Sterrenhemel

Adam Elsheimer, De vlucht naar Egypte, München, Alte Pinakothek
Adam Elsheimer, De vlucht naar Egypte, München, Alte Pinakothek

Volgende week vindt in de faculteit Letteren van de KULeuven het symposium Facts & Feelings plaats, over documenten aangaande emoties bij kunstenaars in de vroegmoderne periode (1600-1800). Voor de gelegenheid herlees ik enkele brieven van Rubens en zoals wel vaker haper ik op de bladzijde waar hij zijn bewondering uitspreekt voor Adam Elsheimer, wiens dood in Rome hem net is gemeld. Het is 14 januari 1611. “Om een dergelijk verlies zouden al zijn vakgenoten zich moeten hullen in diepe rouw, want zij zullen niet snel zijn gelijke vinden. Naar mijn mening was hij de beste in kleine figuren en in landschappen, en in vele andere onderwerpen. […] Ik denk dat ik nooit eerder zoveel verdriet heb gevoeld als bij dit nieuws en nooit zal ik diegenen die hem aan zijn ellendig einde hebben gebracht een blik waardig keuren. En ik bid God dat hij signor Adam de zonde van de traagheid wil vergeven, waardoor hij de wereld schitterende kunstwerken heeft ontzegd en zichzelf veel ellende heeft bezorgd totdat hij, denk ik, bijna zichzelf tot wanhoop heeft gedreven, terwijl hij met zijn eigen handen een groot vermogen had kunnen opbouwen en zich door iedereen had kunnen laten respecteren.”
Kortom, de zachtmoedige signor Adam leed aan depressie en gebrek aan daadkracht en Rubens’ liefhebbende verwijt had hem bij uitstek kunnen aanmoedigen en aansporen: “waardoor hij de wereld schitterende kunstwerken heeft ontzegd.”

Elsheimers Vlucht naar Egypte is naar mijn aanvoelen een aangrijpend verstild werk, met dat maanlicht, de echte sterrenbeelden in het uitspansel, de herders en de onopvallende vluchtelingen.
De meester liet ook een zelfportret na, bewaard in de Florentijnse Uffizi. Dat rustige gezicht lijkt volmaakt te passen bij die rustige werken. De hand houdt palet en penselen stevig vast.

Adam Elsheimer, Zelfportret, Firenze, Uffizi
Adam Elsheimer, Zelfportret, Firenze, Uffizi

Reissonnet

viruly.1296

Graaf Floris door de Edelen vermoord…
Al heel lang leerden wij uit de Historie,
dat Edelen voor rijkdom, macht of glorie,
of ook voor de verspreiding van God’s woord,

graag heren van hun eigen hoge soort
de dood aandeden. En na die victorie
geprezen voortleefden in de memorie
waar maar Geschiedenis wordt aangehoord.

Toen is de volkswil in verzet gekomen.
Veel guillotines sierden rode dromen.
Lenin en Stalin kwamen met hun les:
de volksheld Hitler schiep, Heil!, zijn SS…

Ik geloof, dat ik niet aan de volkswil wen
en meer voor moorden door de Edelen ben.

Bij antiquariaat Demian in Antwerpen ontdekte ik deze, mij onbekende, avontuurlijke Brabantse dichter. Bundel uit 1985, hoe kort geleden lijkt dat; een gesigneerd exemplaar, merk ik nu, opgedragen aan Remco Campert.

Juli 1789

31
De gevangen Berthier ziet het hoofd van zijn schoonvader Foulon (Photothèque des Musées de la Ville de Paris)

Chateaubriand beschrijft in zijn Mémoires d’outre-tombe de sfeer in Parijs, enkele dagen na de bestorming van de Bastille: “Ik stond bij de vensters van mijn kamer met mijn zusters en enkele Bretoenen; wij hoorden roepen: ‘Sluit de poorten! Sluit de poorten!’ Een groep havelozen arriveert langs een kant van de straat; in het midden van die groep rezen twee standaarden op die we niet goed konden zien. Toen ze naderden, onderscheidden wij twee verminkte hoofden, die de voorlopers van Marat elk op het uiteinde van een lans voorbijdroegen: het waren de hoofden van de heren Foulon en Berthier. Iedereen deinsde terug van de vensters; ik bleef staan. De moordenaars hielden vóór mij halt en reikten mij al zingend en springend de lansen, om de bleke beeltenissen dichter bij het mijne te brengen. Het oog van een van die hoofden, losgeraakt uit zijn kas, hing neer op het donkere gelaat van de dode; de punt van de lans stak door de geopende mond, de tanden beten in het ijzer. ‘Schurken,’ riep ik, vol van een verontwaardiging die ik niet kon inhouden, ‘is het zo dat jullie de vrijheid verstaan?’ Had ik een geweer bij me gehad, ik zou op die ellendelingen hebben geschoten als op wolven. Ze brulden en stampten met verdubbelde kracht op de koetspoort om ze in te trappen en mijn hoofd bij dat van hun slachtoffers te voegen. Mijn zusters werden onwel; de lafaards van het gebouw maakten me hevige verwijten. De slachters, die men achtervolgde, hadden niet de tijd om het huis binnen te dringen en trokken weg. Die hoofden, en andere die ik niet veel later zag, veranderden mijn politieke gezindte; ik voelde weerzin jegens deze kannibalistische festijnen en het idee om Frankrijk te verlaten voor een ver land kiemde in mijn geest.”

Brigands, est-ce ainsi que vous entendez la liberté? Ik heb op gallicistische wijze de structuur van de zin behouden, omdat ik de aristocratische toon van Chateaubriand onvervangbaar vind. Het lijkt soms alsof je een meesterwerk van de markies van Cantecler zit te lezen. En toch, die prachtige flitsen van levendigheid, directheid, niet zelden humor. Ik waardeer daarenboven de daadkracht en onbeschaamde vurigheid van het zinnetje: “Ik zou op die ellendelingen hebben geschoten als op wolven.”

Conversazione

Sacra Conversazione
Sacra Conversazione

‘Toen ik wegging, sneeuwde het.’
Een boekje met een omslag zo wit en donzig als sneeuw, deze uitgave van CC de Warande met tekeningen van Anne-Mie Van Kerckhoven en verhalen van uw dienares. Zwart op snee, zwart op sneeuw. Binnenin helle kleuren. AMVK voegt woord en beeld in elkaar, als in een middeleeuws verlucht handschrift. Die heerlijk trefzekere lijnen, die doeltreffende plaatsing van de tekstblokjes, dat is het werk van iemand die bladspiegels begrijpt.

Het zachte boek tegen mijn handpalm doet me nadenken: wat is dat eigenlijk, een verhaal? Een anekdote, een gesprek, iets op papier of op een podium, met levende mensen? Wanneer het alleen over gedrukte woorden gaat, dan hebben dit jaar de verhalen van Lydia Davis het meeste indruk op me gemaakt, het jaar daarvoor My Father’s Tears van John Updike. Maar ik heb plotseling ook weer zin in sprookjes, grimmige sprookjes. En gedaanteveranderingen.

Madeleine

Dichters zijn nodig om ons eraan te herinneren dat taal nog uit iets anders bestaat dan geblaf in kranten en eindtermen van het onderwijs. Noem hen in ’s hemelsnaam ook nooit “culturo’s”, er zijn al genoeg lelijke woorden.
De Madeleine in Parijs is een van de bizarste kerken die ik ooit te zien kreeg; onvergetelijk door naam(genote), vorm en de nabijheid van de sublieme delicatessentempels Hédiard en Fauchon. In Bert Bevers’ bundel Arrondissementen – uitgegeven bij Kleinood & Grootzeer – vond ik dit mooie sonnet.

Poulenc gaat een brood kopen

Hij kwam de stad niet bevangen binnen, onwetend als
Kaspar Hauser. Hij kwam er ter wereld, aan de Place
des Saussaies. Hij ziet dagelijks meer toeristen passeren
dan wijkgenoten. Bij de bakker, ja, daar kennen ze elkaar.

Babbelen ze over het weer, over de Ronde, de gezondheid
en de vrijheidsdrang der Algerijnen. Thuis wacht de piano
hem immer, trouw monument van hunkering. Zo simpel
zijn de klanken die hij haar ontlokken kan dat twijfel voor

niks nodig is. Hij noteert ze standvastig weerbarstig, legt
ze zo vast als een schip in de haven. Hoort de voorbijgang.
Dat scheelt al een slok op de borrel, want dorst is de ruimte

van oren. De Madeleine bleef hem zijn ganse leven nabij. Hij
wilde niet dat tijdens zijn uitvaartdienst muziek van hem werd
gespeeld maar wel dat alle, alle, alle klokken zouden luiden.

Zeven

154 punten
104 punten

In het midden onderaan prijkte de S. En plotseling zag ik dat ik er mijn zeven letters naast kon leggen. Met behulp van een blanco blokje, dat niet, zoals u misschien zou veronderstellen, de Y, wel de A verving. Dit zou wel eens het hoogtepunt kunnen zijn van mijn leven als occasionele Scrabblespeler.

Passieklap

Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen
Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen

Omdat ik Passieklap zo’n mooi woord vind, heb ik me laten overhalen om het morgen, in het Godshuis Van der Biest, over mijn passies te hebben. Violons d’ Ingres, stokpaardjes, u weet wel. Ook dichter en acteur Raymond de Bruyn zal zijn drijfveren toelichten. We worden uit onze tenten gelokt door Dirk Celis. Vanaf 11 uur, aan de Falconrui 33 in Antwerpen.

Zomaar

G.B. Tiepolo, Sara en de engel, Palazzo Patriarcale, Udine, 1726-1728

Rusteloos sla ik zomaar een boek open en vind dit:
“Geen van de oude meesters leent zich minder voor een psychologische of dramatische reconstructie dan Tiepolo. Geen spoor van een ‘strijd met de demon’. Zijn tijdgenoten hebben geen enkel aanknopingspunt achtergelaten dat toegang biedt tot zijn geest en zijn gemoedstoestand. En we kunnen ook niet zeggen dat hij zo ongrijpbaar was door gebrek aan getuigenissen. Integendeel, zodra er over de toenmalige schilderkunst werd geschreven, ging het vaak over Tiepolo. Maar steevast om op zijn roem en zijn virtuositeit te wijzen. Zijn persoon trok in geen enkel opzicht de aandacht. Ook zijn er geen anekdotes of veelzeggende voorvallen overgeleverd die zijn leven markeerden. Alles leek op rolletjes te lopen, er was een onafgebroken reeks opdrachten, en altijd de druk om op tijd klaar te zijn, of minstens niet al te laat.”
Ik zal van dit boek houden, vermoed ik. Vermits ik op die eerste bladzijden ook al mijn lievelingsterm sprezzatura aantref, en mijn oude beursverstrekker Roberto Longhi. En de betoverende Tiepolo’s van Würzburg.

R. Calasso, Het roze van Tiepolo, uit het Italiaans vertaald door E. Van der Pluijm, Amsterdam, 2010, p. 17.

Papiertjes

Om de twintigste verjaardag van zijn antiquariaat te vieren, putte René Franken uit zijn mooie voorraad van in boeken teruggevonden papiertjes en bladwijzers. Hij legde deze voor aan schrijvers en kunstenaars die zijn zaak frequenteren en vroeg hun er iets bij te verzinnen. Het resultaat is een prachtig geïllustreerd boek, verkrijgbaar vanaf 24 november. Ik mocht er gisteren al even in bladeren. Een curiosum, een hebbeding, een aanzet tot nadenken over snippers en velletjes papier, hun langdurigheid, onze kortstondigheid. Blij om op deze bladzijden te prijken.

Feestelijke voorstelling van het boek, Demian, Hendrik Conscienceplein 16-18 Antwerpen, zaterdag 24 november, 15.00 uur.

Neerwaarts sijpelen

Hilary Mantels briljante romans over Thomas Cromwell maken andere boeken over de Tudorperiode minder genietbaar. Voor het slapengaan lees ik al een week elke avond in Philippa Gregory’s The Other Boleyn Girl. Een paar jaar geleden heb ik deze roman nog met plezier verslonden, nu kan ik mijn aandacht er amper bijhouden. De personages boeien me niet, hun gewaarwordingen boeien me niet, en wanneer het gaat over hun “passie” of “genegenheid” voel ik slechts gegeeuw opkomen – uiteraard wel een begerenswaardig effect in een boek waarmee je hoopt de slaap in te glijden. Goed, er zijn nog wat obligate feministische kreten over de machteloosheid van vrouwen, en de manier waarop zij gereduceerd worden tot hun vruchtbaarheid. Mary en Anne Boleyn lijken in deze roman op twee hedendaagse meisjes in zestiende-eeuws kostuum, geen verrassende vrouwen uit een andere cultuur en een ander tijdperk.

Het historisch inzicht kan nog veel meer verwateren, stelde ik gisterenavond vast, bij het bekijken van de verfilming met Kristin Scott Thomas, Scarlett Johansson, Natalie Portman, Ana Torrent en Eric Bana. Jaren geleden zag ik de affiche en die sprak me aan, misschien vooral door de charme van Scarlett en Natalie, en door de schitterende kleuren van hun jurken. “Een kasteelsoap,” waarschuwde het televisieblad terecht. Een reeks mooie plaatjes van mooie leading ladies, wat glimpen van blote schouders, hetzij in een bed hetzij in een kerker, en de grote leugen van het medium film: alle problemen kunnen in een uur tijd worden gesteld en opgelost, elke gemoedstoestand kan in drie close-ups duidelijk worden. De personages in de roman leken wonderen van subtiliteit, vergeleken bij de poppenkastpoppen op het scherm. En zelfs mijn liefde voor historisch kostuum sleepte me er niet doorheen. Ja, er waren de betoverende kleuren van sommige stoffen, die zo van de eerbiedwaardige weefgetouwen van Rubelli kwamen; maar waarom paste er niets beter, waarom waren sommige ensembles van de leading ladies ronduit lelijk en houterig geconstrueerd? Zo gaat het dan: men wil zich een avond lang ouderwets ontspannen met Hollywoodglamour, men zit ten slotte het verhaal braafjes uit, uit wellicht misplaatst doorzettingsvermogen.