Kempenaar

Jan Vleugels (l.) en Jos Haest, Vlaming en Cartouche uit ‘De rakkers der grenzen’

Het mag een mooie zondag heten, wanneer een inspirerend boek van een bijzondere Kempenaar voor het eerst in dertig jaar opnieuw wordt uitgegeven. Heemkundige kring Amalia van Solms verzorgde samen met Studium Generale VZW de geannoteerde heruitgave van Jan Vleugels’ avonturen- en schelmenroman De Rakkers der Grenzen (1930). Vleugels baseerde zich op zijn ervaringen als passeur, smokkelaar en grensgids tijdens de Eerste Wereldoorlog – vanuit de Noorderkempen brachten hij en zijn kompanen vele vluchtelingen veilig door de “dodendraad” (de electrische grensversperring) naar Nederland. Zijn boek fascineerde me zo dat ik de schrijver tot een personage maakte in Almanak, onder zijn codenaam Vlaming.

Ik vernam dingen over Jan Vleugels die ik niet wist: dat hij werkte als steenbakker, binnenschipper, seizoensarbeider en worstelaar op de kermis, later ook een paardenmolen uitbaatte en frieten en smoutebollen verkocht op markten, bijvoorbeeld. Dat hij nog een tweede roman heeft geschreven, over het leven van kermismensen. Ik ontmoette twee kleinzonen van de schrijver, hoorde hen vertellen over egodocumenten van hun grootvader en van andere familieleden, en verdiep me nu in de voetnoten van de heruitgave. O, dus langs dat pad slopen de smokkelaars, vlak bij mijn overgrootvaders huis; en de vluchtelingen kwamen bij nacht en ontij samen “op Bolk”, in café ’t Bolks Heike, op een steenworp van hier?  Het vertrouwde landschap van alledag wordt nog wat rijker.

J. Vleugels, De rakkers der grenzen, ingeleid door A. Vanneste, geredigeerd en geannoteerd door K. Mertens en H. Janssen, Balen, 2012. Foto via website Amalia van Solms.

Bretoen

November, de ideale maand om Chateaubriand te lezen. Heeft hij nog lezers, buiten dit schepsel in de provincie Antwerpen? Wie weet. Fantastisch verwoorde emotie en somberheid, zodat echte somberheid gemakkelijker te dragen wordt; een man, geboren vóór de Franse Revolutie, die  zo levendig schrijft dat het lijkt alsof hij sommige herinneringen gisterenavond aan het papier toevertrouwde; af en toe, met een absoluut pokerface afgeleverde hilarische taferelen; ten slotte de gedachte – wil je iets romantisch lezen, verlies dan geen tijd met ersatz, grijp naar de grootmeesters. “Je souffrais, et les souffrances prient.”

“Ce qu’on dit d’un malheur, qu’il n’arrive jamais seul, on le peut dire des passions; elles viennent ensemble, comme les muses ou les furies.”

En de genadeslag: “Un caractère moral s’attache aux scènes de l’automne: ces feuilles qui tombent comme nos ans, ces fleurs qui se fanent comme nos heures, ces nuages qui fuient comme nos illusions, cette lumière qui s’affaiblit comme notre intelligence, ce soleil qui se refroidit comme nos amours, ces fleuves qui se glacent comme notre vie, ont des rapports secrets avec nos destinées.” Titel van het hoofdstukje: Mes joies de l’automne. Zo perfect dat ik ervan glimlach, zo zwartgallig dat ik vrolijk word.

Gedenkteken

Slordig als ik ben, vergeet ik vaak verjaardagen, maar met een beetje geluk bezoek ik mijn doden straks of morgen op het kerkhof (en ze bevinden zich ook, hoezeer!, in mijn boeken). Op deze Allerzielen herdenken we eerst in de tuin de enige die ooit in ons huis geboren is, in juli 1899: Martial Van Schelle. Herdenken, door een plaats te kiezen, de herfstlucht op te snuiven, een zwart konijn voorbij te zien huppelen, een gat te graven, de plaat een ietsje schuin te zetten. Meer over Van Schelle, passim op deze blog.

Een dienaar

Hans Holbein, Portret van Thomas Cromwell, Frick Collection, New York

Historici hebben veel kwaads te vertellen over Thomas Cromwell; maar in de romans van Hilary Mantel vind ik hem, tot mijn eigen verbazing, uitstekend gezelschap. Begonnen als de zoon van een dronken smid, later de machtigste dienaar van de koning van Engeland; bijna volkomen zelfbeheersing; intelligentie, altijd gericht op praktische doeleinden; subliem observatievermogen. Bladzijde na bladzijde wil ik omslaan, om dat observatievermogen maar aan het werk te zien. En dan stuit ik op onvergetelijke zinnen als deze, wanneer Cromwell terloops twee collega-ambtenaren analyseert. “Troubled men both, he thinks, Wriothesley and Riche, and alike in some ways, sidling around the peripheries of their own souls, tapping at the walls: oh, what is that hollow sound?” Een betere beschrijving van doorsnee-carrièristen zal men niet snel aantreffen.

H. Mantel, Bring Up the Bodies, New York, 2012.