
Pasen – Bij de dood van zijn vader
Ik zie een wolk die straalt, ik zie een dak dat
als een spiegel glanst, ver weg… Ik luister
naar schaduw die ademt, licht dat drupt….
Je bent er niet – waarom dat? Je bent dood en op een dag
is de vochte wereld blauwig. Gods heilig voorjaar is onderweg,
zwellend, roepend… En jij ging dood.
En toch, als elke stroom opnieuw het wonder zingt,
en toch, als elke gouden druppel die valt, klinkt –
als dit geen liegen is dat ons verblindt,
maar een oproepen, trillend, honingzoet: ‘Sta weer op’ –
een machtig ‘Bloesem!’, dan ben jij in dit refrein,
ben jij in deze luister, ben jij aan het zijn…!
(Had ik dit gedicht bij de schrijver besteld, het had niet beter kunnen passen, voor hem noch voor haar. In hun tuin voel ik me dichter bij hen.)
Uit: Vladimir Nabokov, Verzamelde gedichten, in de vertaling van H. Beurskens, Koppernik, 2018, p. 33.









