Le cottage et la ferme Van Schelle, Diepte, à Merxplas

Literaire woning in de Noorderkempen

“De geur van lindebomen waaide aan. Al het houtwerk was nog geschilderd in de verf die meneer Van Schelle er eertijds voor had gekozen, vliegenwerend blauw, nu gebarsten, afgebladderd, door de hitte van zestig zomers in blaren getrokken. Hier zag ik Amélie de meid met het jonge geitje achter zich aan, dacht hij. Hier zullen de meiden en knechts paniekerig vergaderd hebben toen ze een telegram onvingen met het bericht dat Mijnheer terugkwam uit Zuid-Afrika en een tijd wilde uitrusten op zijn buitengoed – want in zijn afwezigheid hadden ze de splinternieuwe machines verkocht omdat ze er niet mee wilden werken en het hele domein maar een beetje tot eigen voordeel uitgebaat. Het was een typisch geval, rijkelui uit Gent, Antwerpen of Brussel die hier hele lappen hei opkochten voor een appel en een ei en die arme grond eens met de nieuwste technieken zouden laten bewerken door hun pachters. Herenboer spelen.

Uitgevlogen

Na de grote oorlog hadden ze alles verkocht. Boer Haest, die in de loopgraven blind was geworden, had blijkbaar genoeg geld in een sok, want hij kocht deze boerderij. En de boomkweker kocht de aanpalende villa, en nodigde mij en mijn broers uit om wafels te komen eten en wijn te komen drinken, in het gezelschap van zijn dochters. Maar voor een stapel wafels gingen we onszelf nu ook weer niet laten vangen.”

L. Huet, Almanak, Atlas, 2005, p. 144-145.

Joie de vivre

“Hij liet zich niet pramen, hij was gek op die Amerikaanse sleeën. Ze schoven gedrieën op de voorbank. Hij legde zijn handen goedkeurend op het witte stuurwiel met de metalen ring en het roodzilveren wapenschild in het midden en draaide de sleutel om in het contact. Dat was techniek, de zoete manier waarop deze grootse motor begon te draaien en de soepele schakeling aan het stuur. Drie versnellingen, dit type was nog niet automatique. Powerglide of Dynaflow noemden de Amerikanen dat, meende hij zich te herinneren. When better cars are built, Buick will build them, luidde de slagzin op een van die folders die hij als kind had verzameld  op het Autosalon en die de muren van zijn slaapkamer sierden. Twee ton staal onder je kont en het gevoel zo licht als een veertje voort te glijden. ‘Een rijdende salon,’ zei hij bewonderend terwijl ze de bocht namen. ‘Maak het jullie gemakkelijk, juffrouwen. Waar gaan we naartoe?’ ”

L. Huet, Almanak, p. 110.

Corbillard

Ter gelegenheid van de erfgoeddag haalde men in Merksplas-Kolonie een oude corbillard van stal. Met een dergelijke lijkwagen werden de vagebonden of colons (door de staat opgevangen daklozen) tot in 1975 naar hun laatste rustplaats gebracht. Die is bijzonder mooi, midden in de bossen, als in een groene kathedraal.
Dit kerkhof stemt mij, door zijn rust en waardigheid, niet melancholiek. De verklarende tekst bij de toegangspoort, die bezoekers inlicht over het historische karakter van deze locatie, deed dat wel. In een onbewaakt moment noemt men de doden daar plotseling pseudo-toeristisch “de vagebondjes”.

De corbillard rijdt de begraafplaats op

Begraafplaats, Merksplas-Kolonie

Grafkruis op het kerkhof van de vagebonden

Tijdens de erfgoeddag bezocht ik het “kerkhof van de vagebonden” in Merksplas-Kolonie,  waar ik opgroeide. De begraafplaats is sinds de negentiende eeuw in gebruik; er zouden meer dan zesduizend mensen rusten, hoewel er maar een tweehonderdtal kruisen bewaard bleven. De griepepidemieën aan het einde van de Eerste wereldoorlog alleen al eisten tweeduizend levens in de dépôts de mendicité van Merksplas en het nabijgelegen Wortel. De laatste begrafenis vond hier plaats in 2000. Om redenen van discretie werden de graven genummerd en de nummers opgetekend in een register, samen met de naam van de overledene en de doodsoorzaak. Eventuele familieleden konden via de nummering het graf van hun verwant identificeren, al betekende een begrafenis in de Kolonie in de praktijk dat de familie het zwarte schaap verstoten had, of dat er geen familie meer was.