Belvedere

Uitzicht op de Sint-Jacobskerk, Gent
Uitzicht op de Sint-Jacobskerk, Gent

Elk voordeel heeft zijn nadeel. Na een paar uur werken in het belvedere vraag ik me al af hoe men zonder belvedere kan leven. In de vier windrichtingen uitzicht over Gent, allemaal dankzij de gulheid van bouwmeester David ‘T Kindt, die in de jaren 1740 een middeleeuws steen verving door een gracieus stadspaleis, met als kers op de taart een unieke uitkijkpost op het dak. Nu is het belvedere het schrijversverblijf van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

“Op het opperste des gebouws, onder den zonnewijzer, is een uitkijk op geheel de stad. Men ziet er tot aan de Brugsche poort, Oostakker, Ledeberg, Sint-Pieters-buiten en Gentbrugge,” aldus historicus Frans de Potter in Het Belfort van 1892.

Uitzicht op Sint-Baafskathedraal en het Belfort, Gent
Uitzicht op Sint-Baafskathedraal en het Belfort, Gent

Gloeikoppers

Toen ik het gloeikopperskampement bezocht, was ik slechts op zoek naar het getuf van de eencilinders, de zwarte dampen, de antieke woonwagens en de tent waar je verse eieren met spek kunt eten. Ik had niet verwacht dat iets me zou herinneren aan de Hooiwagen van Jheronimus Bosch. Levend erfgoed!

Les Pélissiers

Les pélissiers

Ik neem de liefdesbrieven van mijn betovergrootvader Leopold weer eens ter hand en lees dat hij op een zondag in mei 1867 Binche bezocht om de finale van het kaatstornooi te zien. “Ik kon niet anders dan door de straat wandelen waar jij hebt gewoond, teveel gelukkige herinneringen leidden me daarheen. Het huis is nog hetzelfde, ik weet niet wie er nu woont. Ik heb verschillende mooie stukken horen spelen door de befaamde Pélissiers, ze hebben niets van hun roem ingeboet.”

Dan doet het me toch wat, via het internet vast te stellen dat de koninklijke fanfare Les Pélissiers nog steeds bestaat (sinds 1852) en online zelfs even te beluisteren is.

Gedenk

memlingTja, we wandelden hier voorbij. Hans Memling lag vlak bij ons hotel begraven. Heeft hij nog nazaten, denk ik dan, en als die nazaten bestaan, zijn ze dan blij met de schilderijen van hun voorvader? Ik zou het wel zijn. Maar het mooie is, ik ben nu ook blij om de schilderijen van Memling, daar heb ik zijn DNA niet voor nodig.

Hotel du Lac

Als student kocht ik de roman Hotel du Lac van Anita Brookner, omdat ik wel eens wilde zien hoe dat in zijn werk gaat, wanneer een kunsthistorica een roman schrijft.
Nu de schrijfster overleden is, herlees ik haar en stuit na reeksen briljante zinnen op een echt meesterstukje.

‘Ik wil graag een kop koffie,’ zei ze, met nietzscheaanse directheid, naar ze hoopte.

En leest u in al die grafschriften dat haar romans over eenzame vrouwen van middelbare leeftijd gaan? Er valt ontzettend veel meer te beleven. Ik heb het gevoel dat ik de twintigste-eeuwse Jane Austen leer kennen.

Torentrap

tabularium

Voor de laatste maal sleep ik mezelf de torentrap van het Tabularium op om een referentie over Bruegel te controleren. Voor de laatste maal, hoop ik, wegen mijn laarzen als lood, voor de laatste maal maak ik een beverige foto.

Maar eenmaal in de leeszaal voor kostbare werken, turend in een boekje dat lang geleden gedrukt werd in de Antwerpse Wolstraat, vind ik eindelijk de passage terug waaraan ik al drie jaar loop te denken en die ik niet meer kon localiseren. Mijn overvoerde geheugen blijkt toch nog te functioneren. Dolblij wandel ik naar buiten.

Pasen 2016

2016_2

Dit is er, zoals altijd. Paasbloemen in mijn ouders tuin, op Pasen.

“Die kerels komen hier niet, hoor.”

“Ja, maar Doel is niet veraf. En ze hebben die saboteurs van een tijd geleden zelfs nog niet gevonden.”

“Als dat gebeurt, is er niks meer aan te doen. En ze kunnen ook gewoon een drone in Doel gooien. Maar we hebben wel jodiumpillen in huis. Die zijn ons toegestuurd.”

“Oh? Waar liggen ze? Dat moeten we nu wel weten. Laat ze eens zien. Oh, je mag ze oplossen in water of fruitsap. Okee.”

“In geval van een nucleaire ramp moet je schuilen in een ruimte zonder vensters. Neem het bureau… De voorraadkast is vlakbij. En misschien moeten we er een doos kaarsen klaar zetten.”

Terloopse gesprekken. En dan weer aandacht voor Monello de haan, de grillige schoonheid van de dag (dappled beauty), Gent-Wevelgem, een glimp Urbi et Orbi, de kieviten op de akkers, een roodborsttapuit op een prikkeldraad, mijn favoriete Highlandkoeien, een verwilderde meidoornhaag in haar eerste groen.

Black Beauty

Zondagavondmelancholie kan soms het best overwonnen worden met behulp van oude beelden die niets van hun opwekkende kracht verliezen. Black Beauty! En de muziek van Denis King, die de tv-serie bekroonde. Zoveel jaren later verneem ik voor het eerst dat de rol van Black Beauty vertolkt werd door vier paarden:Tramp, Ebony, Fury en Jet. Tramp was de hoofdacteur, de anderen dankten de witte vlek op hun voorhoofd aan make-up. En Charlotte Mitchell, die de rol van de huishoudster speelde, was een dichter, zo blijkt.

Utopia II

“Alle utopieën zijn deprimerend, want ze laten geen ruimte voor het toeval, voor het verschil, voor de post ‘diversen’. Alles is op orde gebracht en orde heerst.
Achter iedere utopie zit te allen tijde een taxonomisch masterplan: een plaats voor elk ding en elk ding op zijn plaats.” Aldus Georges Perec in het essay ‘Denken/Klasseren’, geschreven in 1981.

Leuven bereidt zich voor op de viering van vijfhonderd jaar Utopia. Thomas More publiceerde zijn verhandeling over de ideale staat immers in 1516 in Leuven. Raar maar waar. More’s Utopia is nog steeds sprankelend en lezenswaard, maar Perec had goed door waar ideale samenlevingen toe leiden.

(En wat staat er in Perecs eigen post Diversen, aan het eind van zijn essay? De antieke krachtterm Blikskaters. Die zal nu weer een paar weken door mijn hoofd spoken.)

Georges Perec, Ik ben geboren, gekozen, vertaald, van noten en een nawoord voorzien door R; Hofstede, (Privé-domein, 251), Amsterdam-Antwerpen, 2003.