Lord Byron en de Griekse onafhankelijkheidsstrijd

Thomas Philips, Lord Byron in Armeens kostuum, Londen, National Portrait Gallery

Xenophon, Homeros, Alcman, Herodotos, Plato, Sappho – ziedaar de Grieken die we op school leerden kennen en wier woorden we lazen. Later hoorden we over Aristoteles Onassis, Stavros Niarchos, Mikis Theodorakis en Maria Farantouri. Dat Griekenland nu door de calvinisten van de ondoordachte Europese Unie als een zondebok wordt behandeld, geeft mij al bij al een wrang gevoel. In de verwarring grijp ik terug naar mijn boeken over Lord Byron en zijn steun voor de Griekse onafhankelijkheidsstrijd. Griekenland werd één jaar voor België onafhankelijk en Leopold van Saksen-Coburg kreeg het Griekse koningschap aangeboden. Hij koos iets anders.

“De successen van de Griekse opstandelingen wekten op het Europese continent een gloed van sympathie en opwinding, die slechts te vergelijken was met het enthousiasme voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. In Duitsland, in Zwitserland en in Frankrijk werden comités opgericht om fondsen te werven voor de Griekse zaak en om de onfortuinlijke Griekse patriotten bij te staan die op bevel van Metternich uit Rusland en Oostenrijk verdreven waren als protest tegen de escapade van Ypsilanti. In de vroege zomer van 1821 stroomde een rommelig gezelschap van veteranen van Napoleon, studenten uit Jena, Russische zieners en teleurgestelde Carbonari onder de algemene noemer van Philhellenen naar de kusten van het bevrijde Hellas. Een paar weken later zwierven de meesten al weer naar huis, ontmoedigd en verontwaardigd.”

Toen betrad Lord Byron het podium.

Harold Nicolson, Byron. The Last Journey April 1823 – April 1824, Londen, 1999, p. 57.

Fashionista

Koorgestoelte, Sint-Catharinakerk, Hoogstraten

“Later, toen hij het nodig vond de zonderling uit te hangen, had Des Esseintes ook zijn woning op opzichtige en bizarre wijze gemeubileerd. … Ten slotte had hij een hoge kamer laten inrichten om er zijn leveranciers te ontvangen. Deze kwamen binnen en gingen naast elkaar zitten in koorstoelen; dan besteeg hij een indrukwekkende preekstoel en hield een preek over het dandyisme, waarbij hij zijn schoen- en kleermakers op het hart drukte zich zo precies mogelijk te schikken naar zijn herderlijke brieven wat betreft de snit van zijn kleren en hen dreigde met geldelijke excommunicatie als ze niet letterlijk de instructies opvolgden die deze vermaningsbrieven en bullen bevatten.”

J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 43.

Boomklever

Twee boomklevers

De boomklevers vonden snel de weg naar het nieuwe voederhuisje. Zij kregen gezelschap van nijdige koolmezen en beminnelijker pimpelmezen, vinken, drie roodborstjes, een Turkse tortel, merels, een kleine bonte specht, een winterkoninkje, een fazant en een stoere kuifmees. In een hoek van de wei keek een haas toe.

Ik leerde een nieuw woord: bieteut, voor koolmees.

Genius loci

Begijnhof, Turnhout

“Daar de vrouw echter soms langs het huis moest lopen om bij een schuurtje te komen waar het hout lag, wilde hij vermijden, als zij voorbij het raam kwam, dat haar silhouet hem zou tegenstaan. Hij liet daarom een kostuum voor haar maken van Vlaamse grove, zijden stof, met een wit kapje en een brede, zijden capuchon die op haar schouders hing, zoals de begijnen die nog steeds dragen in Gent. Als een glimp van haar kap in de schemering langs hem heen ging, kreeg hij het gevoel in een klooster te zijn. Hij moest dan aan die stille, vrome dorpjes denken, die doodse wijken, ingesloten en weggestopt ergens in een drukke en bedrijvige stad.”

Aldus estheet Jean des Esseintes, in zijn kluizenaarswoning van Fontenay, nabij Parijs. Diens schepper, Parijzenaar met Laaglandse wortels Joris-Karl Huysmans, putte uit reis- en familieherinneringen voor deze vluchtige evocatie van begijnhoven. Hij had een oudtante die op het begijnhof in Turnhout woonde. Het lijkt me een mooi voorbeeld van poëtische humor, dat de ultieme decadente roman van de negentiende eeuw mede geïnspireerd is door het grensstadje uit mijn kinderjaren.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 51.

Steen

In het bos

We trokken onze rubberen laarzen aan, namen schop en rijf en staken het besneeuwde bruggetje over naar het bos. De sneeuw vertoonde nu al voor de tweede nacht geen kattensporen meer. We spitten een kuil – de bovenste laag van de grond was stevig bevroren, enkele centimeters dieper werd alles ruller. We markeerden het kattengrafje met een baksteen, om te blijven weten waar ze ligt, wanneer hier de anemonen, de meiklokjes en de varens bloeien.

Hermetisch zwart

Kalligrafie Huis de Zomere, Brugge

Een van de eerste volwassen romans die ik kocht, Yourcenars Het hermetisch zwart, in de vertaling van Jenny Tuin.

“De begrippen stierven als de mensen; hij had in de loop van een halve eeuw verscheidene generaties van gedachten tot stof zien vervallen.”

Oude en jonge Reynaert

L. Freud met vossenwelp (foto David Dawson)

Waar haalde Lucian Freud toch al die dieren? De schilder is er niet meer, leeft de vos nog?

Ik geloof dat ik minder aangesproken word door het feit dat Freud ‘something of a Byronic hero’ zou zijn dan door de manier waarop hij schilderde tegen de klok, de klok rond, geobsedeerd door het wegglijden van de tijd.

De n-de

Koningin Elisabeth II poseert voor Lucian Freud (D. Dawson, National Portrait Gallery, Londen)

De koningin poseert welwillend maar stoïcijns voor de n-de portretschilder. In mantelpak en tiara, een bizarre combinatie. Het handvat van haar tasje is een treffend detail.