Verbatim

Jeanne d'Arc met haar banier, miniatuur, vijftiende eeuw

Wanneer het gaat over Frankrijk, denk ik al bij al liever na over de bijzondere verwezenlijkingen van Jeanne d’Arc dan over de smakeloze uitspattingen van Dominique Strauss-Kahn. Wellicht is er over geen andere middeleeuwse persoon zoveel persoonlijke informatie beschikbaar. Wie de procesverslagen leest, verbaast zich voortdurend over Jeanne’s intelligentie en directheid – soms lijkt ze de enige in de rechtszaal die we ook vandaag nog zouden kunnen begrijpen, temidden van geslepen theologen die alleen maar idiote vragen stellen als: “Draagt Sint-Michael oorringen?”  Anderzijds blijft ze na zes eeuwen ook ondoorgrondelijk.
Op zaterdag 24 februari 1431 beantwoordde Jeanne in Rouen deze vraag van haar rechters: “Wat heb je te zeggen over een zekere boom dicht bij jouw dorp?” (Hoewel er op haar proces geen aanklacht werd geformuleerd, wat de hele rechtsgang meteen waardeloos maakte, was het duidelijk de bedoeling aan te tonen dat ze een magiër was, een oplichtster dus.)

Jeanne: “Niet ver van Domremy is er een boom die ze de Damesboom noemen – anderen noemen hem de Feeënboom: daar vlakbij is een bron waar mensen met koorts komen drinken, zoals ik heb gehoord, en om water te bekomen waarmee ze kunnen genezen. Dat heb ik zelf gezien: maar ik weet niet of ze genazen. Ik heb gehoord dat de zieken, wanneer ze genezen waren, naar de boom komen om er rond te wandelen. Het is een mooie boom, een beuk, waar de ‘mooie Mei’ van komt – hij is eigendom van Heer Pierre de Bourlement, Ridder. Ik ging daar soms spelen met de meisjes, om kransen te vlechten voor Onze Vrouwe van Domremy. Ik heb de oude mensen – niet van mijn familie – dikwijls horen vertellen dat er feeën in deze boom wonen. Ik heb een van mijn meters, Jeanne, de vrouw van burgemeester Aubery van Domremy, horen vertellen dat ze er feeën heeft gezien: of dit waar is, weet ik niet. Ikzelf heb hen bij mijn weten nooit gezien. Als ik hen ergens anders heb gezien, weet ik dat evenmin. Ik heb de meisjes kransen aan de takken van deze boom zien hangen, en ik heb dat soms zelf ook gedaan met mijn vriendinnen. Soms namen we deze kransen weer mee terug, soms lieten we ze hangen. Vanaf het ogenblik dat ik wist dat ik  naar Frankrijk moest gaan, heb ik me zo weinig mogelijk met deze spelletjes en vermaken bezig gehouden. Ik herinner me niet dat ik er gedanst heb toen ik groter was. Het zou kunnen dat ik er als kind wel heb gedanst, met de andere kinderen. Ik heb daar meer gezongen dan gedanst. Er is ook een bos genaamd het Eikenbos, dat men kan zien van mijn vaders deur; het is niet meer dan een halve mijl ver. Ik weet niet, en ik heb ook nooit gehoord dat daar feeën zijn: maar mijn broer heeft me verteld dat in de buurt wordt gezegd: ‘Jeannette heeft haar zending ontvangen bij de Feeënboom.’ Dat is niet waar, en dat heb ik hem ook gezegd. Toen ik naar de Koning ging, vroegen vele mensen me of er in mijn streek geen bos was, genaamd het Eikenbos, want er waren voorspellingen die zegden dat er uit de streek van dit bos een meisje zou komen dat wonderlijke daden zou verrichten. Ik hecht daar geen geloof aan. ”

Een glimp van het leven van kinderen in een dorpje in Lotharingen, ergens tussen 1412 en 1425.

T. Douglas Murray, Jeanne d’Arc. Maid of Orleans. Deliverer of France. Being the Story of het Life, her Achievements, and her Death, as attested on Oath and set forth in the Original Documents, Londen, 1902, p. 20-21. (Vertaald door LH)

Paradijs

Kaart met aards paradijs, 1791

Onlangs bedacht ik dat de beste kinderboeken landkaarten bevatten; misschien komt het door die vroege liefde dat ik nog steeds blij ben wanneer ik tussen de bladzijden een uitvouwbaar kaartje aantref. Een van mijn favoriete naamgenoten liet er eentje graveren voor zijn archeologische verhandeling over de locatie van het Aards Paradijs. In het huidige Irak staan nog wegwijzers naar deze plaats, heb ik een reiziger horen vertellen. (Kijk onder het woord Eden).

Hier was het

Pierre Daniel Huet, Traité sur la situation du Paradis Terrestre. À Messieurs de l’ Académie Française, Parijs, 1791.

Conscience in de lagere school

Hendrik Conscience

Uit een toespraak van Hendrik Conscience tot schoolkinderen, Kortrijk,  1857:

“Onze koning, de welbeminde vader des volks, en met hem onze staetsmannen, onze provinciale en gemeentelyke overheden, hebben wel begrepen dat de hechtste band, dien men rond onze jonge nationaliteyt kon slaen, de band van een doelmatig en overvloedig lager onderwys moest zyn. Wat dankbaarheid zyn wy hun niet verschuldigd, wanneer wy overdenken dat de kosten van allen aard, voor het lager onderwys, jaerlyks 4 1/2 millioen francs bedragen, en dat, op dien voet, sedert 1830, België aen de opvoeding des volks meer dan honderd millioen heeft besteed!

Men moge de gebreken der tegenwoordige samenleving met bitterheid gispen; men moge het goede vergeten om in het kwade te kunnen wanhopen, het is schoon toch, tot lof van onzen tyd en van ons land in het algemeen te kunnen zeggen, dat niemand in België van het brood van de ziel, van het licht des geestes onterfd moet blyven, dan alleen door zyne of zyner ouderen schuld! Dat niemand, zelfs het kind des bedelaers niet, de middelen ontzegd worden, om de begaefdheden, die God hem heeft geschonken, te ontwikkelen en te doen gelden, en aldus in het Belgische huysgezin de plaets in te nemen, waertoe zyne zedelyke weerde hem regt kan geven!”

Dankbaarheid? Geboden kansen aangrijpen? Opvoeding tot Belgisch burger? Allemaal het overdenken waard, nu de minister van Onderwijs een aantal scholen simpelweg in opvangcentra lijkt te willen veranderen, en naïef gelooft dat leraren vlot vervangen kunnen worden door cursussen op iPads, of op het volgende hippe hebbedingetje.

H. Conscience, Redevoeringen, Antwerpen, 1858, p. 77-78.

Een Belgische bibliotheek in het buitenland

De Britse krant The Guardian meldt dat er enkele brieven zijn opgedoken over een mogelijke affaire tussen de Italiaanse kroonprinses, later koningin, geboren Marie-José van België, en Benito Mussolini. Marie-José lijkt me een vrouw die een zeer ongelukkig leven heeft geleid, als een soort koninklijk mensenoffer, maar ze was ook het boegbeeld van de Academia Belgica in Rome, waar ik als beursstudent-kunsthistorica ooit een week lang onderdak vond. Daarom dwaalden mijn gedachten vandaag terug af naar die absolute schatkamer voor wie geïnteresseerd is in de kunsthistorische banden tussen tussen België, Vlaanderen en Italië: de bibliotheek van de Academia. Ingericht in pure art-décostijl door architect Jean Hendrickx, met boekenrekken die wel van brons lijken – ik heb er aangename uren gesleten.

Mary Shelley met viooltjes

Portret van Mary Shelley (1797-1851)

Op 30 augustus verjaarde Mary Shelley, de filosofische bedenkster van Frankenstein en zijn monster (u raadt het, ik ben hopeloos met verjaardagen). Een vrouw aan wie we met zijn allen verrassend vitaal cultureel erfgoed danken. Zoals altijd is het boek anders en beter dan de films. Hier vindt u prachtig materiaal over de schrijfster, haar ouders en haar man, Percy Bysshe Shelley. Een schakingsdagboek, manuscripten van meesterwerken en brieven, haarlokken in een medaillon, een reisnécessaire – de romantiek in kort bestek.

De geheimen van Moonacre

Niemand schrijft een gelukkig einde voor een verhaal zoals Elizabeth Goudge dat doet, besloot ik gisteravond beduusd, in het besef dat ik iets bijzonders had beleefd. Niemand.

En nu? Op zoek naar een mooie oude uitgave, een eerste druk misschien, voorzien van een landkaartje? Meer boeken van Elizabeth Goudge bestellen, haar autobiografie?  Een DVD van de film opsporen, The Secret of Moonacre (Gabor Csupo, 2008)? Daarin vertolkt de lieflijke Dakota Richards de jeugdige hoofdrol en spelen Ioan Gruffudd en Natascha McElhone mee, twee van mijn favoriete acteurs, mensen die op een interessante manier mooi zijn – hoewel Ioan Gruffudd misschien te mooi is voor de rol van Sir Benjamin.

Na dertig jaar heb ik The Little White Horse eindelijk kunnen uitlezen. Opnieuw betrad ik de onvergetelijke torenkamer met Maria Merryweather. De beschrijving laat ik u zelf ontdekken, maar Maria’s reactie is ook de moeite waard. “It was all perfect. It was the room Maria would have designed for herself if she had had the knowledge and the skill. For she realized that very much skill and knowledge had gone to the making of this room. Fine craftsmen had carved the moon and the stars and fashioned the furniture, and an exquisite needlewoman had made the patchwork quilt and embroidered the curtains.

This way and that she stepped, putting her pelisse and bonnet and muff away in one of the chests, smoothing her hair before the mirror, washing her hands in the water that she poured out of the little silver ewer into the silver basin, touching all the beautiful things with the tips of her fingers, saying thank you in her heart to the people who had made them, and whoever it was who had arranged them.”

Moet dit boek niet opnieuw in het Nederlands vertaald worden? En, zo leren mij de interwebben, het model voor Moonacre was Compton Castle in Devon, waar ergens een torenkamer moet zijn die net als Maria’s kamer langs de ene kant uitkijkt op een zeventiende-eeuwse rozentuin vol liefdesknopen.

Gouden eeuw

Clara Peeters, Zelfportret met vanitasmotief, Rafael Valls Gallery, Londen

Zaterdag spraken we over burgemeester Rockox op een congres over de Gouden Eeuw in Gent. Is de Gouden Eeuw een strikt Noord-Nederlands begrip of kan men in de zeventiende eeuw ook spreken van een Gouden Eeuw voor de  provincies van het Zuiden? Kunsthistorici zullen geneigd zijn “ja” te antwoorden: nooit genoten lokale kunstenaars tijdens hun leven zoveel roem als Rubens en Van Dyck, nooit bouwden er in hun voetsporen zoveel schilders en beeldhouwers een bloeiende internationale loopbaan uit. En men zou, zeker voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, nog andere gunstige factoren kunnen aanhalen.

Het deed me nadenken over dat hele begrip, Gouden Eeuw. Wat definieert een gouden eeuw eigenlijk? Leven wij, die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgegroeid in vrede, welvaart en democratisering, in een Gouden Eeuw? Of beleven we veeleer een periode die vergelijkbaar is met die van de volksverhuizingen, aan het einde van het Romeinse Rijk? Zal de slordig in elkaar geknutselde Europese Unie als een reus op lemen voeten instorten, net zoals het ongeziene wereldrijk van de Habsburgers in de zestiende eeuw scheurde?

De mooiste beschrijving van een gouden tijdperk vind ik nog steeds die van de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon. Zijn toetssteen lijkt niet op de eerste plaats een welig tierende economie, maar de algemene graad van beschaving. In deze dagen, waarin alles om economische hysterie draait, is het belangrijk om dat voor ogen te houden. “In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht. De zachte maar machtige invloed van wetten en zeden had geleidelijk een eenheid tussen de provincies bewerkstelligd. Hun vreedzame inwoners genoten van en misbruikten de voordelen van rijkdom en weelde. De illusie van een vrije grondwet werd met zedige eerbied in stand gehouden: de Romeinse senaat leek de soevereine macht te bezitten, en droeg aan de keizers al de uitvoerende macht over. Gedurende een gelukkige periode van meer dan negen decennia (98-190) werd het gezag toevertrouwd aan de bekwaamheden van Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius…”

Het witte paardje

Lang verwacht

Lang geleden ging ik op een woensdagnamiddag spelen bij een vriendinnetje. Zij had net nieuwe boeken uit de bibliotheek gehaald, ik neusde daarin en werd zo gegrepen door één boek dat ik meteen het eerste hoofdstuk uitlas. Een weesmeisje reist naar het kasteel van een verre oom op het platteland en ziet vanuit de koets een wit paardje in de verte. In het kasteel krijgt ze een torenkamer toegewezen, waarvan de blauwe zoldering met sterren beschilderd is. Jaren heb ik de herinnering aan dat hoofdstuk en die torenkamer gekoesterd en me afgevraagd hoe het verder zou zijn gelopen. Schrijver noch titel van het verhaal kende ik. Onlangs tikte ik “Wit paardje” in bij Google en zag het sinds decennia verbeide antwoord op mijn scherm verschijnen. Het boek dat me betoverde kon bijna niet anders zijn dan The Little White Horse, uit 1946, van Elizabeth Goudge. Ik snelde naar de kleine, onafhankelijke boekhandel en bestelde een Puffin-editie. Nu, twee weken later, ligt de lang-, langverwachte pocket naast me, grijpensklaar voor de eerste vrije uren. Maar uiteraard heb ik al geneusd. En op de eerste bladzijde van hoofdstuk 1 vond ik dit: “Humanity can be roughly divided into three sorts of people – those who find comfort in literature, those who find comfort in personal adornment, and those who find comfort in food.” Dankzij Elizabeth Goudge besef ik meteen dat ik geluk heb: ik vind zowaar troost in alle drie.

Cyllarus?

Ook Cyllarus zou sterven in de strijd ondanks zijn charmes – / als wij van charme kunnen spreken bij ’n Centaurenlijf. / Hij had pas kort een baard, goudblond van kleur, en van zijn schouders / hing zijn al even goudblond haar tot op zijn flanken neer. / Er straalde goede kracht uit zijn gelaat: nek, schouders, handen / en bovenlijf, alles wat mens was leek op beeldhouwwerk / van veelgeprezen kunstenaars: maar ook zijn paardgedeelte / was als volmaakt, niet minder dan het mensendeel…

En dan was er ook nog zijn mooie merriemeisje, Hylonome.

Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M. D’Hane-Scheltema, Amsterdam, 1999, p. 307 (XII 393-401).