Rubens in NRC

Nieuwe uitgave
Nieuwe uitgave

Op 4 januari 1619 schreef Rubens aan Pieter Van Veen in Den Haag.

“… Maar nu heb ik uw raad nodig en zou ik informatie wensen over de stappen die ik moet zetten om een privilegie te verkrijgen van de Raad der Verenigde Provinciën, teneinde enkele kopergravures te kunnen uitgeven die in mijn huis gesneden zijn, zodat ze niet gekopieerd zullen worden in uw streken.”

Het privilege (copyright) verkrijgen in Den Haag lukte hem toen niet, maar de belangstelling voor zijn werk en brieven bleef in Nederland gelukkig wel leven. Vandaar:

http://www.nrc.nl/boeken/2014/06/24/de-voorproef-rubens-goethe-en-kate-figes/

 

Rubens, Brieven

Nieuwe uitgave
Nieuwe uitgave

In een portret draait het om de blik.
En op een schutblad treft men graag een verrassing aan. De handtekening van de meester, bijvoorbeeld. En zijn vloeiende geschrift. Antwerpen den 25 July 1637.

Ick ben geaffectionneerdt voor de stadt Ceulen, om dat ick aldaer ben opgevoedt tot het thienste iaer mijns levens, en hebbe dickwils verlanght naer soo langen tijdt de selve nogh eens te besightigen.

Rubens4
P.P. Rubens, Brief aan G. Geldorp, 25 juli 1637 (Copyright Rubenshuis, Antwerpen)

Wegwijzer

Rubens3
Sint-Janskerk, Mechelen

Today, around 250 letters written by Rubens are still preserved. These letters represent only a fraction of his output. We know for example that he corresponded with Velázquez, and with the most powerful military figure behind the Archdukes, marquess Ambrogio Spinola. None of those letters remain. It is tempting to imagine: Rubens and Velázquez, arguably the greatest painters of their age, digressing on the subject of their art, their dolcissima professione as Rubens called it. Unearthing letters from that lost correspondence would be like finding letters exchanged between Jan Van Eyck and Rogier Van der Weyden. The letters that went back and forth between Rubens and Ambrogio Spinola must have contained many a pithy political maxim; very novelesque, yet real, cloak and dagger scenes. ‘Thus I could provide an historian with much material, and the pure truth of the case, very different from that which is generally believed.’ (Rubens, letter to Nicolas-Claude Fabri de Peiresc, december 18, 1634). (L. Huet, Sprezzatura and sparkly eyes: Rubens’ feelings in pigment and ink. Or, How it strikes a novelist, tekst uitgesproken op het Symposium Facts & Feelings, december 2012, KULeuven.)

Brieven in de krantenwinkel

Voordeugd
Voordeugd

De postbode was blijkbaar langsgekomen zonder een bericht achter te laten, en dus zei het meisje van de krantenwinkel vanochtend tegen me: “Hier staat een doos voor u, wist u dat?”. Eindelijk houd ik haar in mijn handen, de prachtige nieuwe uitgave van Rubens’ brieven! Mijn dank aan Harold Polis, Gert Dooreman en Katrien De Loose.

Drie Koningen

Rubens, Aanbidding der wijzen, 1609; door hemzelf vergroot ca. 1628-1629; Madrid, Prado
Rubens, Aanbidding der wijzen, 1609; door hemzelf vergroot in 1628-1629; Madrid, Prado

“Rubens kon het niet beter treffen: het Antwerpse stadsbestuur, onder leiding van burgemeester Rockox, was bezig om de Statenkamer in het stadhuis te verfraaien voor de definitieve onderhandelingsronde over het Twaalfjarig Bestand. Men kocht bij Jan Brueghel een bronzen Christusbeeld van Giambologna, de Vlaming die hofbeeldhouwer was in Florence. Abraham Janssens leverde het uitmuntende schouwstuk Scaldis et Antverpia. Antonio de Succa schilderde een hele reeks portretten van vroegere vorsten. En Pieter Paul Rubens kreeg de opdracht om voor een andere schouw een Aanbidding van de drie koningen te leveren, een groots tafereel vol van de laatste snufjes die hij in Italië had gezien. Het thema paste bij de onderhandelingen: de drie koningen, afkomstig uit verschillende oosterse gebieden, konden symbool staan voor de onderhandelaars, een internationaal gezelschap dat ondanks religieuze en politieke meningsverschillen verenigd werd door de liefde voor Christus/de hang naar vrede. Het moet burgemeester Rockox iedere keer weer plezier hebben gedaan, deze schitterende zaal betreden. Toen in zijn Statenkamer de wapenstilstand eindelijk in een verdrag kon worden gegoten, toen men dit verdrag aan de bevolking kon afkondigen voor het stadhuis op 14 april 1609, beleefde hij het hoogtepunt van zijn politieke leven.”

L. Huet en J. Grieten, Rockox. Burgemeester van de Gouden Eeuw, Meulenhoff Manteau, 2010, p. 180.