Vroeger, nu

Christine de Pisan, gezien door de meester van Bedford

Miniatuurschilders wisten het dagelijks leven bijzonder charmant voor te stellen. Wellicht werkte die charme ook al voor de tijdgenoten. De meester van Bedford maakte schrijfster Christine de Pisan erg lieflijk, in haar blauwe jurk. Hoe vreemd dan, om de vijftiende-eeuwse werkelijkheid plotseling in een foto te zien.

Christines jurk en coiffe à cornes

(Historische kostuums gemaakt door Kat’s Hats)

Toevlucht of speeltuin

Bibliotheek (Foto KUL)

Is het leven een strijd tussen zonden en deugden, tussen mannen en vrouwen, tussen biologische cycli en andere vormen van tijdrekening? Veel vaker nog gaat het om het helse gevecht tussen verstrooiing en concentratie. Wanneer ik in mijn eigen huis geen innerlijke rust meer kan laten opwellen, verhuis ik naar een bibliotheek. Misschien ben ik precies om die reden in een stad met talrijke bibliotheken komen wonen? “Geschiedenis en Neo-Latijnse literatuur” staat er boven de deur, wat iets geruststellends heeft. Het interieur kraakt niet van oud en edel hout, maar door de vensters kijk je uit op wuivende boomkruinen. Je brengt er tijd door in het gezelschap van andere lezers. Het is er stil, al zou je de concentratie kunnen horen zoemen. Daar zit ik dan, met mijn schriftje, klaar voor ideeën. Komen die niet meteen, dan sta ik op en wandel eens langs de boekenrekken. Geschiedenis van de middeleeuwen. Christine de Pisan. Marina Warner, Joan of Arc. “How did she happen?” How indeed? Even lezen. Wanneer ik opkijk, zijn we drie uur verder. Waar gaat het naartoe, wanneer men zelfs in bibliotheken al afleiding kan vinden?

Ratio quique reddenda

M. Sweerts, Portret, 1656 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Een bijzondere schilder, Michael Sweerts (1618-1664). Brussel, Rome, Amsterdam, Marseille, Isfahan, Goa, dat is zijn traject. Mooie melancholie in dit schilderij: jongeman verdwaald tussen kasboeken, wisselkoersen en geldbuidels. Een mens zoals u en ik. Ratio quique reddenda, staat er op het vel papier dat aan het tafelkleed is gespeld: Iedereen moet zijn rekening betalen.

Rode veeg

Antoon Van Dyck, Portret van burgemeester Rockox, 1621 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Ziet u die rode veeg, boven de linkerhand van de burgemeester? Die okerkleurige stip, op de schouder van de kleine bronzen Herculesbuste? Antoon Van Dyck nam een penseel en zette een rode lijn boven de hand van zijn opdrachtgever, hij nam een ander penseel en trok een lichte streep over de neus van de Jupiterkop, toetste een enkele vlek op de bronzen schouder, om achteloos het licht te vangen. Sprezzatura. We zagen de schilder aan het werk, alsof hij net nog in de kamer was geweest. Het leverde een bijzonder moment op, de burgemeester ontmoeten in Amsterdam. Het portret bleek ‘in het echt’ veel sterker dan foto’s laten vermoeden. Misschien heeft de schilder niet de kans gehad om het helemaal af te werken. Nicolaas Rockox keek ons streng aan, ook al zijn we z’n biografen. Hij zag er intelligent uit, en vastberaden. Charmant, die ongetemde, wat warrige lok op zijn kruin.

‘Rubens, van Dyck en Jordaens’, tot 16 maart 2012 in Hermitage, Amsterdam.

Brief uit Brugge

De dood van Jeanne d'Arc ('Vigiles', Martial d'Auvergne, 1484)

Uit de brief van een Venetiaanse handelaar in Brugge, 22 juni 1431, opgenomen in de Kroniek Morosini:

“De nobele jonkvrouw werd in Rouen bewaakt in een zeer strikte gevangenis; men zegt dat de Engelsen haar twee of drie keer hebben willen verbranden als ketter, ware daar niet Mijnheer de Dauphin van Frankrijk, die grote dreigementen aan de Engelsen heeft gezonden; maar desondanks hebben de Engelsen haar de derde keer, met behulp van enkele Fransen, levend laten verbranden op de markt van Rouen. Voor haar marteldood was zij berouwvol en zeer vroom gestemd; men zegt dat haar toen Mevrouw de heilige Catharina, maagd, verschenen is, die haar troostte, zeggend: ‘Dochter van God, houd vol in je geloof, daarmee zal je worden opgenomen in het getal van de maagden in het Paradijs in de glorie.’ En daarna stierf zij ingetogen. Om welke reden Mijnheer de Dauphin, Koning van Frankrijk, diepe rouw droeg, en aankondigde een vreselijke wraak op de Engelsen te zullen nemen… Men beweert dat de successen van de Fransen de marteldood van de Pucelle hebben veroorzaakt, dat de Engelsen zegden: ‘Is de jonkvrouw eenmaal dood, dan zal niets de Dauphin nog lukken.’ God geve dat het niet zo zal zijn!”

Ik gebruikte de eerste Franse vertaling, gepubliceerd door Leopold Delisle in het Journal des Savants in 1895, bij de herontdekking van het manuscript. De originele Venetiaanse tekst, met nieuwe Franse vertaling, vindt u hier.

Hermitage

Kanaal in Amsterdam

Binnenkort ga ik naar de Hermitage in Amsterdam – een idee dat tien jaar geleden nog absurd zou hebben geklonken, zo bevreemdend als de geografie van Antiterra in Nabokovs roman Ada. Ooit trachtte Abraham Ortelius een kaart te tekenen van More’s Utopia – is er een hedendaagse geograaf die Antiterra in kaart brengt, met haar wonderlijke versmelting van Rusland, Europa en Noord-Amerika?

En in de Hermitage in Amsterdam zal het portret te zien zijn dat Antoon Van Dyck in 1621 schilderde van burgemeester Rockox. Ongetwijfeld een bijzondere ervaring voor de burgemeester, die reis naar het vertrouwde en toch ooit vijandige noorden, 390 jaar na het einde van het Bestand.

5, 6, 7: penta, hexa, hepta

De nimf Arethusa (Lyon, Musée des Beaux-Arts)

Onze taal is klemtoonrijk en wordt mogelijkerwijze ontsierd door een overvloed aan doffe klanken. Met die gegevens moet een dichter rekening houden. Hoewel ik op school geleerd heb Latijnse verzen te scanderen, heb ik de klassieke dactylische hexameter nooit echt doorgrond, misschien omdat ik ook niet wist hoe Latijn eigenlijk klonk uit de monden van Romeinen (laat staan Grieks uit de monden van Ioniërs). Hexameter: zes versvoeten in een regel, en in zijn langste gedaante kun je de dactylus, mutatis mutandis, gelijk stellen aan drie lettergrepen. Hoedanook, men raakt erdoor vertrouwd met de koninklijke breedte van het vers, die in recente poëzie schaars is. Moderne dichters in Germaanse talen kiezen vaak voor de iambische pentameter: vijf versvoeten, gebaseerd op de afwisseling tussen klemtoon en kielzog. Dit alles nog verrijkt met een elegant rijmschema. Veel kortere verzen, gedichten als zuilen.

Bij het herlezen valt me op hoe mooi de oplossing is die mevrouw d’Hane-Scheltema koos voor haar vertaling van Ovidius’ Metamorphosen. Een epos, dus geschreven in dactylische hexameters. Er bestaan Nederlandse vertalingen in dezelfde versvorm, maar voor het Nederlands is dat soms een nauw en lastig kledingstuk, zeker als men een gelijk aantal regels wil afleveren. En dus koos ze voor een iambische heptameter: zeven iamben in een versregel, fraaie breedte, ademruimte en een voor onze taal natuurlijk, lichtvoetig ritme.  En ze schonk ons vele welluidende regels zonder zelfs maar één doffe klank:

geen grond is mij zo lief! Ik, Arethusa, heb mijn bron…