De Groote Oorlog in ons hoofd

W. Geets, Virginie Loveling, AMVC Antwerpen
W. Geets, Virginie Loveling, AMVC Antwerpen

Volgende zondag houd ik voor filosofisch genootschap Het Zoekend Hert een lezing over de oorlogservaringen van Virginie Loveling en Virginia Woolf. Gravend in mijn archief vond ik een tekst terug, geïnspireerd door hun beider dagboeken.

Virginia Woolf, 1927
Virginia Woolf, 1927

Virginie: Ik werd geboren in mei 1836 – mijn land, België, bestond nog maar zes jaar, en voor mijn moeder was kinderen baren even natuurlijk als bloesemen en vruchten dragen voor de kerselaars in onze boomgaard. Zo leek het mij toch – wij zagen haar wonderlijk graag en ze oefende een volkomen gezag over ons uit, nooit plukten of vertrapten wij enige bloem of kruid tijdens onze kinderwandelingen omdat zij het ons verboden had. Het liefst las zij de Franse klassieken, waarvan zij vele bladzijden uit het hoofd kende en voordroeg; en zij was een kenner van het leven en de veldslagen van Napoleon.
Virginia: Mijn moeder baarde mij op 25 januari 1882 in Londen, en terwijl ik dit vertel, lijkt mijn liefde voor haar sterker dan ooit tevoren – ooit zijn wij één geweest. Mijn moeder was een beroemde schoonheid. Mijn levenslicht was licht van sneeuw, weerkaatsend in de kraamkamer, vervloeiend in de gloed en de schaduwen van het haardvuur. Konden we bij onze dood maar terugkeren naar de bescherming van een dragend lichaam – ik koos voor het water.

Virginie: Plotseling leefde ik in bezet gebied; schrijven werd verboden. Maar ik schreef, op losse bladen die ik in mijn boekenkast verstopte, tussen de onopengesneden bladen van tijdschriften, in blikken dozen onder de houtstapel in mijn tuin, in mijn handwerkmand. Ik was achtenzeventig toen de grote oorlog begon.
Virginia: Londen krioelde van de Belgische vluchtelingen. Een van hen was een graaf en had tijdens het kerstdiner, na de schotels met varkensvlees en kalkoen, verzocht om een derde vleessoort. “Als ze zoveel eten in ballingschap, wat moeten ze dan wel niet eten wanneer ze thuis zijn?”, vroeg Mevrouw LeGrys zich af. En zij behoorde tot een volmaakte dag, zaterdag 2 januari 1915 – waarin ik schreef en las, en wandelde met mijn hond, en mijn thee nam met room en honing, en een villaatje opmerkte met gordijnen van gele zijde, zo burgerlijk. En al die tijd wist ik dat jonge mannen stierven en waanzinnig werden in de loopgraven. En ik werd ook waanzinnig.
Virginie: Heel mijn leven heeft de regen mij getroost. Die zachte grijze ruising stilde gekwelde zenuwen, een overwerkte geest. In 1917 merkte ik voor het eerst dat de regen agressief geworden was. En in mijn geest riep ze alleen nog spookbeelden op van slijk en oorlogstuigen.
Virginia: In september 1918 ging ik paddestoelen plukken. Liggend in het gras zag ik een rode haas de heuvel oprennen. “Dit is leven op Aarde,” dacht ik.

Virginie: Na de oorlog schreef ik niet veel meer. Ik stierf in 1923. Velen vonden misschien dat ik mezelf overleefd had. Ik was een vrouw uit een andere tijd.
Virginia: Ik was gelukkig in 1923. Ik werkte aan een boek. Ik denk zelfs dat ik het nu met plezier zou herlezen. Een vrouw in Frankrijk trof me – hoe ze daar zat, een jurk van groengrijze zijde verstellend in de zon, haar haar glanzend, een draad doorbijtend met witte tanden, roodgelakte nagels. Als het lot: verstellend, knippend, onaantastbaar. En zulke beelden blijven zweven in de geest, zoveel dingen klitten errond.
Mijn hele leven probeerde ik de taal vrijer te maken, elastischer – een glinsterend net om alles in op te vangen. Maar schrijven is uitputtend. Je voelt te veel. Je wordt andere personen. Toen de oorlog begon, kon ik het aan; mijn man en ik hadden onze voorzorgen genomen, om bij een inval een eind aan ons leven te maken. Toen we hem weerstonden, voelde ik de horror beginnen. Maart 1941. En ik ging naar de rivier – ik raapte stenen.

Virginie Loveling, In oorlogsnood. Dagboek 1914-1918, Gent, 1999.
Virginia Woolf, The Diary. 1915-1941, 5 dln, (Penguin Books), Londen, 1979-1985.

Julia Carlotta

A.R. Mengs, Portret van Julia Carlotta Mengs, Rijksmuseum Amsterdam
A.R. Mengs, Portret van Julia Carlotta Mengs, Rijksmuseum Amsterdam

Ik blader door de memoires van Casanova. Goddank duidde ik vele jaren geleden in potlood de passage aan waarnaar ik nu zoek. Ik lees over Anton Raphael Mengs in Rome, over het nabijgelegen stadje Frascati, en betreed er met de dubieuze verteller een bizarre wereld van amateurkunst en hypocriete gelegenheidsverzen. Plotseling wil ik een verhaal schrijven over die tijd. Maar ik ben zoals steeds de slaaf van ander werk. In afwachting troost ik me met deze afbeelding, een portret dat Mengs schilderde van zijn zusje Julia Carlotta. Dit soort gezichten zag men toen, dit soort charme. Het brengt die vervlogen wereld tot leven.

Lichtmis

Albrecht Dürer, Jonge haas, 1502: Albertina, Wenen
Albrecht Dürer, Jonge haas, 1502: Albertina, Wenen

Met Lichtmis zijn er jonge hazen.
Een uitspraak van mijn grootvader, vandaag geciteerd door mijn vader.
Jonge eenden kunnen een kwartier na hun intrede in het daglicht zwemmen, maar pas vliegen op Sint-Jan. Want hun vleugels moeten groeien.

Hij liet eendeneieren uitbroeden door een krielhen. En zag in juni, omstreeks Sint-Jan, hoe de kriel verbijsterd toekeek toen haar pleegkinderen opstegen.

Zevenhonderd

Claire Bretécher en Theresa van Avila
Claire Bretécher en Theresa van Avila

Mijn favoriete uitspraak in Claire Bretéchers La vie passionnée de Thérèse d’Avila (1980). De heilige vertelt haar wereldse vriendin, tien jaar getrouwd en voor de vijftiende keer zwanger, dat een vrouw in de zestiende eeuw haar verstand moet gebruiken. Wie de Zurbarantentoonstelling in het PSK gaat bezoeken, zal ook plezier beleven aan dit fantastische stripalbum. Ik bespreek het voor mijn column Heldinnen in de volgende Stripgids.

(Mijn zevenhonderdste bericht.)

SJP

In de grauwe maand januari is vrouwelijke charme onontbeerlijk. Men kan niet altijd naar de grijze lucht staren door het dakvenster, of een verpletterende lijst met taken bestuderen op de bladzijden van de agenda. Dan is het verfrissend, om een favoriet ensemble uit een favoriete tv-serie nog eens terug te zien. Het baanbrekende Sex & the City wordt nu opgevolgd door het baanbrekende Girls, even rijk aan humor, minder rijk aan glamour.

Gent, steenweg

Brusselse Poort (Keizerpoort), Gent. J.J. Wynants, Atlas Goetghebuer
Brusselse Poort (Keizerpoort), Gent. J.J. Wynants, Atlas Goetghebuer

“Op de 18de juni 1815, tegen de middag, verliet ik Gent langs de Brusselse poort; ik ging alleen wandelen op de steenweg. Ik had de Commentaren van Caesar meegenomen en ik vorderde traag, verdiept in mijn lectuur. De stad lag al een mijl achter me toen ik een dof gedruis meende te horen. Ik bleef staan, keek naar de bewolkte lucht, overwoog of ik verder zou gaan dan wel terugkeren naar Gent uit vrees voor het onweer. Ik spitste mijn oren; ik hoorde enkel de kreet van een waterkieken tussen het riet en het luiden van een dorpsklok. Ik vervolgde mijn weg; na nog geen dertig stappen herbegon het gedruis, nu eens kort, dan weer lang, en met ongelijke intervallen; soms slechts merkbaar aan het trillen van de lucht, dat zich voortzette in de aarde van die onmetelijke vlakten, zo ver was het verwijderd. Deze donderslagen, minder luid, minder golvend, minder samenhangend dan die van een onweer, deden me denken aan een gevecht. Ik zag een populier aan de rand van een veld met hop. Ik stak de weg over en leunde tegen de stam, met mijn gezicht in de richting van Brussel gewend. De zuidenwind wakkerde aan en en droeg nu duidelijker het geluid van de artillerie. Die grote, nog naamloze strijd, waarvan ik de echo’s opving aan de voet van een populier, en waarvoor een dorpskerk de doodsklok luidde, was de slag van Waterloo!”

Opnieuw bevond François-René de Chateaubriand zich ver van de plaats waar de zaken werkelijk werden beslist. “Omdat de hemel u neergooit waar hij wil.”

Damascus

Pieter Bruegel, De bekering van Saulus (detail), Wenen, KHM
Pieter Bruegel, De bekering van Saulus (detail), Wenen, KHM

25 januari, herdenking van de bekering op de weg naar Damascus, meldt mijn agenda me. Saul van Tarsus werd Paulus. De gedachten gaan naar de toestand in Syrië, maar ook naar Alain Badiou, die, zo leert het internet me, een bijzondere nieuwe interpretatie van Paulus ontwikkelde. Wat is er weer veel dat ik niet weet. Bruegel daarentegen weet bijzonder goed hoe alledaags een bekering er uit kan zien in de ogen van omstanders. Tegenslagje. Ook dat nog. Moeten we weer even oplossen. Hijs hem terug in het zadel.

Gent & Granada

Gravensteen, Gent
Gravensteen, Gent

“De gebouwen van Gent riepen die van Granada in mijn herinnering, zonder de hemel van de Vega. Een grote stad, haast verstoken van inwoners, verlaten straten, kanalen even leeg als de straten… zesentwintig eilanden gevormd door die kanalen, niet bepaald die van Venetië, een enorme versterking uit de middeleeuwen, dat verving in Gent de wijk van de Zegris, de Duero en de Xenil, het Generalife en het Alhambra: mijn oude dromen, zie ik u ooit weer?”

Chateaubriand dwaalde door Gent in het voorjaar van 1815 en zag koning Lodewijk XVIII (Lowie Die Zwiet, volgens de Gentenaren, de vorst was zwaarlijvig) in zijn koets minzaam de hertog van Wellington toeknikken.

Chateaubriand in België

Calvarieberg, Sint-Pauluskerk Antwerpen
Calvarieberg, Sint-Pauluskerk Antwerpen

1815. Napoleon probeert opnieuw de macht te grijpen in Frankrijk. Koning Lodewijk XVIII vlucht uit Parijs naar Gent. Het echtpaar Chateaubriand volgt hem.
“Na haar uitstap naar Oostende ging mevrouw de Chateaubriand naar Antwerpen. Daar zag ze, op een kerkhof, een vagevuur met zielen van gips, besmeurd met as en vuur.”
De eerste keer dat ik de Mémoires las, viel dit zinnetje me niet op. Nu realiseer ik me dat mevrouw de Calvarieberg van de Sint-Pauluskerk bezocht – ruim honderd jaar later vereeuwigd door Max Elskamp, in La chanson de la Rue Saint-Paul.