“Nabokov kon ons wel op het hart drukken dat wat hem hinderde in het leven, een in zijn tand bekneld aardbeizaadje was, […] wij hadden sinds lang geraden wat er in werkelijkheid aan hem knaagde en zijn creativiteit voedde. Wij hadden geen andere bekentenissen nodig. O zweer mij dat je tot aan het einde van je weg, slechts trouw zult blijven aan je enige droom, had hij geschreven in De Gave. Zoals Baudelaire in zijn ‘Belgische hel’ en Dante in Ravenna had hij slechts één gedachte, één kwelling.”
Nina Berberova verwoordt het mysterieus, in C’est moi qui souligne. En geeft te denken. Is Bleek Vuur werkelijk geïnspireerd door Timon van Athene, het eerste stuk van Shakespeare dat ik las? En heeft de Belgische hel werkelijk zoveel literaire vrucht gedragen als Ravenna?
“Ken je de verhalen van Lydia Davis?” zei mijn uitgeefster. “Echt, moet je lezen. Zo grappig. Soms is het ook gluren. Ze is getrouwd geweest met Paul Auster.”
Wie schetst mijn verbazing toen The Collected Stories of Lydia Davis onder de kerstboom bleek te liggen? En nu lees ik, lees ik, lees ik.
Lydia Davis noemt haar ultrakorte verhalen terecht ook prozagedichten, maar ze beseft terdege dat zulks niet lekker klinkt. Hoe dan ook dwaal ik graag rond in haar wereld. Een wereld waarin sommige vrouwelijke hoofdpersonen Foucault lezen en aantekeningen maken terwijl hun huwelijk strandt, of hun fijnproevende en aan ouderwetse stoofschotels en gebraad verslingerde echtgenoot voortdurend tofu-variaties voorzetten.
“Een paar jaar geleden hield ik mezelf voor dat ik met een cowboy wilde trouwen. Waarom zou ik ook niet – ik leefde alleen, opgewonden door het bruine landschap, en af en toe zag ik een cowboy in een vrachtwagen in mijn achteruitkijkspiegel wanneer ik over de brede autostrades van de Westkust reed? Eigenlijk, zo besef ik, zou ik nog altijd graag met een cowboy trouwen, hoewel ik nu in het oosten woon en al getrouwd ben met iemand die geen cowboy is.
Maar wat zou een cowboy in mij kunnen zien – een professor Engels, de dochter van een andere professor Engels, niet erg gemoedelijk? Als ik een glas of twee heb gedronken, word ik wat gemoedelijker, maar ik spreek nog steeds correct en weet niet hoe ik grappen moet vertellen tegen mensen tenzij ik hen goed ken, en dan zijn het dikwijls universiteitsmensen of mensen die bij hen wonen, die ook correct spreken. Hoewel ze me niet storen, voel ik me afgesneden van alle andere mensen in dit land – om slechts dit land te noemen.”
Zo gehoord in het VRT-journaal: “Er zijn geen klachten binnengekomen. Het parket roept mensen op om te getuigen, ook als de misdrijven verjaard zijn.”
Behoort dit nog tot de geplogenheden van een rechtsstaat?
Toevallig hoorde ik het verhaal van een jongen die jarenlang door zijn moeder werd verwaarloosd, onder het lijdzame oog – scherper gesteld, het schuldig verzuim – van alle gerechtelijke en sociale instanties. Moe getergd pleegde hij enkele dagen na zijn achttiende verjaardag zelfmoord. Misschien had hij aan die instanties moeten vertellen dat hij door een geestelijke was aangerand?
“De kunstenaar, zijn zoon en de oude man verlichten de duisternis van de winter met een boom vol kaarsen, ze versieren de blokhut met slingers van sparrentakken en dollekervel, brengen zelf gemaakte en geïmproviseerde geschenken en bereiden een kerstmaal dat ze aankondigen met zelf gedrukte menu’s.”
Rockwell Kent, A Northern Christmas, Wesleyan University Press, Hanover-Londen, 1998.
Marguerite Porete: “Amour peut tout faire sans nuire à personne”.
Erich Fromm: “We have transformed the concept of equality into that of sameness. Actually we are afraid to be different because we are afraid that if we are different, we have no right to be here. I recently asked a man in his early thirties why he was so afraid of doing something worth wile with his life, living intensely and with zest. After a moment’s thought he said, ‘You know, I am really afraid because that would mean to be so different.'”
Living intensely and with zest – men kan niemand iets beters toewensen.
Jaklien is gestorven, las ik vandaag bij de overlijdensberichten in de krant. Een schaap met witte voetjes, Simon en Saartje, Floris en Floriaan. Mirabella en de grijze vis. Mijn moeder hield evenveel van die boeken als ik. Dan had je nog De 365 jurken van prinses Petronella, een titel die een zekere invloed op mijn bestaan heeft uitgeoefend. Het onverdeelde genoegen waarmee ik als kind de verhalen van Mariette Van Halewijn las en in Jakliens tekeningen verdween staat me plotseling opnieuw helder voor de geest. Plus het licht in een zitkamer, glanzend verpakte toffees van Quality Street, het fluweel van een sofa, de stemmen van de mensen rondom mij.
De laatste sneeuwman die ik maakte, in januari 2009. Het jaar begon rampzalig, maar ik herinner me dat ik vreemd blij was terwijl ik de sneeuw rolde, met tintelende handen.
Net wanneer je het ene uiteinde van het spectrum hebt bereikt – de gedachte dat al die Romeinen stugge en zelfingenomen mannen waren met, in de onvergetelijke woorden van een vriendin, “koppen als kasseien” – dan stuit je weer op vier regels die naar het hart van elke schrijfster en schrijver gaan:
Laudat, amat, cantat nostros Roma mea libellos,
meque sinus omnes, me manus omnis habet.
Ecce rubit quidam, pallet, stupet, oscitat, odit.
Hoc volo: nunc nobis carmina nostra placent.
Ik word geloofd, geliefd, gelezen in heel Rome.
Mijn bundel wordt door man en vrouw ter hand genomen
met blozend, bleek, verbaasd of met verveeld gezicht.
Net goed! Met die bedoeling heb ik het gedicht.
Martialis dus. Epigrammata VI, 60. En voor dat soort fonkelingen blader ik graag door een handboekje van de middelbare school.
P. Claes/G. Lesaffer, De dansende faun. Topmomenten uit de Latijnse literatuur, Leuven, 1989.
Het vriest dat het kraakt op deze prent. En de honden en de jagers hebben een everzwijn neergelegd. Boven de boomtoppen verrijzen de torens van het kasteel van Vincennes, waar de hertog van Berry geboren was.
Mijn favoriete beschrijving van de winterse jacht staat in Arthur, Koning voor eens en altijd van Terence H. White. Uit mijn stukgelezen Prisma-pocket:
“Dit vond plaats toen de blozende baronnen met hun vingers aten en zich pauwen lieten opdissen met alle golvende staartveren er nog aan, of zwijnskoppen waar de slagtanden opnieuw in waren gestoken – toen er geen werkloosheid was omdat er te weinig personeel te krijgen was – toen de wouden weerschalden van ridders die elkaar op de helmen sloegen en de eenhoorns in het winterse maanlicht met hun zilveren poten stampten en hun nobele blauwe adem in de vrieslucht uitsnoven. Zulke wonderen waren groot en geruststellend.”
“Het toneel veranderde even plotseling als een kaartenhuis dat instort. Het zwijn stond niet meer in een afwachtende houding, maar viel meester Twyti aan. En terwijl het naar voren stormde, kwamen de wolfshonden op hem af, en vlogen hem fel naar de schouder, keel of poot, zodat wat er op de jager stortte niet een wild zwijn was, maar een pak beesten. Het pak rolde ongehinderd voorwaarts, alsof de honden hem helemaal niet tegenhielden. Twyti begon zijn speer om te draaien om de aanval met het uiteinde af te houden, maar terwijl hij dat deed, waren de vechtenden bovenop hem. Hij sprong achteruit, struikelde over een wortel en het zwijn lag op hem. De Wart danste eromheen, zijn eigen speer angstig zwaaiend, maar er was geen plek waar hij hem in durfde steken. Robin liet zijn speer vallen en met dezelfde beweging trok hij zijn kromzwaard, stapte in de grommende warboel en pakte kalm een wolfshond bij de poot op. De hond liet niet los, maar waar zijn lichaam was geweest, was nu een ruimte. In deze ruimte verdween langzaam het kromzwaard, één keer, twee keer, drie keer. De hele bovenbouw wankelde, herstelde zich, wankelde opnieuw en zeeg zwaar op zijn linkerzijde neer. De jacht was afgelopen.”
T. H. White, Arthur Koning voor eens en altijd, vertaald door M. Schuchart, zesde druk, Utrecht-Antwerpen, 1977, p. 146; p. 162.
“De hemel besloot tot zijn eigen beeldenstorm. Ze hagelden neer, de beeldjes met hun blauwe jurken, hun zwarte gezichten, en bleven hangen tussen de takken van lindebomen en in oude eiken. Ze vielen neer in akkers om te wachten op spelende kinderen, in greppels om verdwaalde reizigers bij te staan. Ze beschermden tegen struikrovers, ze genazen zieken, ze verzamelden zilveren dankbrieven en een garderobe van brokaat en parels – maar als de armen gewoon boter en eieren brachten, was het ook goed.
Frater Waltman, pastor en persona van alles waar zijn blik nabij en ver weg op kon rusten – de grote salon, de Bloemenkamer, waar zijn slapende voorganger wegzakte in zijn roodleren stoel, de snoekengracht, het speelhuisje boven het water, de boomgaard, de hoeve die in zijn tafelgenoegens voorzag, de velden en beemden die toebehoorden aan zijn abdij, de kerktoren waarin hij de nieuwe klok had laten hangen – overdacht dit vreemde manna van heiligheid. De oorlog had zijn dorp bijna verwoest, en de meeste andere dorpen in zijn omgeving. Pas de laatste jaren heerste er weer rust. Hij wist dat die niet zou duren. Hij was opgegroeid met het geweld.”
Morgen: lezing over Nicolaas Rockox voor de Erfgoedkring Hoogstraten. Aangezien Rockox Antoon Van Dyck protegeerde, en Antoon Van Dycks jongste broer pastoor was in de Hoogstratense deelgemeente Minderhout, zal ik toch een paar mooie banden kunnen strikken tussen de Antwerpse burgemeester en de Noorderkempen. Waltman Van Dyck O.P. restaureerde zijn parochiekerk na de Tachtigjarige Oorlog en liet in het jubeljaar 1650 ook een barok kapelletje op den akker bouwen, dat er mooier dan ooit bijstaat. Het archiefonderzoek naar Waltmans bouwcampagnes inspireerde me in 2001 tot een verhaal voor De Kunstkamer, waaruit ik morgenavond wellicht een stukje zal voorlezen.