Mercators handschrift

G. Mercator, de juiste en verkeerde wijze om de pen vast te houden, 1540

“Immunis”: wie cursief schrijft, kan die zeven letters vormen zonder de pen van het papier te moeten halen. Bedenk hoeveel voordelen dit een klerk oplevert! En dan is er de vloeiende schoonheid van de ampersand.

Nu mijn handschrift achteruitgaat omdat ik vaker op klavieren schrijf, neemt mijn bewondering voor Gerard Mercators kleine verhandeling over cursief schrift nog toe. Dit was niet zomaar een spielereitje van de cartograaf: het cursief nam op landkaarten minder plaats in dan de Romeinse of gotische letter en oogde ruimtelijk en elegant. Het bood zowel wetenschappelijke als esthetische voordelen. Niet lang daarna namen ook belangrijke kunstenaars het door Mercator aangeprezen en onderwezen cursief over voor opschriften bij hun prenten. Het is bijna een vreemde gedachte voor me, dat deze stille kaartenmaker in mijn eigen woonplaats Leuven werkte aan zijn globes en wetenschappelijke instrumenten in brons en messing. Gerard Mercator is een bewijs te meer van de stelling dat de gaven in deze wereld simpelweg niet eerlijk verdeeld zijn. Het is lang niet altijd zo dat wie niet theoretisch begaafd is, dan wel praktisch zal uitblinken. Nee, regelmatig ziet men dat wie intellectueel zeer begunstigd is ook prachtige praktische oplossingen vindt.

En de biografie van Mercator zal me leiden naar de biografie van de miskende politicus Antoine Perrenot de Granvelle, voorspel ik alvast.

N. Crane, Mercator. De man die de aarde in kaart bracht, vertaald door J. den Bekker, Amsterdam, 2003.

The Treatise of Gerard Mercator. Literarum latinarum, quas Italicas, cursoriasque vocant, scribendarum ratio (Antwerp 1540), ed. J. Denucé, Antwerpen-Parijs, 1930.

Oud Papier

“Hoe is het mogelijk dat zoveel privémateriaal in kartonnen dozen belandt en als oud papier voor een appel en een ei wordt verkocht? Plechtige-communiefoto’s, trouwfoto’s, gezinsfoto’s? Zijn erfgenamen en familieleden daar niet in geïnteresseerd wanneer ze een inboedel moeten verdelen, of zijn er simpelweg geen erfgenamen? En wij, die vandaag naar die foto’s zullen kijken en naar de bijbehorende verhalen zullen luisteren, zijn wij dan eigenlijk de erfgenamen?”

Een collega-blogger toonde me een prachtige verzameling oude foto’s en documenten en nu leid ik vanavond zijn lezing in. D. Braem, Het weeshuis van het internet, om 20 u. in het KBC-Auditorium, Torengebouw, Antwerpen.

Zie ook Deux Femmes en Charmantwerpen

Besloten tijd

“… & ik stel me voor hoe het z. zijn als we zielen konden versmelten.”
Die woorden schreef Virginia Woolf in haar laatste dagboekaantekening, enkele dagen voordat ze een einde aan haar leven maakte.

We kunnen geen zielen versmelten, omdat de pijn ondraaglijk zou worden. Op andere ogenblikken zou de vreugde ons misschien overstelpen;  maar de heftige afwisseling zou ons wellicht vernietigen.

Bekijkt men het filosofisch concept God, dan duikt al snel het woord alwetend op. Misschien zou daaraan alvoelend moeten worden toegevoegd?

Eens men wanhoop achter zich heeft gelaten, soms alleen door gewoon te wachten, kan men zich wanhoop nog wel herinneren, maar niet de intensiteit, de onontkoombaarheid, het ver-weg-zijn van alles wat goed is. De aanhoudende duisternis. En er is zoveel algemene goedheid en simpel fatsoen nodig, vanaf dag één dag in dag uit, van mensen én instanties, om een jonge mens iets te geven waaraan hij of zij zich kan vasthechten.

Een Antwerps schilderij bij de Nabokovs

Hendrik van Minderhout (toegeschreven aan), De tempel op de Meir in 1685, Petersburg, Hermitage

Een aandachtige lezer wees mij op dit schilderij uit de collectie van de familie Nabokov in Petersburg. Toen de Nabokovs in 1917 uit Rusland wegvluchtten, werden hun bezittingen genationaliseerd. Daartoe behoorde ook een bescheiden kunstcollectie met zestiende- en zeventiende-eeuwse schilderijen. Het was bijzonder plezierig om vast te stellen dat de Nabokovs in het verre oosten een Zicht op Antwerpen bezaten. Op dit optimistisch aan Hendrik van Minderhout toegeschreven doek zien we de Meir, met een cirkelvormige tempel boven het kruisbeeld, die was opgetrokken ter gelegenheid van de viering van honderd jaar reconciliatie met de Spaanse Kroon. In hedendaagse geschiedkundige termen zou ik moeten schrijven: de viering van honderd jaar Val van Antwerpen. Alexander Farnese heroverde Antwerpen op de opstandelingen in 1585 en een eeuw later organiseerde het Antwerpse stadsbestuur een groots spektakel ter herdenking van die terugkeer naar het wettelijk gezag en het ware geloof. Niet toevallig bleven hier schilderijen van bewaard: het ging om de omvangrijkste stadsversiering ooit, met – in tegenstelling tot enkele voorgaande edities – aanzienlijke inbreng van het verenigingsleven. De ronde tempel zou volgens beschrijvingen tweeëntwintig meter hoog zijn geweest en was ontworpen door stadsbouwmeester Jan Balthazar Bouvaert. “Eenen acht kanten wit-verwigen Marmeren Tempel […] hebbende een Coupola, ofte Italiaenschen Toren-lanterne,” volgens een getuige in augustus 1685. Op dit schilderij zien we hoe de processie door deze tijdelijke tempel trekt: de priesters dalen links al de trappen af naar de Huidevettersstraat, terwijl de rest van het gevolg nog vanuit de Meir naar het altaar stapt. Uit de wonden van het kruisbeeld stromen rode stralen: dit effect was verzorgd door loodgieter Jan Cras. Bedoeling was uiteraard het belang van de Eucharistie te onderstrepen.

Dus:  Vladimir Nabokov – de val of verzoening van Antwerpen, belangrijk voor onze burgemeester Rockox – de herdenkingsviering van 1685, in 2002 uitgebreid bestudeerd door Jan Grieten – Minderhout, het dorpje waar mijn grootouders woonden en waar de jongste broer van Antoon Van Dyck een prachtige kapel bouwde, die onlangs gerestaureerd is: hier komen vele persoonlijke lijnen samen.

J. Grieten, Façades tegen ketters, heidenen en rebellen. De stadsversieringen van 1685 ter gelegenheid van de honderdjarige herdenking van de herovering van Antwerpen, in Vreemd gebouwd. Westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur, red. S. Grieten, Turnhout, 2002, p. 153-170.

Gelijkaardige schilderijen bevinden zich in de Antwerpse kathedraal en in de voormalige collectie van het Vleeshuis.

Met hartelijke dank aan Johan Thibaut.

Zie ook: www.nabokovmuseum.org

Konijntjesgenoegen

Konijntjesgenoegen

Twee konijntjes zitten
Braafjes op het land,
Knabbelen aan de koolen
Door den boer geplant.

“Lekker”, zegt de dikkerd,
“Malscher zijn er geen,’
“Kom”, antwoordt zijn maatje,
“Proef er nog maar een”.

Spitst er soms een de ooren,
O! Een poosje maar …
Smullende konijntjes
Kennen geen gevaar.

Ze eten tot hun buiksken
Rond is als een ton;
Gaan daarna heel deftig
Slapen in de zon.

(Uit Kinderlust, door Jan Peeters en Floris Jespers, Drukkerij RECLAM, Grote Pieter Potstraat 1, Antwerpen, 1923)

Kinderlust

Kinderlust

Kinderlust, een zeldzaam avant-gardistisch kinderboek uit 1923, geïllustreerd door Floris Jespers. Wonderbaarlijk genoeg ooit op een tuinbeurs gevonden.

Brief aan Janneke-Maan

Maneke! Maneke!
Aardige klant!
Kop zonder ooren,
Mond zonder tand;
Eeuwige spotter,
‘k Nam u zoo graag,
Om al dat lachen
Eens bij den kraag.
Kan ik het helpen
Dat ik hier woon?
Dat hier nooit blinken
Sterrekens schoon?

Maneke! maneke!
Kreeg ik mijn zin,
Gij naamt mijn plaats en
Ik … de uwe in.

Avond met N.B.

Logeerpartijtje. Fototoestel, schriften en reservejurk in de koffer gepropt, trein op, naar het platteland. Tuin vol duiven en kauwen, geur van de herfst, een geliefde kamer, een boek dat op het nachtkastje wacht en wordt gelezen voor het slapengaan, vier tot acht bladzijden per maand. Lumineuze en verstilde passages. Schrijfster van wie ik hierna mogelijk veel meer zal willen lezen.

“Ze zei dat ‘paradijs’ in een mij onbekende taal ‘tuin’ betekende, dat ze dat ergens had gelezen, en dat de hel daarentegen een saaie wachtzaal moest zijn, zoals men die aantreft in vredegerechten, pandjeshuizen, stations … Ik meende dat ik zelf ook had horen spreken over een grote grijze kamer, waar de muren beschilderd waren met olieverf, waar men nooit de vensters opende, waar een geur hing van ontsmettingsmiddel. Ik was er zeker van dat ik daar al was geweest, dat ik die kamer goed kende.

– We moeten eens komaf maken met die legende van de vorige eeuw, volgens dewelke men zich in het paradijs steendood verveelt en de hel bevolkt is met interessante en beroemde mensen. In het paradijs spreekt Socrates met Homeros, en iedereen die wil mag luisteren. In de hel zijn er alleen maar duistere administratieve lokalen en afstotelijke ambtenaren.

– Met een ooglap, vulde ik aan.

– Met een ooglap, herhaalde ze. En de wijzer van de klok blijft miljoenen jaren stilstaan.

– Totdat het loket sluit.

– En wanneer het sluit, dan weet men niet waar men heen moet.”

Nina Berberova, Le mal noir, vertaald door L. Jurgenson, Actes Sud, Arles, 1989, p. 63-64.

Reynard’s

Zalvende Reynaert

De Erfgoedcel Waasland schreef, als een achttiende-eeuwse Académie, een essaywedstrijd uit: het opgegeven thema was de Wase identiteit. Bestaat ze, bestaat ze niet, wat behelst ze? Ik had het genoegen deel uit te maken van de jury en leerde al lezend dat Van den vos Reynaerde vele schrijvers inspireerde, zijn woning Malpertuus bevond zich immers in het Land van Waas. Zo wilde het toch Willem-die-Madoc-maakte. Doel. Het Waasch Idioticon. Nobels-Peelman. Het Glazen Dakske. Edgard Tinel. Aardbeien en rapen. Lintbebouwing en koeltorens. Land in een gordel van stromen geprangd. Eutrofie en chorematica.

De inzendingen getuigden stuk voor stuk over een weinig belicht verschijnsel: de discrete diepe genegenheid die veel mensen voelen voor de streek waar ze hun leven doorbrengen. Ik vond het boeiend om als buitenstaander het Waasland te leren kennen door de pennen en klavieren van haar bewoners. Reynaert, dat icoon van de Laaglandse letterkunde, staat me plotseling ook weer duidelijk voor de geest. Aangezien hij een doortrapte verkoper was van warme lucht en heersend jargon, die briljant wist in te spelen op iedereens hebzucht terwijl hij de tent leegroofde, stel ik me voor dat hij nu in de VS woont en een ratingbureau uitbaat.

(De winnende essays zijn gepubliceerd in de Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 114, 2)