dat deze ziel, hoe bescheiden en lelijk ook, de ziel van een vreemde is – terwijl ze geërgerd aanvoelde dat ze in mijn hart slechts zichzelf zou aantreffen.
(De verteller van Marcel Proust komt in de problemen, bij het achternalopen van Oriane de Guermantes. En wat een prachtige zin levert dat op.)
Marcel Proust , Le Côté de Guermantes I (Pléiade, 2, p. 442)