Een mooi motto voor een ex-libris, ontleend aan een sonnet van de zestiende-eeuwse dichter Joachim du Bellay – alleen heeft hij het over un beau voyage, en daarna weer naar huis terugkeren (Plus que le marbre dur me plaît l’ardoise fine, schrijft hij in Rome vol heimwee naar zijn geboortestreek bij de Loire); un long voyage is de wijziging die Georgens Brassens aanbracht toen hij er een liedtekst van maakte. Was de vermoedelijk Angelsaksische bewoner van Pinoch House dan een Brassens-fan? Het zijn glimpen van andere levens die alleen de liefhebber van tweedehands boeken opvangt.
Was ik een uitgever, ik zou de honderdste verjaardag van Maeterlincks Nobelprijs voor de Literatuur herdenken door zijn charmante bundel herinneringen Bulles bleues (1948) in het Nederlands te vertalen. In Drie dichters blikt hij terug op zijn vriendschap met Charles Van Lerberghe en Grégoire Le Roy. De schrijvers groeiden samen op in Gent. “Gent, onze goede, sombere en oude stad die in mijn jeugd evenveel bruggen als straten telde, was hermetisch afgegrendeld voor iedere vorm van literatuur.” Wat Le Roy betreft, “zijn leven, feller bewogen dan het onze, verstoorde soms onze ijverige rust. Zo moest ik, omdat ik een goede schermer was, optreden als zijn getuige in een duel dat onvermijdelijk was geworden door een opeenvolging van beledigingen en klappen. Normaal gezien had Van Lerberghe de tweede getuige moeten zijn; maar hij kon noch het gekletter van degens, noch de knallen van vuurwapens verdragen. Wij vervingen hem door de zoon van een generaal die ons volledig was toegewijd. Wij ontmoetten de secondanten van de tegenstander. Ik bood de strijders een dreef aan in onze tuinen van Oostakker, en wij gevieren kwamen snel overeen om, zonder medeweten van onze cliënten, zeer veel kruit in de pistolen te steken en de kogels te vergeten. Die liet ik in mijn zak glijden. Twee denkbeeldige projectielen werden dus, volgens de geijkte formule, ‘uitgewisseld zonder resultaat’. De eer was gered, en wij vierden een volmaakte verzoening met een goed landelijk maal, gul bevloeid met kostbare flessen die ik eerlijk ontleende aan de vaderlijke kelder.”
M. Maeterlinck, Trois poètes, in Bulles bleues, Parijs, 1948, p. 215-221.
Calenda Maia, dichtte de troubadour Rambaut de Vaqueras, De eerste mei. Geen rode vlaggen, maar groene takken – tot diep in de vijftiende eeuw vierde men de eerste dag van de mooie maand door zich in het groen te kleden, het bos in te rijden en er bloeiende takken te verzamelen om de woningen te versieren. (Stel je voor, een picknick organiseren met een kamerorkest erbij.) Edellieden droegen symbolische gewaden die zachtgroen gekleurd werden met gemalen malachiet. Misschien werd deze steen ook gebruikt voor het groen in deze afbeelding? Tel dat op bij de uit het Midden-Oosten ingevoerde ultramarijn voor het blauw, en het bladgoud, en de exquise kwaliteit van het perkament, en men begint zich een idee te vormen van de extravagante kostprijs van dit manuscript, nog zonder de honoraria van de kunstenaars te rekenen; meteen begrijpt men ook hoe grauw of neutraal de kleding van het volk was, met als enige kleurstoffen de aftreksels van planten of kruiden. De edelvrouw op het witte paard zou Marie zijn, dochter van de opdrachtgever van dit getijdenboek, Jean, hertog van Berry. Op de achtergrond zien we de torens van Parijs.
De dichter Charles d’Orléans, kleinzoon van de hertog, vatte de feestelijke sfeer van mei in een ballade:
Een ontwerp van de Britse graficus Eric Gill (1882-1940), een man die voornamelijk werkte in zwart en wit en er mogelijk een al te kleurrijke levensstijl op nahield.
Vreugde neemt de gekste vormen aan. Ik werd blij toen ik op deze kast stuitte – zoveel kennis, zoveel stille arbeid, zoveel drukkunst, zoveel mogelijkheden (ik kon meteen Japans beginnen te leren, of Ugaritisch), en dat alles voor het meest democratische cultuurgoed, taal.
Sir Arthur Conan Doyle verwees naar sommige professoren in de geneeskunde als modellen voor zijn Sherlock Holmes. Diogenes Laertius, de onderhoudende biograaf van de Griekse filosofen, biedt ons echter een onmiskenbare voorloper uit de Oudheid: Democritus van Abdera, door Plato gevreesd als grootste rivaal. “Toen Hippocrates bij hem op bezoek kwam, liet Democritus verse melk brengen; hij bekeek deze en zei dat het de melk moest zijn van een zwarte geit die net haar eerste jong ter wereld had gebracht; Hippocrates stond verstomd over de nauwgezetheid van zijn waarneming. Hippocrates werd vergezeld door een vrouwelijke bediende. Democritus begroette haar op de eerste dag met de woorden: ‘Goedemorgen, meisje’ , maar de volgende dag zei hij: ‘Goedemorgen, vrouw’. Het meisje was in de loop van die nacht inderdaad door iemand verleid.”
Diogenes Laertius, Lives of Eminent Philosophers, vertaald door R.D. Hicks, Loeb, 2005, dl. 2, p. 452-453.
“De geur van lindebomen waaide aan. Al het houtwerk was nog geschilderd in de verf die meneer Van Schelle er eertijds voor had gekozen, vliegenwerend blauw, nu gebarsten, afgebladderd, door de hitte van zestig zomers in blaren getrokken. Hier zag ik Amélie de meid met het jonge geitje achter zich aan, dacht hij. Hier zullen de meiden en knechts paniekerig vergaderd hebben toen ze een telegram onvingen met het bericht dat Mijnheer terugkwam uit Zuid-Afrika en een tijd wilde uitrusten op zijn buitengoed – want in zijn afwezigheid hadden ze de splinternieuwe machines verkocht omdat ze er niet mee wilden werken en het hele domein maar een beetje tot eigen voordeel uitgebaat. Het was een typisch geval, rijkelui uit Gent, Antwerpen of Brussel die hier hele lappen hei opkochten voor een appel en een ei en die arme grond eens met de nieuwste technieken zouden laten bewerken door hun pachters. Herenboer spelen.
Uitgevlogen
Na de grote oorlog hadden ze alles verkocht. Boer Haest, die in de loopgraven blind was geworden, had blijkbaar genoeg geld in een sok, want hij kocht deze boerderij. En de boomkweker kocht de aanpalende villa, en nodigde mij en mijn broers uit om wafels te komen eten en wijn te komen drinken, in het gezelschap van zijn dochters. Maar voor een stapel wafels gingen we onszelf nu ook weer niet laten vangen.”
L. Huet, Almanak, Atlas, 2005, p. 144-145.
Joie de vivre
“Hij liet zich niet pramen, hij was gek op die Amerikaanse sleeën. Ze schoven gedrieën op de voorbank. Hij legde zijn handen goedkeurend op het witte stuurwiel met de metalen ring en het roodzilveren wapenschild in het midden en draaide de sleutel om in het contact. Dat was techniek, de zoete manier waarop deze grootse motor begon te draaien en de soepele schakeling aan het stuur. Drie versnellingen, dit type was nog niet automatique. Powerglide of Dynaflow noemden de Amerikanen dat, meende hij zich te herinneren. When better cars are built, Buick will build them, luidde de slagzin op een van die folders die hij als kind had verzameld op het Autosalon en die de muren van zijn slaapkamer sierden. Twee ton staal onder je kont en het gevoel zo licht als een veertje voort te glijden. ‘Een rijdende salon,’ zei hij bewonderend terwijl ze de bocht namen. ‘Maak het jullie gemakkelijk, juffrouwen. Waar gaan we naartoe?’ ”