“Zie je dat spiegeltje boven op de cockpit?” zei mijn vader. “Zo kon de piloot zien of er achter hem geen aanvallers opdoken.” De Spitfire viert zijn vijfenzeventigste verjaardag en BBC 2 wijdde zaterdagavond een meeslepende documentaire aan dit toestel, Britain’s Flying Past. Om de waarheid te zeggen raakte ik behoorlijk onder de indruk van de moed van de piloten tijdens de Tweede Wereldoorlog: de Ilias is boeiend, De Bello Gallico evenzeer, maar hier zag en hoorde ik mensen die hadden deelgenomen aan de grootste oorlog sinds mensenheugenis. In formaties, ja, maar onherroepelijk alleen, in een ingenieus vliegtuig. “Als je nog maar tegen de stick blies, deed de Spitfire alles wat je wilde,” prees een piloot. En een verbluffende pilote, ook veterane, zei: “Vliegen met de Spitfire kwam het dichtst bij vliegen met je eigen vleugels.”
Uncategorized
Alledaags voorkomen

Die goede Vlaamse Pockets! Wie gaf hen uit, bedenk ik nu, wie stippelde de lijnen uit van dit oprecht volksverheffende fonds? In een verloren hoekje van mijn boekenkast vond ik de Vlaamse Pocket Bruegel en de Renaissance terug, geschreven door Achilles Stubbe. De foto op de achterflap toont een uitgeteerd gelaat boven een priesterboordje. Niet echt wervend, maar al lezend begon ik de heer Stubbe te waarderen. Een kunsthistoricus die algemene conclusies durft te formuleren, in plaats van zich almaar dieper te verliezen in acribische detailstudie? Chapeau. Ik geloof dat ik het voorlopig op driekwart van zijn bladzijden met hem oneens ben, maar hij kon wel degelijk schrijven. Nu eens een verrassend inzicht, dan weer een geestige woordkeuze. Ik onthoud met genoegen zijn uitdrukking “de menselijke wormstekigheid”.
“Voor de renaissancekunstenaar en de romanist was de mens door de adel van zijn lichamelijke schoonheid alles, voor Bruegel was de mens in het onbelangrijke van zijn alledaags voorkomen een deel van de natuur. Ten aanzien van dergelijke soort van mensen had het geen zin enige aandacht te schenken aan het naakt, dat de absolute voorkeur genoot van de renaissance, ook die van de maniëristen, terwijl het kleedsel slechts noodgedwongen werd aangewend en ten hoogste als picturaal en compositorisch element diende. Bruegel kende dat dualisme niet. Een naakte boer is geen boer. Boer en dorper zijn met hun kleren vergroeid. Hun ziel schuilt in de plooien van hun alledaagse of feestelijke dracht. Aldus zag het Bruegel en laadde hij zijn figuren, in weerwil van hun bescheiden verhoudingen, met de explosieve kracht van een wonderbaarlijke levensheftigheid.”
Dr. A. Stubbe, Bruegel en de Renaissance, tweede druk, Hasselt, 1964, p. 166.
Oktober

“Delicious Autumn! My very soul is wedded to it,” schreef George Eliot. Ik deel haar gevoel in de maand oktober.
In het prachtige getijdenboek van de hertog van Berry is deze maand echter de enige van de kalender waarop we een smartelijk gezicht zien. Ja, dit is de meest gedetailleerde weergave van het Louvre die we kennen uit de middeleeuwen. Ja, ultramarijn en subtiel goud vertonen ook hier weer al hun schoonheid en rijkdom. Het is mooi om de wimpels te bekijken die over de akker gespannen zijn, en de vogelverschrikker die aangekleed is als een boogschutter. Maar de boer die zaait ziet er verbitterd uit. Hoogstwaarschijnlijk had hij daar alle reden toe, aan het begin van de vijftiende eeuw. De koning krankzinnig. Zijn ooms (onder wie de hertog van Berry) roofzuchtig en inhalig. Burgeroorlog alom, en plunderende Engelse bendes. Nu eens twee pausen, dan weer drie. Frankrijk aan de rand van de afgrond. Ver weg, aan de grens van het land, in Barrois mouvant, groeide een kleuter op, de kleine Jeannette van Domrémy. Voorlopig wees nog niets op nakende verbetering.
Indien de boer in dienst was van de hertog van Berry, dan is dit citaat van Jean Froissart ongetwijfeld verhelderend. “Die hertog van Berry was de meest hebzuchtige man ter wereld en hij gaf er niet om waar men het haalde, als híj het maar in handen kreeg.”
Honderd

Vanavond vieren we in Leuven de publicatie van Paul Claes’ negenennegentigste en honderdste boek. Lezend in C vind ik op elke bladzijde een parel, van de observatie dat we vaak zonder het te weten in vijfvoetige iamben spreken (‘Veel mensen zijn zich nergens van bewust’) tot de omschrijving van die goede Bilderdijk als Bombastus van Bulderbast, en een schitterend hoofdstukje over een van mijn lievelingsverhalen door Jules Barbey d’Aurevilly, dat weer voert naar een mooie uitspraak van Luther: Esto peccator et pecca fortiter, sed fortius fide et gaude in Christo. Wees een zondaar en zondig sterk, maar geloof nog sterker en verheug u in Christus. Ja, aan pekel- en kwezelzonden hebben we niets. Beduusd en ontroerd was ik echter, toen ik op bladzijde 177 een expliciet voor mij bestemde verrassing aantrof.
(En passant vier ik mijn tweehonderdste bericht.)
Een kus smaakt beter
Ik leer graag een nieuw woord. Is dat vermoedelijk Etruskisch, dan zoveel te beter. Fescennijns, hoorde ik vandaag, van het Latijnse Fescennina, fescenninus. Fescennijnse scherts, Fescennijnse verzen. Spottende verzen over losbandigheid, ter gelegenheid van huwelijken. Wie zou durven betwijfelen, dat de Romeinen van losbandigheid iets kenden? Er bleef slechts één voorbeeld uit de Late Oudheid bewaard, dat we meteen vertaalden. Geschreven door de dichter Claudius Claudianus (in de Nederlandse letterkunde personage bij Couperus en bij Hella Haasse) ter gelegenheid van het huwelijk van de veertienjarige keizer Honorius met de twaalfjarige Maria, in het jaar 389. Een politiek gemakeld en noodzakelijk geacht huwelijk, dat de hofdichter lyrisch weet en wijdde aan Venus.
Geen mens geniet van bloemengeuren in de lente / of maakt uit korven op de Hybla honing buit, / als hij bevreesd is voor zijn huid of struiken vreest: / een roos dekt zich met doornen, bijen hoeden honing. / Hoe moeilijker de strijd, hoe groter ook de vreugde / en Venus vlamt, wanneer zij wegvlucht, des te meer! / Een kus smaakt beter, als je hem van tranen steelt.
Kortom, de dichter draagt de jonge bruidegom, “de wonderschone Honorius”, nogal militaristisch op om er korte metten mee te maken. “Spring dan als triomfator uit het druipend bed” is niet wat ik een smaakvol beeld noem, maar goed, zo weet ik dus meteen wat Fescennijns betekent.
(vertaald door J. Soenink: Een keizerlijke huwelijksnacht, in Hermeneus (83.4), oktober 2011, p. 189)
Schrijven en schilderen
Ik schrijf. Over Turnhout. Vlaamse cultuurstad in 2012. Omdat ik enkele kilometers naast Turnhout geboren ben, denk ik na over Kempense identiteit. Wat is identiteit? Ah, moeilijke vraag. Meer weefsel dan vezel. Couleur changeant. Wie schrijft, droomt er soms van om eigenlijk te zitten schilderen. Net als het begrip identiteit voert dat verlangen terug naar de kinderjaren. Ooit zat ik aan de keukentafel van mijn grootmoeder met waterverf te schilderen. En daarna volgden er wafels, of macaroni met ham en kaas uit de oven.
Roem en cottage industry

Een bizar voorbeeld van literaire roem: Christine-de-Pisan- en Virginia-Woolfpoppen.

Cottage industry op de interwebben. Leuk, maar hopelijk niet de enige toekomst voor Europa en het Westen.
Creaties van Portugese poppenmaakster Deriana en The Unemployed Philosophers’ Guild.
Vroeger, nu

Miniatuurschilders wisten het dagelijks leven bijzonder charmant voor te stellen. Wellicht werkte die charme ook al voor de tijdgenoten. De meester van Bedford maakte schrijfster Christine de Pisan erg lieflijk, in haar blauwe jurk. Hoe vreemd dan, om de vijftiende-eeuwse werkelijkheid plotseling in een foto te zien.

(Historische kostuums gemaakt door Kat’s Hats)
Toevlucht of speeltuin

Is het leven een strijd tussen zonden en deugden, tussen mannen en vrouwen, tussen biologische cycli en andere vormen van tijdrekening? Veel vaker nog gaat het om het helse gevecht tussen verstrooiing en concentratie. Wanneer ik in mijn eigen huis geen innerlijke rust meer kan laten opwellen, verhuis ik naar een bibliotheek. Misschien ben ik precies om die reden in een stad met talrijke bibliotheken komen wonen? “Geschiedenis en Neo-Latijnse literatuur” staat er boven de deur, wat iets geruststellends heeft. Het interieur kraakt niet van oud en edel hout, maar door de vensters kijk je uit op wuivende boomkruinen. Je brengt er tijd door in het gezelschap van andere lezers. Het is er stil, al zou je de concentratie kunnen horen zoemen. Daar zit ik dan, met mijn schriftje, klaar voor ideeën. Komen die niet meteen, dan sta ik op en wandel eens langs de boekenrekken. Geschiedenis van de middeleeuwen. Christine de Pisan. Marina Warner, Joan of Arc. “How did she happen?” How indeed? Even lezen. Wanneer ik opkijk, zijn we drie uur verder. Waar gaat het naartoe, wanneer men zelfs in bibliotheken al afleiding kan vinden?
Ratio quique reddenda

Een bijzondere schilder, Michael Sweerts (1618-1664). Brussel, Rome, Amsterdam, Marseille, Isfahan, Goa, dat is zijn traject. Mooie melancholie in dit schilderij: jongeman verdwaald tussen kasboeken, wisselkoersen en geldbuidels. Een mens zoals u en ik. Ratio quique reddenda, staat er op het vel papier dat aan het tafelkleed is gespeld: Iedereen moet zijn rekening betalen.