Op avontuur

Walter, Bob en Tuur lezen in de krant een berichtje, over kinderen die op een akker een pot met gouden en zilveren Romeinse munten vonden. Ze besluiten zelf schatten te gaan zoeken, op zolders, in verlaten huizen; en ze vertrekken, uiteraard bijgestaan door een trouwe viervoeter, de Duitse scheper Kazan.
“Hoe Tuur ook in zijn geschiedenisboekje zocht, geen bladzijde verried de plaats, waar schatten te ontdekken waren. Meer en sterker won bij hem de gedachte veld, dat het vinden van historische waarden meer toeval is dan vrucht van geleide opzoekingen.” Hij zou gelijk kunnen hebben.
Een onbekommerd huiselijk avonturenboek, waarin men nog zinnen aantreft als: “Het avondmaal smaakte heerlijk en maakte de tongen los.” Dat alles is zonder meer rustgevend. Maar uiteraard kocht ik het op de rommelmarkt vanwege de grappige titel.

Lode Conté, De geleerde bollen, geïllustreerd door G. Van Raemdonck, Proost & Co, Turnhout, [1940?].

Rechterbenedenhoek

Pieter Bruegel, Triomf van de Dood (detail),Madrid, Prado.

Een paneel vol aanrollende horror en afgrijzen: de Triomf van de Dood. En rechts beneden in het laatste hoekje, nog twee musicerende verliefden. Of één musicerende verliefde. De een kijkt naar de ander, de ander kijkt naar iets. Moeilijk om te vergeten, de hypothese van kunsthistorici Hélène Verougstraete en Roger Van Schoute, dat Pieter Bruegel zichzelf en zijn jonge vrouw Mayken hier voorstelde. Portret of niet – dat handje, beschermend boven zijn schouder. En hoe zou dat samen klinken, de muziek van dat hoofse en dat volkse instrument?

Dag op dag, eeuw op eeuw, millennium op millennium

Men raakt ook gehecht aan de personages in de boeken die men zèlf schreef. Gisteren wandelden we voor het eerst in Antwerpen langs de Rosier, zagen het kerkje van Karmelietessen en lazen in een mededeling aan de deur: “Op 6 november 1612 vestigde Anna van Sint-Bartholomeus zich met enkele medezusters in Antwerpen.” Een bijzondere ervaring, om deze informatie op 6 november 2012 onder ogen te krijgen.

“De vrome Spaanse burgers praatten omstreeks de jaarwisseling ongetwijfeld over een nieuwe Spaanse inwoonster van de stad. De ongeschoeide karmelietes Anna van Sint-Bartholomeus, die Theresia van Avila persoonlijk had gekend, huurde met twee medezusters een huis aan de Sint-Jacobsmarkt. Dit was het prille begin van het Antwerpse karmelietessenklooster, dat nu aan de Rosier gevestigd is.” (uit: Nicolaas Rockox 1560-1640. Burgemeester van de Gouden Eeuw, p. 191.)

En vanochtend meldt de krant me dat ik mijn oude chronologische opvattingen aan de kant moet schuiven. “Herschrijf de geschiedenisboeken. Vergeet Knossos en Mycene. Hier zijn ze, de oudste onneembare wallen van Europa. La Bastida, in Spanje.” Spaanse archeologen groeven een prachtige, 4200 jaar oude vesting op, compleet met de eerste spitsboog van Europa. Een archeoloog van de UGent verduidelijkt: “Ons geschiedenisonderwijs begint in Egypte en bouwt via Mesopotamië op naar Griekenland en Rome. Het westen van de Middellandse Zee speelt niet mee. Maar ook in de prehistorie waren er al goede contacten tussen oost en west, zo blijkt nu.” (DS, 7/11/2012, p. D11)

Kijk eens aan, denk ik dan, dit zou Andreas Schottus hebben geïnteresseerd. “[Schottus] liet zich tot priester wijden en woonde twee jaar bij de aartsbisschop van Tarragona, Antonio Agustín y Albanell, een vooraanstaande rechtshistoricus met een rijke verzameling antiquiteiten en manuscripten. In 1586 trad Schottus toe tot de jezuïetenorde. Hij vertaalde het magnum opus van Agustín van het Spaans naar het Latijn: elf dialogen over Romeinse en Spaanse oudheden, zoals die werden aangetroffen op antieke munten. De gesprekken tussen Agustín, zijn broer en zijn neef gingen onder meer over de afbeeldingen van gebouwen, dieren en werktuigen op munten, over Afrikaanse, Spaanse en Gallische munten, over de munten van Tarragona, Barcelona en andere Spaanse steden, over de opschriften van de gouden eeuw in Rome. Het boek bevatte dus een schat aan historische informatie, gebaseerd op veldwerk en gepresenteerd in een aangename vorm.” Schottus voegde er een twaalfde dialoog aan toe, waarin hijzelf met zijn vrienden Livinus Torrentius, Abraham Ortelius en Nicolaas Rockox over archeologie babbelt. Het boek verscheen in 1617 in Antwerpen. Hoe blij en verrast zouden die vier geschiedenisliefhebbers met dit nieuws geweest zijn! (Nicolaas Rockox …, ‘Het geroezemoes van de stad’, p. 296 e.v.)

Zij niet alleen. Onlangs las ik een boek over Annius van Viterbo, die aan het eind van de vijftiende eeuw een bundel geraffineerd vervalste “antieke” teksten publiceerde om aan te tonen dat de Etruskische beschaving ouder en edeler was dan de Griekse – om aan te tonen, met andere woorden, dat het westen van de Middellandse Zee wél meespeelde in de oude geschiedenis.

La bastida

Kempenaar

Jan Vleugels (l.) en Jos Haest, Vlaming en Cartouche uit ‘De rakkers der grenzen’

Het mag een mooie zondag heten, wanneer een inspirerend boek van een bijzondere Kempenaar voor het eerst in dertig jaar opnieuw wordt uitgegeven. Heemkundige kring Amalia van Solms verzorgde samen met Studium Generale VZW de geannoteerde heruitgave van Jan Vleugels’ avonturen- en schelmenroman De Rakkers der Grenzen (1930). Vleugels baseerde zich op zijn ervaringen als passeur, smokkelaar en grensgids tijdens de Eerste Wereldoorlog – vanuit de Noorderkempen brachten hij en zijn kompanen vele vluchtelingen veilig door de “dodendraad” (de electrische grensversperring) naar Nederland. Zijn boek fascineerde me zo dat ik de schrijver tot een personage maakte in Almanak, onder zijn codenaam Vlaming.

Ik vernam dingen over Jan Vleugels die ik niet wist: dat hij werkte als steenbakker, binnenschipper, seizoensarbeider en worstelaar op de kermis, later ook een paardenmolen uitbaatte en frieten en smoutebollen verkocht op markten, bijvoorbeeld. Dat hij nog een tweede roman heeft geschreven, over het leven van kermismensen. Ik ontmoette twee kleinzonen van de schrijver, hoorde hen vertellen over egodocumenten van hun grootvader en van andere familieleden, en verdiep me nu in de voetnoten van de heruitgave. O, dus langs dat pad slopen de smokkelaars, vlak bij mijn overgrootvaders huis; en de vluchtelingen kwamen bij nacht en ontij samen “op Bolk”, in café ’t Bolks Heike, op een steenworp van hier?  Het vertrouwde landschap van alledag wordt nog wat rijker.

J. Vleugels, De rakkers der grenzen, ingeleid door A. Vanneste, geredigeerd en geannoteerd door K. Mertens en H. Janssen, Balen, 2012. Foto via website Amalia van Solms.

Bretoen

November, de ideale maand om Chateaubriand te lezen. Heeft hij nog lezers, buiten dit schepsel in de provincie Antwerpen? Wie weet. Fantastisch verwoorde emotie en somberheid, zodat echte somberheid gemakkelijker te dragen wordt; een man, geboren vóór de Franse Revolutie, die  zo levendig schrijft dat het lijkt alsof hij sommige herinneringen gisterenavond aan het papier toevertrouwde; af en toe, met een absoluut pokerface afgeleverde hilarische taferelen; ten slotte de gedachte – wil je iets romantisch lezen, verlies dan geen tijd met ersatz, grijp naar de grootmeesters. “Je souffrais, et les souffrances prient.”

“Ce qu’on dit d’un malheur, qu’il n’arrive jamais seul, on le peut dire des passions; elles viennent ensemble, comme les muses ou les furies.”

En de genadeslag: “Un caractère moral s’attache aux scènes de l’automne: ces feuilles qui tombent comme nos ans, ces fleurs qui se fanent comme nos heures, ces nuages qui fuient comme nos illusions, cette lumière qui s’affaiblit comme notre intelligence, ce soleil qui se refroidit comme nos amours, ces fleuves qui se glacent comme notre vie, ont des rapports secrets avec nos destinées.” Titel van het hoofdstukje: Mes joies de l’automne. Zo perfect dat ik ervan glimlach, zo zwartgallig dat ik vrolijk word.

Gedenkteken

Slordig als ik ben, vergeet ik vaak verjaardagen, maar met een beetje geluk bezoek ik mijn doden straks of morgen op het kerkhof (en ze bevinden zich ook, hoezeer!, in mijn boeken). Op deze Allerzielen herdenken we eerst in de tuin de enige die ooit in ons huis geboren is, in juli 1899: Martial Van Schelle. Herdenken, door een plaats te kiezen, de herfstlucht op te snuiven, een zwart konijn voorbij te zien huppelen, een gat te graven, de plaat een ietsje schuin te zetten. Meer over Van Schelle, passim op deze blog.

Een dienaar

Hans Holbein, Portret van Thomas Cromwell, Frick Collection, New York

Historici hebben veel kwaads te vertellen over Thomas Cromwell; maar in de romans van Hilary Mantel vind ik hem, tot mijn eigen verbazing, uitstekend gezelschap. Begonnen als de zoon van een dronken smid, later de machtigste dienaar van de koning van Engeland; bijna volkomen zelfbeheersing; intelligentie, altijd gericht op praktische doeleinden; subliem observatievermogen. Bladzijde na bladzijde wil ik omslaan, om dat observatievermogen maar aan het werk te zien. En dan stuit ik op onvergetelijke zinnen als deze, wanneer Cromwell terloops twee collega-ambtenaren analyseert. “Troubled men both, he thinks, Wriothesley and Riche, and alike in some ways, sidling around the peripheries of their own souls, tapping at the walls: oh, what is that hollow sound?” Een betere beschrijving van doorsnee-carrièristen zal men niet snel aantreffen.

H. Mantel, Bring Up the Bodies, New York, 2012.