
12 September
Een sterke oostenwind waait in een schroeiend-droge, helderblauwe lucht. ’t Is heerlijk fris en toch warm. Het is een weer om nog eens ergens beschut op den Molenheuvel in een gemakkelijke stoel lang-uitgestrekt te gaan liggen.
Boven mijn hoofd wuiven en schommelen de in den wind zwiepende takken van de heesters ruisend door elkaar. Rondom mij ranken statig hoge varens op en de hei ligt aan mijn voeten langs den grond gekropen, groen en roze, in kleine dikke tuiltjes, die verrukkelijk fris bloeien en bedwelmend-scherp, in dien wind en die warmte, naar boslucht geuren. Hoog op zijn heuveltop wentelt de oude molen, met suizend geluid, zijn grote, lange, rode wieken door de blauwe lucht.
Daar lag ik naar te luisteren en te staren, roerloos-rustig uitgestrekt, midden in het gedruis en de woelige beweging. En langzaam aan vallen mijn ogen dicht en voel ik mij als ’t ware aan zee, – een zwaar ruisende zee vol grootse melodieën, een wiegende zee met staag-aanhoudende en rythmischen golfslag, een zee vol prikkelende en verkwikkende aromen, welke de milde, frisse wind genadig tot in ’t diepste mijner sterk-halende longen door doet dringen.
Cyriel Buysse, Zomerleven, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006, p. 244 (geschreven in Deurle in 1913; eerste uitgave 1915).








