
Enkele weken geleden kocht ik bij boekhandel Limerick in Gent de postume dichtbundel van Christine D’haen, Geboorte. Daarin dit rozengedicht.
Ik keek in de Roos en werd ontsteld.
Daar was een schaduwende diepte en daarin
lag een geheim dat donker flonkerde.
In de donkerte des Zaterdags, in ’t binnenst
van een nog donkerdere kast gekropen
werd het gefluisterd, biechtend, bij de reuk
van leliën, wierook, kaarsen.
De Eerwaarde Vader
bracht aarzelend het antwoord uit (gefluisterd):
kijk niet meer in de roos, zij is gevaarlijk.
vlucht die morbide ontroering en vergeet.
Maar ik keek in de Roos en werd ontsteld.
Daar lag een landschap in die verre schemer
met een verborgen grot. Daarbij lag klein
iemand te slapen – slapend
reikte hij vol verlangen naar die diepte
die hevig openging voor hem, maar tevergeefs.
Helmknop en stijl midden die rode kelk
samengelegen, maar niet voor elkander,
elk vol verlangen, naar welk ander?
Christine D’haen, Geboorte. Gedichten, met een nawoord en aantekeningen door P. Claes, Gent, 2016, p. 10.







